De foto maakte ik ergens in het noorden van Portugal, toen we daar vorig jaar rondzwierven, het zal iets later in de tijd geweest zijn. Overdag was het was nazomers warm maar de bomen lieten al blad los. Het strijklicht. Het geduld. Het verglijden. Het loslaten. Nergens is het najaar zó om je heen dan daar, deze tijd. Portugal: saudade.
Ik moest er aan denken toen ik vanmorgen vroeg de regen loodrecht naar beneden zag vallen. De nazomer moet hier nog beginnen maar de kastanjes kleuren al, zag ik deze week. Straks liggen de vruchten weer tussen de gevallen bladeren te glimmen. Af en toe is al iets van herfst te proeven, de dynamiek van de wolkenluchten, het zoeken van de wind, de ongedurigheid. Het park is stiller en stiller aan het worden: veel vogels zijn in de rui en houden zich gedeisd. Andere zijn hun reis naar het zuiden al begonnen. En er kunnen nog zat zomerse dagen komen.
Wat was er eerder: het beeld of het idee voor de haiku? Een vergelijkbaar beeld en een vergelijkbare haiku zag ik eerder. Ik laat het onbeslist, het is niet van belang hoe het zit. Niet de tijd gaat voorbij maar de mens.
De schoener Oosterschelde op weg naar Frans-Polynesië, juli 2024. Foto Tom Dixon
Charles Darwin was begin twintig toen hij in 1831 aan boord van HMS Beagle de haven van Plymouth uitvoer en Engeland en Europa kleiner en kleiner zag worden. Hij bleef vijf jaar weg. In die vijf jaar van zwerven over de wereldzeeën keek hij goed om zich heen, verzamelde van alles en nog wat uit de levende en de dode natuur, planten, dieren en fossielen, en dacht daar over na. Toen hij thuis kwam dacht hij daar nog veel langer over na. Hoe stak die natuur nou in elkaar? Nee, niet zoals vanaf kansel of troon werd beweerd maar echt? Wat was de kern van alles wat hij had gezien? Hij piekerde en peinsde, liep rondjes op een paadje dat hij speciaal voor dat doel achter zijn huis in Down had laten aanleggen. Hij vergeleek zijn bevindingen, keek nog eens naar andere, las alle boeken die er over dat onderwerp waren geschreven, en kuierde nog maar weer eens een rondje. Krabbelde zijn ingevingen op:
Enfin, ’t verhaal is bekend. In 1859 verscheen eindelijk de vrucht van al dat overdenken en gepeins, On the Origin of Species. Dát boek kantelde onze kijk op de plaats van de mens in de verbijsterend rijke natuur.
Vanmiddag meert de driemastschoener Oosterschelde weer aan in de thuishaven Rotterdam, in de Veerhaven. In het kielzog van de Beagle heeft dat schip een kleine tweehonderd jaar later zo om en nabij dezelfde tocht gemaakt als Darwin. Dat gebeurde in het kader van een omvangrijk onderzoeksproject waarin getracht wordt ‘de polsslag van de planeet’ te begrijpen. De website ronkt van alles: https://darwin200.com/research/.
De Oosterschelde zal vanmiddag vast feestelijk onthaald worden. Er ligt al een vloot van 50 historische zeilschepen te wachten in de Nieuwe Maas. Er zal gevlagd worden, er zullen toespraken zijn, er zullen reportages worden gemaakt. Misschien komt het wel op de televisie.
Maar ik hoop intens dat er onder al die wetenschappers uit al die 45 landen die meegevaren hebben een jonge onderzoeker zit bij wie er een lichtje aangegaan is. Hoe werkt het mechanisme van onze destructiedrang? Zo van: we weten nou al een hele hoop, en sinds Darwin is het er niet beter op geworden in de natuur, maar hoe begrijpen we nou de menselijke natuur die dit alles meent te begrijpen maar toch de hele boel grondig aan het verkloten is? The whole enshittification?
