Het woord van het jaar is: hallucineren. Zegt Van Dale. Nou ja, zegt de redactie van Van Dale. Nou ja, toont een filmpje dat in opdracht van de redactie door AI gemaakt is. ‘Deze beelden en audio zijn gegenereerd met AI,’ staat er onder in beeld. ‘Het woord dat 2025 weerspiegelt,’ zegt de voice-over. Die stem boezemt het vertrouwen in van een journalist die weet waarover hij het heeft, laten we zeggen Bram Vermeulen. In beeld verschijnt ook de online woorduitleg van Van Dale op een schermpje: (gezegd van taalmodellen: “informatie verstrekken die niet op (betrouwbare) data gebaseerd is en die daarom onnauwkeurig of volstrekt onjuist is.”). Dit alles bij elkaar roept een paradox op die al een tijdje bekend is: AI-beweringen hallucineren altijd.
Over AI wordt veel beweerd. De mogelijke zegenrijkheid van deze technologie zal ik niet betwisten maar over het vraagstuk of AI de menselijke geest voorbij zal streven overvalt mij deze vrees: niet AI wordt slimmer, maar AI maakt de mens dommer.
Ik dacht niet ogenblikkelijk aan Epimenides. Ik dacht meteen aan Donald J. Trump: ‘I am the greatest president ever.’ Het gaat er niet om of je dit soort uitspraken uit het fonkelende spiegelpaleis formeel logisch kunt ontrafelen en de spreker kunt ontmaskeren als een malloot. Maar je moet er wel iets mee.
Terug naar mijn wereld. Het boek over de ijsvogel heb ik jammer genoeg uit en voorlopig zal ik er maar over op houden. Dit wil nog wel gezegd zijn: het is mij indertijd ontgaan dat Jean-Pierre Geelen in 2015 nog ferme pleidooien heeft gehouden voor de ijsvogel bij de verkiezing van nationale vogel van Nederland. Ik had toen denkelijk heel andere dingen aan mijn hoofd en het zat mij wel goed dat het de grutto geworden is. Nu heb ik andere inzichten.
Dat Geelen in zijn pleitrede Willem van Oranje als argument naar voren schuift leunt naar mijn gevoelen te zeer op valse nationalistische sentimenten. Ook het argument dat de ijsvogel jarenlang een bankbiljet heeft gesierd, het blauwe tienguldenbiljet, vind ik nogal oneigenlijk. Een ijsvogel kost geen tien guldens. Ook geen euro’s of dollars, de waarde van die dingen is volatiel als de beurs. Geef mij maar een vliegende vogel. En verder, door de stijgende temperaturen zal de ijsvogel als soort zeker voortbestaan. Gelet op het criterium we moeten die vogel de winter door helpen komt het ook heus wel goed.
Met de grutto ligt dat anders. Die heeft niet meteen last van het klimaat maar wel van een minister die de boeren maar naar willekeur aan laat rotzooien met het waterpeil. En met nog veel meer. Dáárdoor verkommeren de gruttokuikens en dáárdoor wordt de grutto als soort wel bedreigd. Het Aanvalsplan Grutto was vanaf de start kansloos.
Nog weer een andere vraag is of dat erg is. Natuurlijk is dat erg maar eerlijk is eerlijk, het succes van de grutto vanaf de jaren ’70 was vooral te danken aan een landbouwbeleid dat toen toevallig ingezet werd.
Ik kom er niet uit. Zouden ze daar op Landgoed De Zwaluwenberg (!) bij het haardvuur ook het spelletje gedaan hebben wat hun bijzonderste vogel is? En zouden zij er ook niet uit gekomen zijn? En toen maar besloten hebben dat alle vogels bijzonder zijn? Of zit ik nu te hallucineren?
Wat heeft de ijsvogel op zijn bordje? Visjes natuurlijk, formaat stekelbaars. Ook wel insecten om de jongen te voeren maar toch voornamelijk visjes van gemiddeld 54 millimeter lang. Ongeveer één visje per uur. Dan is er een probleem als het flink vriest. In de aantallen ijsvogels kun je zo terugzien wanneer de slootjes langer dan een dag of drie, vier toegevroren waren. SOVON houdt dat bij. In 2018 haalden veel ijsvogels de lente niet. Eén van de verklaringen voor die wonderlijke foto van die ijsvogel die in volle vlucht in het ijs bij Oostzaan lijkt te zijn vastgevroren, is dat hij door de honger al uitgeput was. Hij kon gewoon niet meer bovenkomen. In strenge winters overleeft soms hooguit slechts 10 %.
