Ach oude man die na het avondeten in zijn knutselschuurtje vogels mompelt. Vogels mompelt hij hoe ging dat ook alweer.
Intussen verft hij veren, knipt hij snavels, snuffelt tussen poten in het potenmagazijn. Er worden botten uitgeboord en bloeds- omlopen doorgeblazen, spieren opgerekt en darmkanalen ingekort, hersen- pannetjes tot aan de rand gevuld – de oude man vergeet de tijd. En daar verschijnen uit zijn adem kruimeldiefjes, dakgootzangers boombekrassers, nachtomroepers garnalenvangers, kloosterbroeders blauwe krijgers, ja eigenlijk te veel om waar te zijn. Dan richt de klok zich op om twaalf te slaan, het einde van de vijfde dag.
Jan van Gils, Kanoetenonderzoeker NIOZ en bijzonder hoogleraar Global Change Ecology of Migrant Shorebirds
Waar komt de naam ‘kanoet’ vandaan? Sommigen menen dat dat te maken heeft met de legendarische Knud II de Grote (ca. 995 – 1035). Die heerste op het hoogtepunt van zijn roem over Engeland, Denemarken en Noorwegen. Hij was de vleierij van zijn hovelingen dermate zat dat hij ze meenam naar de kust om hen te tonen dat zelfs zijn macht grenzen had. Hoe hard hij het ook probeerde, de golven weken niet terug op zijn bevel – hij raakte overspoeld. In een andere versie wordt Knud voorgesteld als een hoogmoedige Vikingvorst, die werkelijk dacht over de natuurelementen te kunnen heersen. Maar ook die moet rennen om de voeten droog te houden. Vogels weten dit allemaal al lang.
Het is de drieteenstrandloper die over het strand langs de vloedlijn rent, de kanoetstrandloper scharrelt op het slikkerige wad. Als het verhaal klopt – maar machthebbers verzinnen wel meer sterke verhalen en hun belagers ook, tot eer of tot oneer – dan zou het verhaal zich in The Wash hebben kunnen afspelen. Dat is een wadachtig estuarium ten zuiden van Hull; beide soorten komen er al sinds mensenheugenis voor.
Maakt dat uit? Voor Knud niet meer, die is al een tijdje dood. Het onderscheid tussen die ondersoorten kan de vogels zelf ook niet schelen maar toch is het van belang. De drieteen broedt vooral in Groenland en Canada, de kanoet in Tajmyr, Siberië. Beide soorten komen ook op Spitsbergen tot broeden en beide soorten overwinteren ergens aan Afrikaanse kusten. Ze komen allebei in Nederland voor, niet jaarrond en maar ten dele gelijkertijd: de drieteen hoofdzakelijk aan de kust, de kanoet op het Wad, alleen rond deze tijd en weer in september. Verwarrend allemaal? Die strandlopers kiezen er helemaal zelf voor. En dan heb ik de islandica nog buiten het verhaal gehouden.
Nou en? Het onderscheid is vooral voor mensen van belang, zal straks blijken. Als je het een en ander van de vogels weet, valt er aan voorkomen en gedrag veel informatie af te lezen. De hoeveelheid strandlopers zegt niet zo veel, hoeveel precies ten opzichte van vorige jaren al wat meer, maar om welke strandlopers het gaat het meest. Nu had men al een tijdje het idee dat de kanoeten steeds kleiner leken. Daarmee namen ook hun overlevingskansen af. Je moet scherpe ogen hebben om het verschil waar te kunnen nemen. En meten, eindeloos meten en wegen. Met een impressie kun je niks, onderzoekers van het NIOZ togen dus naar Tajmyr.
De hypothese was dat de relatief snelle opwarming van het klimaat in het Arctisch gebied wel eens de oorzaak zou kunnen zijn. Dat bleek ook zo. De bodem ontdooit er eerder en daardoor komen de insecten ook zo’n twee weken eerder uit de bodem. Maar insecten vormen het belangrijkste voedsel voor kanoetenkuikens. Tegen de tijd dat de kanoeten arriveerden was de insectenpiek al voorbij voor zij aan een nest begonnen. Die kuikens vonden dus veel te weinig te eten.