Dat hoeft niet eens een jongeling op dat schip te zijn, maar me dunkt zeker ook geen jongeling op een ruimteschip dat koers zet naar Mars. Hij of zij hoeft niet eens een wandelpaadje achter huis te hebben, niet alle wandelingen leiden tenslotte tot vruchtbare inzichten. Het hoeft niet eens een bioloog te zijn, maar een levend mens, met een kloppend hart voor andere levende wezens.
De andere kant van sentimentaliteit is diepzinnigheid: haiku zouden getuigen van een dieper inzicht in de werkelijkheid. Een hogere werkelijkheid zelfs, beweren sommigen. Me hoela! Of als dat al wel zo is dan hoeft men daar niet meer waarde aan toe te kennen dan aan voetbalprofetische uitspraken als “Je gaat het pas zien als je het door hebt”. Dixit: Johan Cruyff. Misschien verlichtend voor wie voetbal de hele, ultieme .werkelijkheid is maar niet erg praktisch in echte oorlogsgebieden. Of bruikbaar voor als je onderweg een lekke band hebt en het reparatiesetje thuis nog in de kast ligt.
Niet zelden worden haiku in verband gebracht met zenboeddhisme en dan is het helemaal uitkijken voor Schwärmerei. Een beroemde haiku van Bashō (1644-1694) gaat zo:
De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water
Boekenkasten zijn volgeschreven over dit kikkertje en het aantal vertalingen is ontelbaar. Ik kan die niet beoordelen, ik spreek geen Japans en al helemaal geen zeventiende-eeuws Japans. “Furuike ya kawazu tobikomu mizu no oto.” Tja.
“Door alle tijden heen heeft het water – de oude vijver – een gevoel opgeroepen van diepte, van de ongeweten, onuitsprekelijke oorsprong der dingen. Slechts het levend ogenblik, het bewegende nú, de springende kikvors – kan springen, en riep uit: “Een kikvors springt van de kant, geluid van water.”” becommentarieert J. van Tooren in Haiku; Een jonge maan (1973) dit versje. Nou nou, orakel op orakel. Als wij in het voorjaar naar het schooltje van Holysloot fietsen om daar de kikkers in het slootje te horen kwaken van minnelust schiet mij vaak Bashō’s hokku te binnen. En de bitterballen die we daar dan altijd bestellen om daar gezeten aan de waterkant op te smikkelen. Of het reparatiesetje. Plons!
Hoe zit het nu met die meedogenloosheid? Iedere morgen sta ik op in een wereld die met de dag verscheurder lijkt. Probeer maar eens opgewekt aan het ontbijt te beginnen als je foto’s ziet van uitgemergelde Palestijnse kinderen. Als een haiku eetbaar was schreef ik er dagelijks duizenden om hun honger te stillen. Maar dat is geen antwoord op die vragende gezichtjes. In die zin is poëzie meedogenloos: nach Gaza ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch, zoiets. Er moet voedsel heen, en snel ook. Mijn poëzie is poëzie van lege handen.
Er is nog een ander aspect van meedogenloosheid, van lege handen ook, dat kan wel wachten, maar voor vanmorgen heb ik nu wel even gegeten en gedronken.
Een aantal idioten bepaalt het lot van miljoenen mensen in deze wereld. Door wat aan wrok, haat en totale liefdeloosheid door de harten van die lieden in Kremlin, Knesset en White House woelt, komen miljoenen mensen om door uithongering en andere misdaden tegen de menselijkheid. En worden er zaadjes geplant voor nog meer oorlogsgeweld, later, als iedereen al weer vergeten is dat strijd nooit iets oplost. Niks. Over de misdaden tegen onze droevige planeet maar een andere keer. Het is al zo groot. En mensonterend. En wat doe ik? Ik maak haiku.