En nu het bordje met daarop een ijsvogel, hoe komt die daar terecht? Ik stel mij zo voor dat de huidige koning van dit koninkrijk tijdens een staatsbanket tegen zijn tafelgenoten opmerkt dat we weliswaar in moeilijke tijden leven maar dat de grondlegger van het Koninkrijk der Nederlanden, die ook gekend wordt als de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje dus (1533-1584), naar wie hij ook vernoemd is, het ook niet makkelijk had. En dat – ie dan wijst naar het ijsvogeltje op z’n bordje. ‘Je niet gek laten maken, hè? En altijd weer boven komen. ‘Saevis tranquillus in undis’, zei die altijd, nou dan weet je het wel.’ Nou, dan weten zijn disgenoten het wel.
Het ‘Oranje – Blanje – Bleu’ kan nog wel uitgelegd, zelfs op een Delft Blauw servies. ‘Kijk, deze heeft zijn visje al op en zit nu op de oranjebloesems uit te puffen. Zo heet ik hè? Van Oranje. Tel dat nou -es op bij het blauw en het wit . . . en daar hebben we de prinsenvlag!’ Hoe het komt dat dat oranje dan in 1653 of daaromtrent weer moest wijken voor rood is een moeilijker verhaal, waarvan ik niet helemaal zeker ben of de koning zich daar uit weet te redden.
Dat ijsvogeltje kwettert natuurlijk geen Latijn, de disgenoten vermoedelijk ook niet zo goed, dus dat behoeft vertaling: Rustig temidden van woelige baren (golven). De koning wist het zeker want toen hij de hermelijnen mantel van zijn moeder overnam had hij het opgezocht. ‘Mijn moeder,’ zei die toen hij het koningschap aanvaardde ‘bleef altijd zo rustig, net een ijsvogel.’ En toen die spreuk.
‘Hè?! merken de gasten op, een ijsvogel op zee? En net zat -ie nog tussen de sinaasappels?!’ Heeft de koning op school ook Grieks gehad? Of kent hij op z’n minst de mythe van Alcyone, de dochter van de god der winden Aeolus? Nou ja, ze hebben daar aan tafel genoeg om over te praten.
In de 16e eeuw kwam het er niet zo op aan. Hadden de oude Grieken beweerd dat een ijsvogel het nest op zee maakt? Dan was dat zo. Willem van Oranje moet dat ook gedacht hebben en het kwam goed uit dat de kleurstelling van het vogeltje net overeenkwam met de vlag die hij in z’n kop had om de legertjes aan te voeren waarmee hij de Spaanse troepen de stuipen op het lijf wilde jagen. Wat in de kop zat, zat niet in de kont. In Den Briel lukte dat, Filips de Tweede sidderde. En hij maar rustig blijven.
Pas in de 17e eeuw ontstaat er iets van wat je een zuiver ornithologische belangstelling kunt noemen. Maar de wetenschappelijke naam die Linnaeus in 1758 voor de ijsvogel bedenkt, Alcedo Atthis, berust nog op de mythe. Veel uitleg van de geschiedenis trouwens ook. Dat een ijsvogel ongeveer één visje per uur verschalkt weten we nog maar sinds heel kort. (Geelen/Van Loenen , De IJsvogel (2025), De menukaart, p. 137 e.v.). Waarom sommige lieden de prinsenvlag weer hijsen, of meevoeren tijdens hun bezigheden, weten we dan weer niet.
Dwalend over de schor bij Wieringen vond ik ooit eens dit stukje hout. Geen mens weet hoe lang het er al lag, waarvandaan het aangespoeld kwam. Maar voor mij was het een vogel. Een ijsvogel, besliste ik. Dat zag ik meteen want die had ik in die dagen juist voor het eerst gezien. In het Robbenoordbos was dat, vlak achter gemaal Leemans. Het was in het najaar, bladeren knisperden al onder mijn voeten toen ik afdaalde naar de waterkant. Een kobaltblauwe schicht kwam daar dwars door mijn hart gevlogen.