Tot hun stomme verbazing hadden de onderzoekers kanoetennesten ook hoger in de heuvels gevonden, en niet langs de kust. Nogal gek. Achteraf is dat verklaarbaar: hoe hoger, hoe later de sneeuw smelt. Maar die kanoeten hadden toch ook eerder kunnen arriveren? Nou nee. De periode in september dat ze op het Wad op krachten komen en opvetten, is namelijk afhankelijk van wanneer ze uit de Banc d’ Arcuin voor de kust van Mauritanië naar het noorden kunnen trekken. En dat is weer afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel dáár. Ze moeten natuurlijk wel genoeg vetreserves hebben om die monstertocht te kunnen ondernemen. Door overbevissing is de situatie daar suboptimaal voor de kanoeten. En in het waddengebied? Alles grijpt immers in elkaar?
Dit land wordt op dit moment geregeerd door lieden die zich aan het klimaat niets gelegen laat liggen. Aan de wetenschap trouwens ook niet. En de natuur? Die zit de boeren maar in de weg. Of tanks. Hoop, Lef & Trots zijn niet genoeg om de golven van de zee terug te duwen. Het is ronduit knudde. De knoet moet er overheen.
Mijn eerste strandloper zag ik aan de Noord-Hollandse kust. Ze hoorden bij mijn jeugd. Als de badgasten en wandelaars het strand verlaten hadden waren ze er opeens, dribbelend langs de waterlijn. Geen idee waar die opeens vandaan kwamen, waar ze gewacht hadden tot de kust veilig was. Maar opeens kwamen ze in vluchten aanzwermen. Als de zon erop scheen belichtte die beurtelings de onderkant en bovenkant: zó zag je ze, zó waren ze weg tegen de achtergrond van de lucht. Ze hoorden er zoals het water bij de zee, het zand bij het strand. Ik hield van dat moment, van de stilte die intrad als het spelen gedaan was. Van hun schelle, korte roepjes – ze hadden iets te zeggen.
Later, wat liefdes later, ontstond deze haiku:
Pal op de vloedlijn
passeren strandlopertjes
hun korte pootjes
Later, nog weer veel later toen ik op Wieringen woonde, las ik in een natuurcolumn van Koos van Zomeren de vergelijking van het foerageergedrag met een naaimachientje. Dat pikken naar schelpjes en garnaaltjes doet daar inderdaad oppervlakkig aan denken. Kunst, dacht ik gemelijk, zo’n vergelijking, Van Zomeren doet ‘literair’. Tot ik deze formulering tegenkwam: ‘ze naaiden de modder aan het wad.” En daaruit sprak iets wat veel groter was dan dat kleine dribbelende diertje. Hier was de hele ruimte van slik bij betrokken, de droogvallende wadplaten, de luchten erboven, de getijden, het eindeloze Wad. En in die grote bewegingen deed dat strandlopertje iets futiels, iets banaals bijna, alleen maar om zijn kostje bij elkaar te pikken. Maar dát hield hemel en aarde bij elkaar.
Het duurde nog weer wat langer voor ik een beetje onderscheid begon te zien tussen een strandloper en een plevier. En nog meer tijd voor ik doorhad dat er verschillende strandlopers zijn. In de haiku gaat het om een drieteenstrandloper, bij Van Zomeren om een kanoet. Lang vond ik het maar iets uitsloverigs hebben al die ondersoorten uit elkaar te houden, het elkaar aftroeven wie dat het beste of het snelste kon. Zonderling hobbyisme. Bespottelijk duur ook nog, met die telescoopkijkers. Maar toch nog beter dan het brallerig becommentariëren van autootjes op het circuit van Zandvoort. De herrie alleen al. De macho’s.