Niet aan iedereen zijn haiku besteed. Zo verzuchtte Ilja Leonard Pfeiffer:
Geen haiku
vlinder in de trein mijn god dacht ik als daar maar geen haiku van komt
Ik blader ook wel eens door bundeltjes huisvlijthaiku en kan ten naaste bij wel invoelen wat er door Pfeiffer heenvoer toen hij dat ook eens deed. Hij houdt zichzelf tenslotte voor een groot schrijver die zich met de grote problemen van deze tijd inlaat. Tot zover is alles in orde. Maar niettemin vind ik het geen pas vinden daar met dedain een versje aan te wijden. Een haiku nog wel. Terwijl de titel iets anders suggereert. Daar komt gedonder van. En van gedonder komt strijd.
Soms tref ik haiku’s die ronduit sentimenteel zijn en denkelijk doelt Pfeiffer daar op. Nu zou ik niet graag met Pfeiffer polemiseren: zelfs in pennenstrijd is een woord gauw verkeerd gezegd. Maar ik bepleit dat zelfs een sentiment kan uitgroeien tot een groter gevoelen van gemoed. Vind niet daar de liefde haar oorsprong? Zo dit tot mijn mogelijkheden behoorde dan had ik vanmorgen nog Poetin, Netanyahu en Trump subiet op een trein met vlinders gezet. En al die anderen. Want de vleugelslag van één enkele vlinder kan iets groots teweeg brengen. Dat weet de zeer belezen Pfeiffer toch ook?
Gekwetste vlinder,
waar kun je nu nog heen zo
zonder je vleugels?
Over de meedogenloosheid van haiku morgen maar verder. Ik moet de trein nog halen.
De Tuvaluaanse vrouw Suega Apelu staat in de lagune van de hoofdstad van het land, Funafuti | foto Mario Tama
Velen zullen zich de beelden van de toespraak herinneren die de minister van Buitenlands Zaken van Tuvalu, Simon Kofe, hield voor COP26. Hè? Wie? Wat? Waar? Hoezo? Nou, die minister die vier jaar geleden staande in het water de klimaattop in Glasgow toesprak. (Voor de vergeetproef op de som: https://www.youtube.com/watch?v=jBBsv0QyscE).
Afgelopen woensdag bepaalde het Internationaal Gerechtshof in het Vredespaleis in Den Haag dat landen verplicht zijn om het klimaat te beschermen en schade te voorkomen. Doen ze dat niet, dan hebben slachtoffers mogelijk recht op herstelbetalingen. Ik vat het maar even samen. Aan het belang van die uitspraak lijkt niks af te dingen: alle kranten in binnen- en buitenland onderstrepen die als ‘historisch’.
Maar mij leert de geschiedenis dat er nu legers aan juristen van overheden en bedrijven overuren draaien om te verzinnen hoe ze daar onderuit kunnen. Het is toch maar een advies? Op de eerstvolgende klimaattop, COP 30 in Brazilië (10 – 21 november), kunnen we kennis nemen van die juristerij. Of zoveel eerder als kleine eilandstaten als Tuvalu en Vanuatu rechtszaken gaan aanspannen tegen staten die zij verantwoordelijk en aansprakelijk houden voor het onder water stromen van hun eilanden. Vredig zal het er onder die juristen niet aan toe gaan, vrees ik.
Die toespraak van Simon Kofe is bij menigeen wel blijven hangen. Maar de natuur is geen theater. En de acteurs zijn ook geen staten. Of er oorzakelijk verband gelegd kan worden tussen dat water-aan-de-lippen-staande betoog van Kofe en die uitspraak van het Internationaal Gerechtshof zal blijken uit de geschiedenisboekjes die nog geschreven gaan worden. Ik maak me geen illusies: niets zo veranderlijk als de geschiedenis.
Suega Apelu ken ik niet. Maar het gaat om mensen zoals zij. Ik dacht aan mijn moeder toen ik de foto tegenkwam. En aan de natuur die wel ons aller moeder genoemd wordt. Maar dat is beeldspraak. Armoedige beeldspraak. De natuur intussen, de echte natuur . . .