Ik sjouw het beeldje (want dat is het) nu al meer dan dertig jaar mee en telkens staat het ergens in de buurt van mijn schrijftafel. Hij slaat gade vanaf een nauw albasten vaasje. Dat is zijn tak. Dat vaasje is ook ooit gevonden, op een andere plaats en in een heel andere tijd maar die twee horen nu bij elkaar. Vanaf zijn plek houdt hij mij in de peiling. Het kan ook een zij zijn.
Een ijsvogel zeg je? En dat adembenemende blauw dan? Het oranje van zijn buik? Zijn snavel als een dolk? De streep van witte veertjes naar zijn nek?
Uit welk deel van de boom het stuk komt valt niet te zeggen. Evenmin van welke boom: een wilg? Het kan heel goed uit de kruin van knotwilg komen. Soms denk ik olijf, er zit een glanzend stuk in, maar olijven zie je niet zo in onze streken en daarvoor is het hout ook te zacht. Er zitten spannende draaiingen in, hij kijkt om de hoek, wendt alert de kop om te luisteren wat er is, om te zien waar het onheil huist. Maar kleuren? Zelfs vleugels heeft hij niet. Als het dan toch ergens op moet lijken, zegt de vogelaar, een draaihals misschien? Geen denken aan, die is niet door mijn hart gevlogen.
Het is een reusachtige fantasie. Een vlucht van de verbeelding. En nee, vliegen zal hij nooit. Bij alle verhuizingen moest ik ‘m voorzichtig inpakken. Ik kan tegenwerpen dat ik opgezette vogels maar niks vind en mensen die zoiets in hun werkkamer zetten maar sneu. Over hertengeweien in de hall zal ik niet eens beginnen. Maar ik hoef mij niet te verdedigen. En overigens weet ik het zeker: dit is vermoedelijk de oudste ijsvogel ooit. Ik schat een eeuw of elf. Deze zag nog Vikingschepen naderen. Maar het kunnen ook gemakkelijk millennia zijn.
Geelen en Van Loenen sommen in De IJsvogel (2025) alles op wat ze over ijsvogels te weten zijn gekomen en wie zelf nog nooit de eer heeft gehad er een te zien moet beslist in dat boek gaan kijken. Want in de vrije natuur lukt dat niet zo gauw. Vrijmoedig verhalen de echtelieden hoe vaak dat wel niet mislukte. En waarom. Ze zijn vogelaar geworden bijna tegen wil en dank. “Het moet er maar eens uit: ook ik ben vogelaar. Niet iets om trots op te zijn. ‘Als je ooit zo wordt, ga ik bij je weg,’ dreigde mijn vrouw eens, wijzend naar de televisie die een vijftiger toonde met een gezicht als de kop van een kalkoen. Met ringbaardje, kaplaarzen en geblokte wollen trui stond hij door een verrekijker te turen naar een vogel in de verte.” schreef Geelen al in Blinde vink; hoe ik leerde vogels kijken (Atlas, 2009). Geelen is vóór al journalist, net als zijn vrouw. Die vragen wat ze niet weten gewoon aan mensen die dat wel doen.
Fred Haaijen bijvoorbeeld. Die was tot aan zijn pensionering stadsecoloog, nota bene hier in Amsterdam-Noord. Dat ook hier ijsvogels zitten had ik wel gedacht, al heb ik er nog nooit een gezien. Ik zocht ook niet. De plekken die Geelen en Van Loenen met Haaijen afgaan ken ik allemaal. ’t Is om de hoek. Als je werkelijk iets zoekt is het altijd om de hoek.
Ongeduldig wachtte ik meer dan een week op een seintje van mijn boekhandelaar. Gisteren kon ik het ophalen: De IJsvogel van Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen. Ik had net misgegrepen bij het verschijnen van het boek en moest wachten op een tweede druk. Nu is Geelen wel een bekend en aanstekelijke natuurcolumnist (maar welk volk leest de Volkskrant nog?) en de Vogelreeks van Atlas/Contact niet te volprijzen maar toch, binnen een maand al een herdruk? Van een vogelboek?
Vermoedelijk geldt het voor iedere vogel die je voor het eerst écht in het vrije veld ziet maar voor de ijsvogel toch het meest: dat je je precies herinnert wanneer je die voor het eerst zag. Ik vroeg het mijn vrouw en zij wist ook nog nauwkeurig en waar en wanneer wij voor het eerst samen die schicht hadden gezien.