Er is een precies moment geweest waarop mijn beeld over de vogelarij radicaal kantelde. Op de Molgerdijk bij Vatrop op Wieringen vertelde mij een man met zo’n grote telescooptoeter dat hij de rotgans die hij die ochtend in het vizier had gekregen nog in de zomer zélf ergens in Siberië had geringd. Hij was er helemaal opgetogen van. Pocher, dacht ik. Hij aan het vertellen, ik aan het luisteren. Er kwam geen eind aan. Dat die rotganzen op Spitsbergen en in Siberië broedden wist ik wel, ook al ‘hoorden’ ze bij Wieringen. ‘Rotgans’ is daar zelfs een familienaam, zo vertrouwd zijn ze. Siberië was ver weg, dat wel, maar al eeuwenlang kwamen die ganzen daarnaartoe in de winter, toen ’t nog een eiland was. Ook wel eens niet. Dan was er zeker iets aan de hand in Siberië, werden ze zeker opgevreten door de Russen.
Tot zo ver begreep ik ’t wel. Het paste prima in mijn wij-zijschema. Maar toen begon die man over de kanoeten. Die broedden niet alleen veel verder oostelijker in Siberië maar als ze in de winter naar de Waddenzee komen, ‘dáár is het dan veuls te koud vanzelluf,’ dan vliegen ze na een tijdje opvetten gewoon door naar Afrika, tot aan Kaapstad toe. Gaan ze daar lekker overwinteren. En daarna vliegen ze gewoon weer terug. Het hele end. In één jaar.
Tóen gebeurde er iets onder mijn bekrompen hersenpan.
‘Kijk, die daar,’ de man wees, ‘dat zijn kanoeten’. Zelden voelde ik mij zo’n onbeduidend stipje als toen ik die kanoeten zag.
Trekroutes van de zes verschillende ondersoorten van de Kanoetstrandloper. De Calidris canutus piersmai is inderdaad vernoemd naar Theunis Piersma, hoogleraar Trekvogelecologie. Waar het hier om gaat is de Caladris canutus.canutus.
Dat mijn tocht naar Friesland niks zou opleveren wist ik eigenlijk zo wel. Zie maar eens thuis te komen als je waarom-vragen stelt. ‘Urbi et orbi’, en ik van de grootstad Amsterdam naar het Friese platteland, idioot gewoon. Maar wat een zegen is het zo maar vrij te mogen ronddwalen! Geen rekenschap te hoeven geven. Komen waar je komt. Wee hem, die een antwoord vindt, of die zegt ‘daarom’. Die blijft eeuwig in Pingjum hangen en ziet niks van deze wonderlijke wereld. Ik noem maar een plaats, ’t mag ook Wolvega zijn, en de hemel bewaar me als ik hiermee de Pingjumers beledig. Of eigenlijk valt Pingjum mij niet zomaar in, want mijn grootvader kwam daarvandaan. ‘Sa is it en oars net!’ hoor ik hem nog zeggen. Dat bracht hem weinig goeds maar hij wist Pingjum gelukkig te transcenderen, nee te emigreren naar de andere kant van de Zuiderzee om helemaal in de Wieringermeer uiteindelijk te gaan boeren. Als hij dat niet gedaan had was ik daar nooit geboren. Hoe ben ik nou toch in Amsterdam terecht gekomen?
Toen ik thuis op de kaart wilde laten zien waar ik geweest was ontstond er een warboel van lijntjes. Het leek nog het meest op het pannensponsje dat mijn vrouw juist voor de vaat had gebruikt. ‘Zo’ zei ze terwijl zij de boel opborg. ‘Heb je eigenlijk wel gegeten?’
Slauerhoff heb ik weer in de kast gezet. En dat dikke boek dat ik over hem zou schrijven, met veel voetnoten, en verwijzingen naar andere boeken, die weer verwijzen naar weer andere boeken, ja zelfs het Tibetaans boeddhisme moest erbij gehaald, Lao Tse en Nietzsche, dat boek kan wachten. Ik kan dwalen.