‘Vrouw, hoe heet je? ‘Weet ik niet.’ ‘Hoe oud ben je, waar kom je vandaan? ‘Weet ik niet.’ ‘Waarom heb je zo’n diep hol gegraven?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Hoe lang zit je hier al verstopt?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Waarom heb je in mijn ringvinger gebeten?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Weet je dat we je geen kwaad willen doen?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Aan wiens kant sta je?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Het is nu oorlog, je moet kiezen.’ ‘Weet ik niet.’ ‘Bestaat je dorp nog?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Zijn dit jouw kinderen?’ ‘Ja.’
Wisława Szymborska, Grote pret, 1967
_____
Opm.
Hoeveel moet je van dit gedichtje afpellen om het te begrijpen?
Vul voor de titel G A Z A in; of naar believen O E K R A I N E. Of S O E D A N. De lijst is eindeloos en in heden of verleden is vast wel een oorlog die het dichtst in de buurt van die voorkeur komt. ‘De Tachtigjarige Oorlog’? Ook goed.
Wanneer ben je je naam vergeten? Of wanneer is het maar het verstandigst om die niet te noemen? Je diepste naam is natuurlijk niet wat in je paspoort staat. Als je al zo’n ding hebt.
Wanneer ben je vergeten hoe oud je bent? Wanneer doet het er echt niet meer toe? Wat is er dan gebeurd?
Waarom een hol gegraven, en zo diep? Waren de huizen op?
Leeftijd vergeten, alla. Maar de seizoenen herinnert een mens zich toch nog? Was het koud? Of juist heet?
Verstoppertje spelen geeft geen pas voor een volwassen vrouw. Wie is ‘m dan? Wie zocht?
De ringvinger, hè? Waarom van alle tien de vingers juist die?
Dit is een reddingsoperatie dus waarom zo vijandig? Iedereen wil toch gered worden? Ach laat ook maar, het antwoord laat zich raden.
Redders staan altijd aan de goeie kant, dus werk maar een beetje mee met gered worden.
Zonder kiezen kan er ook geen oorlog zijn. Maar het is dus oorlog. Die kantkieskwestie is dus helemaal niet zo ingewikkeld. Schiet nou maar een beetje harder op, straks is de kans nog verkeken.
Holbewoner! Het stenen tijdperk is voorbij hoor! Waar huist de rest van jouw stam?
O, dat zijn jouw kinderen?! Nou, hoe heten díe dan?
‘Nou,’ merkte mijn vrouw gisteren naar aanleiding van mijn referaat over Banksy ironisch op, ‘in de grotten van Lascaux is nog een schoon werk te verrichten!’ Zij houdt mij de spiegel van de ironie voor. Banksy zelf had die ook al bedacht: zie de foto hierboven. En waar blijf je dan, als je alles ironiseert?
Hierover zat ik vanmorgen op het balkon te tobben en mijn gedachten scheerden al gevaarlijk dicht langs de afgrondelijke vaststelling dat het Experiment Mensheid als mislukt moet worden beschouwd. Gelukkig slaat altijd de twijfel toe zodra ik merk dat ik op onwedersprekelijke redeneringen stuit. Zonder twijfel had ik geen vastigheid in dit wonderbaarlijke leven. Gelukkig ook woon ik op twee hoog; dit om mijn hoogtevrees niet verder te bevorderen.
Ik hoorde de halsbandparkieten langs ons balkon voorbij schetteren. Wat een leven zit daar in! De duiven doken verschrikt de bosjes in. De kraaien zwegen. Wat een oproerkraaiers, wat een wanorde! ‘Luister,’ zei mijn twijfel, ‘die parkieten zijn hier gewoon. Die duiven kunnen protesteren wat ze willen maar de natuur heeft z’n eigen loop.’