Het echtpaar Geelen/Van Loenen begint hun boek daar ook mee en er verder doorheen bladerend kwam ik ook ander bekends tegen. De IJsvogel is misschien de meest persoonlijke monografie uit de vogelreeks en ik voel mijn nieuwsgierigheid groeien naar hoe zij dat hebben beleefd. Dat is de paradox van een volstrekt unieke beleving waarvan je weet dat anderen die ook kennen. En die je dus op geheimzinnige wijze toch kunt delen. Het lijkt wel alsof je samen tot een of ander genootschap behoort waarover je het beste maar kunt zwijgen.
Het merkwaardige is dat als je naar een ijsvogel op zoek gaat je hem zelden vindt. Maar als je er niet op bedacht bent dan kan hij jou treffen.
p.s.
Geenen en Van Loenen vertellen ook het verhaal van de foto van die ijsvogel die in 2018 de hele wereld over ging. Voor Christoph van Ingen (13) was het ook de eerste keer, en dan meteen zoiets! Toch vermoed ik dat deze Christoph zich later vooral alle media-heisa herinnert. En Playstation 4. Want die kreeg-ie van de directeur van het Natuurhistorisch Museum, Kees Moeliker. Daar wilden ze hem graag hebben voor de tentoonstelling ‘Dode dieren met een verhaal’. Die ijsvogel hebben ze nog een jaar in bevroren toestand aan het publiek kunnen laten zien. Daarna werd het ijs te dof. Ze hebben toen die vogel nog opgezet. Je ijst ervan.
Foto: Christoph van Ingen, Oostzaan, maart 2018
p.p.s.
Ik probeerde met de haiku iets levends te vangen, al weet ik natuurlijk dat het niet kan. In een herinnering blik je terug: díe keer, die flits. Je kijkt om. Het moment zelf, dat lévende moment, kun je niet terughalen. Als dat het goud is, is de haiku zilver. Je moet het zwijgen.
Beeld: Maarten Baas, Real Times, te zien in lounge 2 op Schiphol
Het kan met de vorderende leeftijd te maken hebben dat er gisteren weer een oude herinnering kwam bovendrijven. Twee in één week? Over hoeveel ijdelheid moet een mens beschikken om eigen ervaring voor wijsheid door te laten gaan? Hmm, nee heus, ik weet nog welke dag het vandaag is en ik kan ook nog een klok tekenen.
Ik ben geboren en getogen in de Wieringermeer. Dit moest zo zijn. Op leeftijd gerakend zie ik duidelijk in wat dit met mij gedaan heeft. Het tekende mij. Mijn rechtlijnigheid spruit voort uit het kiemplan van de minuscule bietenzaadjes die, op regels gezet, door mij als scholier met de schoffel ‘gedund’ moesten worden. Mijn Sturm und Drang uit de afwezigheid van culturele afleiding van enige betekenis. Mijn getormenteerdheid komt voort uit de complementariteit van die twee eigenschappen. We schrijven ergens rond 1970 en DDT was nog niet verboden. Zelfs vogels floten daar niet. De bietenakkers waren lang.
Naar school kwam iedereen met de fiets. Ik had een opa-fiets, zo een met een hoog stuur. Ooit had er een carbidlamp op gezeten. Die fiets was werkelijk van mijn opa geweest: ik had ‘m geërfd nadat hij bij ons thuis overleed. Met die fiets ging ik dus naar school.
Nu wilde het andere geval dat alle klasgenoten bij het bereiken der zestienjarige leeftijd een brommer wilden. Ik niet, ik had mijn fiets. Joost was de eerste. Ik noem hem Joost maar hij heette heel anders. Hij woont nog steeds op het bedrijf dat hij van zijn vader overnam toen ik ging studeren. Ik kom daar nog wel eens en zou niet graag met een van zijn vervaarlijke landbouwmachines in aanraking komen. Als ik ‘m Joost noem is dat voorzichtigheidshalve, niet vanwege mijn stuurkunst.