‘Heb je nog bijzondere vogels gezien, ouwe zwerver?’ informeerde mijn vrouw langs haar neus weg. ‘Nou,’ wilde ik al gaan opsommen maar ik had heus wel door dat zij mijn zwerflust van iedere transcendente zweem wilde ontdoen. Laat dat vliegen vooral aan de vogels, zoiets. Maar alle vogels zijn bijzonder, d’r is geen beginnen aan. ‘Ik was nog in Gaast,’ wel wetend dat mijn vrouw niet zou weten wat ik daar te zoeken had. Ik had een flauwe hoop gehad daar misschien Theunis Piersma tegen het lijf te lopen. Dan zou ik hem eindelijk eens persoonlijk kunnen bedanken voor al het moois wat hij over vogels te weten was gekomen, de grutto, de andere weidevogels, de vogels van de zee, de kanoet . . . Zonder hem was er helemaal geen trekvogelecologie, en waren we nog steeds bezig alleen maar naar kaartjes te koekeloeren waarop die migratieroutes ingetekend stonden. Zo’n trekroute op de kaart intekenen is wel aardig maar begrijpen doe je dan nog niks. Dat is nog eens wat anders dan een pannensponsje.
‘Hoezo Gaast?’ wilde mijn vrouw natuurlijk weten. ‘Daar schijnt Theunis Piersma te wonen. Wist jij dat er een vogel naar hem genoemd is?’ Ze zei niks. Maar in die stilte wist ik opeens heel zeker dat als ik iets zou willen snappen van al het wonderlijke tussen hemel en aarde, van alle zwerflust of zwerfdrift, van alle dwaalwegen ook, ik ernst zou moeten maken met de vogelstudie. ‘Een kanoet.’
Toen ik mij gisteren opmaakte om naar Friesland af te reizen trompetterde de radio dat de paus was overleden. Nou ja. ’t Was geen wiegendood. Ik had in de zin wat plaatsen te bezoeken die voor Slauerhoff van betekenis waren geweest: de Voorstreek in Leeuwarden waar hij in 1898 geboren was, Jorwerd waar in de pastorie zijn eerste liefde verdween, en later ook God nog. Misschien toch naar Vlieland? Ook bepeinsde ik nog het vraagstuk waarom Slauerhoff nooit een vervolg schreef op Het leven op aarde (1934) maar wel de navrante novelle De opstand van Guadalajara (postuum, 1937). Daarin schetst hij de geschiedenis van een brekebenige glazenwasser in wie een plaatselijke priester de herrezen Verlosser meent te herkennen. Dat loopt niet goed af. Aan het eind komt die glazenwasser van het kruis af, de bevolking had hem half gekruisigd daar hij slechts een halve verlosser was. Wat zei dit over Slauerhoff? Deze tweede Paasdag leek mij een goede dag dat eens op te helderen.
Maar halverwege de Afsluitdijk werd het me duidelijk dat ik ‘iets’ met het nieuws moest. De autoradio voorspelde dat het de verdere dag, ja de hele week, over Franciscus zou gaan en eigenlijk was ik wel benieuwd wat de summus pontifex voor de natuur had gedaan. Als je met je pausennaam verwijst naar die heilige uit Assisi die voor de vogels preekte schep je tenslotte verwachtingen, zelfs voor een agnost.
Rechts lag het IJsselmeer, links achter de dijk de Waddenzee. Het één zo doods als een culturele pierlala, het ander levendig als de vogels die ik af en toe over de dijk zag waaien. Ik hoorde uit de luidspreker vrome gelovigen hun droefheid belijden over het heengaan van hun ‘heilige vader’. Dat klonk wel oprecht, het officiële ‘con profonde dolore’ wat minder.