Maar Banksy had het helemaal niet over vogels, wierp ik tegen. Die tekening waar ik het gisteren over had gaat over mensenmigratie! ‘Joh, dat is politiek en da’s helemaal niks voor jou. Zit je vanavond nog te tobben en als je niet uitkijkt heb je vanavond al een blauwdruk voor de Nieuwe Wereld bij elkaar getheoretiseerd. Zijn we dan lekker klaar?! Luister, waar hebben die parkieten het vanmorgen over?!’
Ik luisterde.
En zoals dat dan gaat probeerde ik toch weer woorden te vinden voor wat ik hoorde: ze tsjilpen net als een mus van vijftig pond. En meer van dat soort onzin. En: schelden ze mij nou uit? En ook nog deze: ik wou dat het bijeneters waren, die babbelen tenminste gezellig! Ja, als je eenmaal met voorkeuren begint is het eind zoek. Ben je toch weer bezig met een blauwdruk.
‘Luister!’
Ja, als luisteraar heb ik nog een hoop te leren. En nee, politiek is niks gedaan.
Die vogel rechts moet opzouten van de duiven. Scheer je weg! Vreemdeling! De argumentatie is duidelijk. Het is een grappig plaatje. *)
Ene Banksy bracht zijn kunstwerk aan in 2014 in Clacton-on-Sea en daarom wilde ik daar dus alles van weten! Ik heb het indertijd niet gezien. En het was al verwijderd voordat hij zijn nieuwe kunstwerk op zijn website kon vermelden. Wist Banksy daar dan niet van? Het is namelijk zijn opvatting dat alleen de ongediertebestrijdingsdienst zulks vermag te doen. Iedereen mag zijn eigen opvatting hebben. Nou ja, ik haal nou geloof ik alles door elkaar.
Na wat speurwerk vond ik een foto waarop het werk in Clacton-on-Sea nog wel te zien is:
Dit is dus een bijzondere foto van een bijzonder moment van onze schone badplaats. Wie de man is stond er niet bij. Wel een van ons denk ik zo, met die pet en zo, maar ik ken hem niet. Ik had er zelf kunnen zitten, bij wijze van spreken. Had de foto wel opgefleurd. Dat hij met zijn rug naar het kunstwerk zit, zegt niets over wat hij van die Banksy vindt. Misschien geniet hij wel van het voordeel van een National Trust-jaarkaart.
Hieronder een later genomen foto van hetzelfde gebouwtje. Te zien is het poetswerk waar eerst de duiven demonstreerden. Broddelwerk. Een schoonmaker onwaardig. En dat in Clacton-on-Sea. De man is niet meer aanwezig. Natuurlijk niet weggepoetst, stel je voor. Misschien was hij naar het museum. Of bezocht hij net even het toilet om de hoek om naar zijn eigen gezeik te luisteren.
Ik kan niet goed tegen smeerpoetserij. Wat moeten de mensen nu wel niet denken van Clacton-on-Sea? Maar als ik daar telkens iets van zeg heb ik er een dagtaak bij. Dit geval begon mij evenwel te interesseren. Hoe is het gesteld met de ongediertebestrijdingsdienst in Clacton-on-Sea? Hoe zijn de arbeidsvoorwaarden? Hoeveel personeel? Met welke uitrusting wordt men op pad gestuurd? Wie was ongediertebestrijder van dienst ten tijde van verwijdering? Wie stuurt die dienst aan? Welke protocollen werden gevolgd? Enzovoorts.
Ik kwam niet verder dan dat er in de gemeenteraad van Clacton-on-Sea danig over gesproken is. Nigel Brown, dat is de communicatiemanager van de raad, zei:
“The site was inspected by staff who agreed that it could be seen as offensive and it was removed this morning in line with our policy to remove this type of material within 48 hours.”
Ik durf vrijuit te citeren want ik heb het van de BBC: https://www.bbc.com/news/uk-england-essex-29446232. Op mijn opgeworpen vragen geeft dit evenwel geen antwoord. Van Banksy-bashen is nadrukkelijk geen sprake, dit onderstreep ik en zeg nou zelf, het is toch een mooie tekening, want: “We would obviously welcome an appropriate Banksy original on any of our seafronts and would be delighted if he returned in the future.” “On any of our seafronts”. Dat zegt toch genoeg?!