Op zijn verjaardag kwam Joost dus met zijn brommer naar school. Het merk weet ik niet. Dat deed er erg toe, dát wist ik wel, maar ik vond gewoon alle brommers ondingen. Bovendien had Joost het ding opgevoerd. Zijn vader had aardigheid in techniek en vooruitgang en die laste en sleutelde zelf nieuwe machines in elkaar. Nog voor hij er de openbare weg mee op mocht had Joost het kreng al helemaal naar zijn zin afgericht. Het knetterde als een oordeel en rookte alsof dat het laatste was.
Nu de herinnering.
Joost staat breed arm gebarend tegen het fietsenhok. De brommer staat glimmend naast dat hok. Joost z’n armen zijn lang en zijn gebaren zijn groot, z’n stem ook. Veel te zeggen heeft hij niet maar het is hard. Alle jongens kijken naar zijn brommer. ‘Veel groter!’ klinkt het nu luid en zeer verstaanbaar in mijn innerlijk oor. ‘Veel groter!’ En dan kijkt mij opeens aan met zijn donkerbruine ogen. ‘Maar daar begrijp jij niks van.’ De herinnering is lucide. En geen droom.
’t Was waar. Woord voor woord. Ik begreep er niets van. Door de jaren heen breidde zijn bedrijf zich uit. Dat kon ik zien aan de met naam bedrukte kisten die overal in die hoek van de polder opdoken. En aan de vrachtwagens die ook op andere erven zijn product op kwamen halen. Het was maar één product, het waren geen bieten, en wat waren er veel vrachtwagens voor nodig. Colonnes.
Mijn moeite met de huidige plannen van de minister van Landbouw en andere Lobby’s lijkt dus al in mijn jeugd te zijn aangekondigd. Zo dit zo is dan weerspreekt dit het volkse inzicht dat wijsheid met de jaren komt.
Beeld:: Links: Maarten Baas, Real Time Grandfather Clock – The Father, 2019 Rechts: Maarten Baas, Real Time Grandfather Clock – The Son, 2022 Foto’s: Courtesy of Carpenters Workshop Gallery
(Foto AFP | onderschrift gewenst, in Times New Roman)
Stel nou eens dat je de twee mensen op deze foto niet meteen herkent, bijvoorbeeld omdat je al enige tijd het nieuws in deze wereld niet meer volgt. Daar zijn toch waarachtig wel redenen voor, nietwaar? Het leven is tenslotte geen potje voetbal, gesteld dat je van voetbal houdt. ’t Is maar een gedachtenexperiment hoor, en ik wou in mijn argeloosheid eerst voorstellen: wat zie je nou op deze foto als je blind bent? Maar dat is stom natuurlijk, want dan zie je niks. Al zijn er dan weer wel allerlei vormen van blindheid waarbij je alles scherp ziet en toch niet doorhebt wat je nou ziet.
Maar goed, stel nou eens dat er een neutrale beschrijving van deze foto gevraagd werd. Zónder enige ironie. Of zonder obligaat lollig te doen. Voor lolligheid en slechte ironie moet je maar naar Vandaag Inside (voorheen Voetbal Insite) kijken. Dus nu even niet: die ene zegt dat-ie net zóóóóóóóóóó ’n drol heeft neergelegd en die ander klapt dan een beetje sip want hij heeft gisteren maar zóóó ‘n drolletje neergelegd. Dat is heus niet om te lachen en daar komt geheid stront van. Want dat deze heren iets voorstellen in deze wereld zie je meteen aan hun dure manchetknopen en de geëmailleerde speldjes op de revers van hun maatgesneden pakken. Die Maken Hen Belangrijk. Zelfs de kappers van deze beide heren hebben een uitermate risicovol beroep.
Kijken naar een nieuwsfoto zoals deze zónder enige kennis van deze wereld is best moeilijk. Hoeveel kennis? Je kunt het maar beter niet vragen aan iemand die Washington houdt voor een voorstad van Den Haag. Of aan iemand die de Heilige Schrift leest als de krant en afbeeldingen van heiligen verzamelt als ware het voetbalplaatjes. Die kan natuurlijk alleen maar denken aan Franciscus van Assisi die gekweld de allerhoogste aanroept waar-of-dat-die-stigmata-nou-blijven. Het kan ook een andere heilige zijn, want betreffende religie en partijideologie kun je je maar beter op de vlakte houden. Hoe dan ook, de ander is dan de opdrachtgever van de fotograaf: als ik klap moet jij knippen.