Laat ik net als die vermaledijde dijk vooral een messcherp onderscheid maken tussen religie en godsdienst, bedacht ik. Dat is eenzelfde onderscheid als dat tussen als ‘aarde’ en ‘wereld’, tussen natuur en groenvoorziening. De natuur leeft: dat zijn de bomen die ik later op de dag overal weer in bloei zag staan, het fluitenkruid dat alle wegen weer omzoomt, de pullen van de nijlgans die ik in onvoorstelbare aantallen overal langs de slootkanten zag scharrelen, de grutto’s die ik vergeefs zocht, de ooievaars die rondstapten in de graslanden. Religie begint wat mij betreft bij de verwondering hoe dit alles kan, en wat mijn plek is in die telkens herbeginnende cyclus van leven en dood. Dat is geen idee, geen denkbeeld, dat is bewustzijn. De paus nu is de baas van al die mensen die misschien iets soortgelijks ondergaan. Daar ben ik overigens helemaal niet zeker van. De paus heeft wel ideeën hoe het allemaal zit. En dat moet je dan geloven. Vergelijkenderwijs is de paus de baas van de groenvoorziening: die legt ons ook op wat we van de natuur mogen zien. Dit bloemetje wel in mijn perk, dat niet. En nou is die dood.
Toen ik op kop van de Afsluitdijk was en de weilanden in de motregen opdoemden, verloor de radio signaal. Althans, dat signaal werd weggedrukt door een Friese piratenzender waar met schlageruithalen aan een meisje werd gevraagd of ze ook Hollands sprak. Godbetert, dacht ik, en dat in Friesland! Wat zou er door die marconist in Het leven op aarde gegaan zijn toen hij daar voor het oog en oor van die Chinese machthebbers na verontrustend gekraak en gepiep SiegHeilbrakende boodschappen uit een verscheurde wereld uit die radio opwekte? Hij moet voor hen een magiër, een tovenaar geleken hebben. En Slauerhoff zelf? Was die beducht zelf voor een profeet aangezien te worden? In de epiloog van de roman schept hij verwachtingen over een aanstaande verlichting. Schreef hij dáárom die novelle? Of wist hij het gewoon niet?
De hele dag heb ik rondgezworven. De wegen daar zijn krom: als je op een kerktoren in de verte aanstuurt, kom je geheid heel ergens anders terecht. Dit heeft iets te betekenen. Daarover nu geen bericht, behalve dat ik uiteindelijk bij It Heidenskip verzeilde. In het westen klaarde het toen wat op en ik zag vlak boven de horizon verstrooid licht van de zon die daar aan het ondergaan was. In It Heidenskip wist ik dat mijn grootvader daar land pachtte aan het begin van de vorige eeuw. Hij was uit hetzelfde jaar als Slauerhoff maar wat een ander leven! En het mijne?
Opheldering heeft mijn reis naar Friesland niet gebracht.
Ik was niet de enige die wel eens naar Paaseiland had willen gaan. In Hazeu ’s biografie Slauerhoff. Een biografie (1995) trof ik de opmerking dat Jan Jacob Slauerhoff op 6 juli 1913, 15 was-ie toen en nog geen gekwelde dichter, een artikel uit De aarde en haar volkeren over Paaseiland had gescheurd om dat artikel zijn hele leven trouw te bewaren. Zoals bekend heeft Slauerhoff veel gevaren, vooral in Zuidoost Azië. Bij mij weten is hij nooit op Paaseiland geweest. ’t Zou wel wat anders zijn dan Vlieland waar hij in zijn jeugdjaren vaak en graag kwam.
Wel schreef hij twee gedichten die Paaseiland betreffen: Rapanui en Paschen. Het tweede gedicht gaat vooral over de nogal eigengereide Jacob Roggeveen, met wie Slauerhoff misschien meer gemeen had dan alleen een voornaam. Hij portretteert hem in Veere, aan het einde van diens leven. Geknakt, volgens Slauerhoff, en met de pest in dat hij indertijd niet op Paaseiland was gebleven in plaats van in het godsdienstig beklemmende Zeeland zijn laatste dagen te moeten slijten. Het kan moeilijk toeval heten dat Slauerhoff Roggeveen in de paastijd situeert: “Ieder jaar keert het Paasch, maar ’t eiland nimmermeer.”