De BBC meldt ook nog dat er vóór Banksy zijn mooie tekening aanbracht sprake is van een tussentijdse verkiezing. Alweer en ook dat nog. Er schijnt namelijk een lokaal politicus overgelopen te zijn van de Torries naar UKIP. Ik ken die lui niet. Politiek is alleen maar gelul. Maar zoiets vind ik bedenkelijk suggestief van die BBC. Ik suggereer toch ook niet dat het broddelwerk verricht werd door een onderbetaalde immigrant die het Kanaal over is komen roeien?
Enough! Clacton-on-Sea is weer eens knap stom bezig geweest. Als ze die tekening hadden laten zitten had dat het toerisme een enorme boost kunnen geven. Nu vergrijst de boel. Alleen maar grijze duiven, so to speak. Hadden ze eindelijk eens geld om daar iets aan te doen. Een nieuw gebouwtje voor The Lottery of zo.
*)
Gezien in de NDSM-loods in Amsterdam, Holland. Daar hebben ze ook veel duiven. Raar gebouw trouwens, geen museum. Wat wel weer goed is want graffiti hoort niet in een museum. Graffiti hoort helemaal niet. Maar ja, er lagen wel overal rode lopers en de toegangsprijs was niet misselijk. Dat werk van die Banksy doet trouwens goeie prijzen.
Beeld: Mama Luca (Agnes Licht), waar woorden en wol inspireren
Zet het blauw van de zee tegen het blauw van de hemel veeg er het wit van een zeil in en de wind steekt op
Wim Hussem (1900-1974), Steltlopen op zee (1961)
_____
Opm.
Het kunstwerk van Mama Luca had mij al eens eerder getroffen – ik weet niet meer waarom, of hoe, of wat. Het gedichtje van Wim Hussem ken ik ook al heel lang, misschien kwam ik dat eens tegen als muurgedicht. Pas vanochtend kwam ik erachter dat Mama Luca, die eigenlijk Agnes Licht heet, het gedicht van Hussem als inspiratiebron voor haar ‘beeld’ had gebruikt. Op haar website legt ze uit hoe dat zit, maar daar gaat het mij nu niet om.
Van Hussem weet ik niks, dacht ik. Afgezien van een plintpostertekst van hem die ik jarenlang ter bemoediging van mijzelf en ter uitnodiging van mijn leerlingen in mijn lokaal had hangen (Wat weet ik van de vogel | als ik zijn zingen niet versta) was dat inderdaad echt niet veel. Maar, alweer vanochtend, kwam ik erachter dat ik al veel van zijn werk had gezien. Dat zit zo.
In de jaren ’70 struinde ik antiquariaten af. Als ik een deeltje tegenkwam van Meesters der Vertelkunst, van Meulenhoff, kon ik dat niet laten liggen. Zo kreeg ik toegang tot de hele wereldliteratuur. Gretigheid, dat was het. De omslagjes herkende ik meteen: die getuigden van eenzelfde signatuur, herkenbaar als van één hand en toch precies passend bij het land van herkomst van die verzamelde verhalen, Chinees, Jiddisch, Hongaars, Iers. Enzovoorts, meer dan twintig. Die boekomslagen waren van Wim Hussem. Natuurlijk ging het me om de inhoud, maar die minimalistische stijl verbond alles. En daarmee voelde ik mij weer verbonden, als in een geheimzinnig verband. De reeks stuwde mij als het ware voort de verhalen van de mensheid te leren kennen. Die gaf wind in mijn bollende zeilen.
Vanochtend zocht ik een beeld voor ‘inspiratie’. Vandaar Hussem. Van Hussem naar Mama Luca. Die hoorden al bij elkaar. Dat is geluk. Waar komt die wind vandaan?