Ook al doe ik nog zo mijn stinkende best, mijn gedachtenexperiment dreigt voortdurend in een of andere shit vast te lopen. Ook al is het maar weinig, enige kennis van deze wrede wereld maakt het wrang naar deze foto te kijken. Ik wou dat ik niet wist dat die linker persoon allerlei rottigheid uithaalt, en heus niet alleen in de Caribische Zee, waar zich ook nog enkele bijzondere Nederlandse gemeenten bevinden, zoals iedereen weet. Die persoon houdt oorlog voor voetbal. Terwijl Nederland en de Verenigde Staten van Amerika gewoon buurlanden zijn. Van Washington (USA) naar het Vredespaleis (NL) is het maar één landsgrens verder. Zijn ze daar in Den Haag eigenlijk van op de hoogte? Of roept de naam Maduro daar alleen de associatie op van een lucratief themapark?
En ik wou dat ik niet wist dat die generaleske voetbaltrainer die ooit heeft beweerd dat voetbal net oorlog is dat niet zo letterlijk bedoelde. Hoe zat dat dan bij het vorige WK in Qatar? Verwarde die rechter man voetbal soms met een Speciale Militaire Operatie? Voetballen in de woestijn is heus geen lolletje hoor! En wat had hij overigens te zoeken bij dat zogenoemde vredesoverleg in Sharm-el-Sheikh van twintig staatshoofden over de mensonterende situatie in Gaza? Een balletje trappen in de pauze?
Nee, volstrekt onbevangen naar deze foto kijken lukt misschien alleen een kind.
Helemaal aan het begin van mijn studententijd in Groningen kwam ik Jan Roos wel eens tegen. Hij was toen al erg oud en zijn stem deed het niet meer zo goed, al kon hij er wel allemachtig mooi mee schelden.
Op een bankje aan het begin van de Herestraat zong hij liederen, ook wel geestelijke gezangen want Jan was gelovig. Maar vaak was het iets uit een opera want daar hield Jan erg van. Verdi was soms nog wel te herkennen, Het Slavenkoor! Maar ’t kan ook operette geweest zijn, als het maar vibreerde. Dat trillen met zijn stem hield hij lang vol. In 1979 was hij uitgetrild, ik had toen net mijn kandidaats, 23 was ik toen. Hij was zestig jaar ouder, reken ik nu uit.
Zelfs mijn grootvader kan hem nog gekend hebben, bedenk ik. Die was van 1884, ze scheelden dus maar 12 jaar. Jan trok eind jaren twintig als straatzanger door alle dorpen van de Fries- Groningse streken, precies waar mijn opa toen bij de boer’n werkte. Jan baarde ook toen al erg veel opzien. Nog maar weinig mensen hadden toen radio.
Met zijn stok tikte hij de maat. Voor dat doel had hij het rubbertje verwijderd. Ook hield hij er mensen mee op afstand die zijn zangkunst in twijfel durfden te trekken. Jan zelf twijfelde niet: hij was Kunstenaar. Hij was Groot Zanger en Hij Diende Een Hoger Doel. Daarom vond hij het passend met ‘Excellentie’ aangesproken te worden. Zijn indrukwekkende versierselen zeiden verder genoeg. Alleen in landen waar gewone burgers gezien worden als gevangenen met tijdelijk verlof kan het aantal medailles nóg indrukwekkender zijn.
Soms wilde iemand hem ongevraagd iets opspelden. Als het hem beviel mocht het, zelfs als het het loodje van een rookworst betrof. De Hema zat vlakbij. Maar als de bedoelingen of het gezicht van de Versierings Opspelder hem niet zinden was er de stok. Het was vaak stok. En verder was er vibrato. Véél vibrato. De hele Herestraat vibreerde.
Dat Jan overleden zou zijn was eerst een gerucht. ‘He, heb jij Jan gezien? Nee, Jan is er niet hè?’ Na een jaar of zo hield ook dat op. Ja, er is nog wel eens een comité opgericht om de herinnering aan Jan Roos met een standbeeld in leven te houden. Maar dat werd ook niks.