Rapanui geeft in drie delen een schets van het eiland in de Stille Oceaan. In het derde deel laat hij de Moai met het gezicht naar zee staan. Dat staan ze niet. Kennelijk ontsproot het eiland aan Slauerhoff’ s verbeelding, waar het mythische proporties kreeg.
Romantiek? Lijden aan de tijd? Weltschmerz? Tja. Slauerhoff had een splinter in de ziel: “nergens vind ik vree, op aarde niet en niet op zee, pas aan die laatste smalle ree van hout in zand.” Ik denk dan toch altijd eerder aan Vlieland en dan aan Paaseiland, maar dat is een ander verhaal, een liefdesgeschiedenis.
‘Het komt erop aan hoe je je verhoudt tot de tijd waarin je leeft,’ zei eens een beroemd historicus. Mij intrigeert al vanaf mijn studietijd het slot van Het leven op aarde (1934). Na een lange en gevaarlijke tocht dwars door China moet de marconist Cameron een radiotoestel in elkaar knutselen om zich het vege lijf te redden. Dat lukt. Ternauwernood. Slauerhoff had zich er terdege van vergewist dat zoiets kon. Waar het me nu om gaat is wat er uit die radio klinkt:
“Ik hoorde een man zich beroemen op de onder zijn leiding behaalde zegepraal van het gezonde mensenverstand, op een staat en orde verwoestende waanzin die de westerse wereld had bevangen, hoog opgeven van de materiële en ideële voordelen die een uitverkoren volk onder zijn leiding had behaald en nog zou behalen als het hem zijn blind en volledig vertrouwen bleef schenken, het hoefde alleen te volgen, niet meer zelf te denken. Daarna daverend geklap, gestamp, gebrul, weer muziek, mars, partijgezang, leuzengekrijs, paukengebeuk, een gehuil dat het vermoeden opwekte dat tegenstanders aan de martelpaal werden gebonden.”
Later in het verhaal davert een Duitse symfonie de zaal binnen, ‘een inundatie van klank.’ Het valt mij moeilijk niet aan Hitler te denken, die toen net de macht had gegrepen. Stalin kan ook, maar dat was niet zo’n spreker. Die moordde liever in ‘t geniep. De reis die Slauerhoff Cameron laat maken doet verrassend veel denken aan De Lange Mars die Mao in 1934 ondernam. Hoezo ontvluchtte Slauerhoff de eigen tijd?
Hij had na Het verboden rijk (1932) nog een vervolg op Het leven op aarde voor ogen maar heeft dat nooit voltooid. Omdat, zo schrijft hij ergens, hij er zich nog niet rijp genoeg voor achtte. Spirituele stagnatie?
Het valt mij ook niet moeilijk in het citaat aan andere namen denken, aan hedendaagse machthebbers. En ik zie Slauerhoff knikken. En ik zie dat hij mij ziet zitten achter mijn schrijftafel, op deze tweede paasdag, luisterend naar de radio waaruit weerzinwekkende berichten klinken uit Gaza, uit Oekraïne
Als kind had ik het raadsel op te lossen waarom Pasen ieder jaar op een andere datum viel. Ra ra. Hadden die Romeinen dan niet bijgehouden wanneer ze oproerkraaiers, moordenaars, onverbeterlijke dieven of ander uitschot kruisigden? En verder: hoe zat dat nou met die eieren?
Met Kerst leek dat tenminste duidelijk, al vond ik het zeer verdacht dat die herdertjes in ijzige vrieskou in het veld hun schaapjes lagen te tellen. De Christelijke traditie waarin ik opgroeide wimpelde mijn vragen weg. ‘Het is nu eenmaal zo’ leidde alleen maar tot de vervolgvraag ‘maar hoe weet je dat dan zo zeker?’ Twijfel aan alle claims was geboren. Die vraag bleef ik stellen. Laat ik mijn verdere weg maar kort houden: met een zekere deemoed en onverschrokkenheid is wonderwel te leven vanuit het besef dat ik het niet weet.
Op 5 april 1722 ontwaarde Jacob Roggeveen aan de horizon van de grote zeeën die hij bevoer op exact 2707’12”ZB, 109021’0”WL een eilandje ter grootte van Texel. Verder weg van de wereld kon niet. ‘Paaseiland’, noemde hij het, ’t was immers Paasochtend? Tegenwoordige bewoners noemen het Rapa Nui, (‘grote rots’)of Mata ki te rani (‘Ogen die naar de hemel kijken’). Of met die laatste aanduiding de mensen bedoeld worden, dan wel de beroemde Moai is mij niet helemaal duidelijk. Roggeveen zal die immense beelden wel geen ‘paasbeelden’ hebben genoemd, want die mensen waren natuurlijk heidenen. Bekeren was van later zorg. Hij moest gauw verder met het ontdekken van het Zuidland. Maar hoe kwamen die mysterieuze beelden daar? En waarom waren die ooit zo belangrijk? De bevolking was gering in aantal, het eiland nagenoeg boomloos, transportmiddelen ontbraken. ‘Die waren daar naar toe gewandeld,’ wisten de bewoners. Maar dat was net zo waarschijnlijk als dat een haas uit een ei kruipt.
Wat er daarna gebeurde met het raadsel is te mooi om waar te zijn. Mme Blavatsky orakelde in De geheime leer (1888) iets over verzonken continenten en gevallen engelen. Theosofen begrijpen dit. Thor Heyerdahl kwam met een onwaarschijnlijk verhaal over Langoren en Kortoren, en heel veel strijd (Aku aku: het geheim van Paaseiland, 1957). Je moet avonturier zijn en in grootse verbanden denken om hem te kunnen volgen. Erich von Däneken zocht het in Waren de goden kosmonauten? (1968) in de ruimte. Als je aan de drank bent, wappie, of net zo’n liefhebber van sciencefiction als Elon Musk, stel je verder geen vragen. Hup, de ruimte in!
Een samenhangende, aardse theorie geeft Jared Diamond in Ondergang; waarom zijn sommige beschavingen verdwenen en hoe kan de onze haar ondergang voorkomen? (2004). Hij heeft 50 pagina’s nodig om uit te leggen hoe die vroeg-Polynesische beschaving zichzelf kon vernietigen door roofbouw te plegen op haar eigen hulpbronnen. Verklaart hij nou die beelden? Nou nee. Maar naast ecologisch onderzoek was het Diamond vooral te doen om de boodschap die in de ondertitel van zijn studie verstopt zit. Paaseiland is een metafoor voor de huidige milieucrisis: zo Paaseiland, zo de wereld. Pas op!
Rutger Bregman is ook gevoelig voor metaforiek. Rutger Bregman is ook een leraar. In Wat er echt gebeurde op het mysterieuze Paaseiland (en wat we daar vandaag nog van kunnen leren), (De Correspondent, 16 november 2017) gaat hij in op allerlei theorieën. Bregman zou niet het zelfverklaarde licht der wereld zijn als-ie niet uitkwam bij de meeste mensen deugen. In het gelijknamige boek (2020) gaat hij verder puzzelend in op het raadsel van goed en kwaad in de wereld en hoe het kwaad overwonnen kan worden. Er is hoop!
Ik zou ook wel eens naar Paaseiland willen gaan. Ik zou daar naar de zee willen kijken en het eiland dat die immense zee omsluit. Haar mensen. En ik zou mijn ogen ten hemel richten en misschien Mata ki te rani mompelen. En het zou mij in het geheel niet deren dat niemand dat begreep. Ikzelf ook niet.
Als het net zo’n beetje licht wordt hoor ik hier op het balkon de koolmezen volop in de weer. ‘Klinkt als een fietspompje,’ lees je in vogelboekjes. Mijn associatie is altijd dat ze aan het scheidsrechteren zijn in een geheimzinnige wedstrijd die zich ergens tussen de struiken voltrekt. Alleen koolmezen kennen de spelregels.