Zijn lievelingskettingen hield hij op ook toen hij al in het ziekenhuis lag. Hij werd behangen met zijn sieraden begraven in Ureterp, waar hij in de vóórvorige eeuw geboren was. Van die begrafenis weet ik niks, daar was ik niet bij. Bijna niemand was daarbij, alleen iemand van het Leger des Heils. Dit laatste weet ik alleen omdat het op Wikipedia staat. Dat Wikipedia zoiets gewoon weet! Verder heeft Jan er voor mij een halve eeuw het zwijgen toe gedaan. En zijn graf? Dêr waait de wyn foar ivich oer.
Vreemd eigenlijk dat deze herinneringen opeens in volle klank en kleur zomaar boven komen drijven. Ik houd helemaal niet van vibrato.
Er ging steeds iets mis met het overnemen van het plaatje hierboven. Maar ja, als het niet kan zoals het moet dan moet het maar zoals het kan, zei mijn moeder altijd al. Het was mij om het totále beeld van de zoektocht te doen maar het logo van het Planbureau voor de Leefomgeving is nu weggevallen. Was dat niet zo, dan was meteen zichtbaar dat het om een publicatie van de Rijksoverheid ging. En niet een of ander weeïgmakend vogel – of natuurblaadje. Of een geruststellend artikeltje uit de agrarische sector.
Het was wel zo dat die grutto ogenblikkelijk mijn aandacht trok. Kijk toch eens naar de bruinschakeringen in zijn verenkleed! De ongelofelijke precisie van zijn snavel! Het onpeilbare in zijn oog.
Natuurlijk volg ik het formatieverloop op de voet. Wat gaan ze doen met de natuur?! Maar het meest nieuwsgierig ben ik toch of de daarvoor nog steeds verantwoordelijke minister nou eindelijk iets doet voor de grutto. En trouwens ook voor alle andere weidevogels. De natuur is zo groot, als je eens allemaal moest opsommen wat er bij de natuur hoort.
De minister heeft nog ongeveer een week voor de Europese Commissie haar gaat bevragen wat ze feitelijk gedaan heeft. In een week kun je nog best veel doen, hoor! Nu las ik een uitgebreid overzicht van haar ministerieel functioneren dat een kwaliteitskrant dit weekend publiceerde. Missionair of demissionair maakte niet uit, gedáán had ze niks, vond de krant. Nou ja, “Schrappen, vertragen, blokkeren”, dat typeerde het wel zo’n beetje volgens die journalisten die erg hun best op het stuk hadden gedaan. Maar de BBB-partijBazin vond dat dan weer niet aardig: ‘Karaktermoord!’ X-te ze. Als je te beroerd bent om te argumenteren X je tegenwoordig. Zoveel snap ik dan nog wel van de media. Maar misschien verwart zij ook wel de rol die iemand heeft met de persoon die die rol speelt. Dat gebeurt wel eens vaker in deze dagen.
Al met al heb ik er toch niet zoveel vertrouwen in: in het Aanvalsplan Grutto niet en in de dadendrang van de minister eigenlijk ook niet. En dan moet ik ook dat rapport nog lezen! Ik had gedacht dat alles al in het rapport van de Commissie Remkes stond. Dat was tenminste heldere taal. ‘Wat wel kan’, heette het. Zie zo, en nou ophouden te ouwehoeren! Weten die lui van D66 dat?
Of ik vandaag nog aan dat rapport van het PBL toe kom, is nog onzeker. Het fietsslot van mijn vrouw moet ook nog gerepareerd en over het stikstofslot heb ik niks te zeggen. In een artikel in De Correspondent van vandaag zei één van de schrijvers van de verkenning: ‘Als je dit serieus, in zijn integraliteit, wil aanpakken, moet je nadenken over wat je wil met die landbouw in Nederland. Zowel voor de natuur, als voor de agrarische sector.’
Kijk, van het woordje integraliteit word ik al zenuwachtig. Dat vind ik een echt jeukwoord. Al begrijp ik deksels goed wat ermee bedoeld wordt. De natuur is groot, zoveel is duidelijk. Het gaat erom wat we er mee willen. ‘We’, dat zijn wij dan met z’n allen. Maar sommige gelijkhebbers denken daar anders over.
Van de pimpelmezeninvasie in oktober hoor je niks meer. Alleen al op Vlieland werden er op 18 oktober zo’n 50.000 geteld. Het moeten er meer dan het dubbele zijn geweest, de hele kust tot aan Zeeland kwamen ze voorbij. Waar zijn ze allemaal gebleven?