Beide kwalificaties zijn even antropocentrisch gedacht, maar dat deert die vogels geen hondenhaar. Ze zijn nu druk doende met paarvorming, er moet een nest ingericht worden, eind van de maand staat gezinsuitbreiding op het programma. Het vogelhuisje op de foto valt beslist af als broedplek: véél te veel in het zicht. Wat mensen met die rare vormgeving bedoelen moeten ze lekker zelf weten, zullen de mezen menen: Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.
De koolmees komt overal voor waar mensen zijn. En bomen staan. Of in bomen opgehangen nestkastjes. Voeren hoeft helemaal niet want zij weten zelf uitstekend wanneer er genoeg rupsjes zijn om nageslacht groot te brengen.
Net als de mus komen ze jaarrond voor en het lijkt wel goed te gaan met de koolmees, met de mus iets minder. Beide vogelsoorten zijn cultuurvolgers, zoals dat heet. Hoe is met onze cultuur?
Een recente bevinding geeft te denken. Peter Lindenburg, lector analytical biosciences van de Hogeschool Leiden, vond wel erg veel dode koolmeesjes in zijn achtertuin. Hij aan het onderzoeken of dat misschien te maken kon hebben met vlooienbandjes van huisdieren. Mezen benutten immers graag hondenharen voor hun nestjes? Die vinden ze overal in het park want hondenharen in huis is maar vies.
Van het een kwam het ander en er is nu ineens een heus ‘citizen science approach – project’ opgestart: Meet de mees. De uiteindelijke bedoeling is om te weten te komen in hoeverre bestrijdingsmiddelen in onze directe leefomgeving voorkomen.
Citaat van de website waar je je als burger kunt aanmelden om deel te nemen aan dit initiatief: “Om duurzaam gebruik van de onderzoeksresultaten te garanderen zal het MdM-consortium een biobank voor eieren en nestjongen van koolmezen aanleggen ten behoeve van toekomstig onderzoek naar de aanwezigheid, transmissieroutes en effecten van bestrijdingsmiddelen in relatie met biodiversiteit en volksgezondheid.” [https://www.hsleiden.nl/onderzoeken/project/meet-de-mees]
Het is niet moeilijk wat lacherig te doen om het gewichtige taalgebruik. Maar even aan pfas denken kan je blik doen kantelen. Werd trouwens niet onlangs nog gedemonstreerd tegen bestrijdingsmiddelen vanwege het voorkomen van de ziekte van Parkinson? En wat hiervan te denken: een veldbioloog had eens aan Lindenburg gevraagd om te onderzoeken of er DDT in de eieren van de boerenzwaluw zat. Dat bleek inderdaad zo te zijn. In Afrika wordt dat middel nog steeds gebruikt, onder andere om malaria te bestrijden. In Nederland is dat middel al sinds 1973 verboden. Toch bleken die boerenzwaluweneieren resten te bevatten van Nederlandse DDT.
Dit roept het boek van Rachel Carson in gedachten, Silent Spring (1962). Dat het recent weer in vertaling is uitbracht (Verstild voorjaar) geeft te denken over de niet afgenomen urgentie van het probleem. In het nawoord (‘De formidabele Carson’) geeft de vertaler summiere informatie over de kolossale weerstand die Carson ondervond vanuit de wetenschap (wat kan die vrouw daarvan weten?) en vooral de belanghebbende chemische industrie (‘haar boek is giftiger dan de pesticiden die ze veroordeelt’).
In een tijd waarin zelfs de meest respectabele instituten moeten vrezen voor hun voortbestaan omdat hun wetenschappelijke conclusies de toevallige machthebbers niet welgevallig zijn, moet je een antwoord hebben om de politieke zwakzinnigheid het hoofd te bieden.
Een vervuilde omgeving duidt op een vervuilde geest. Als je die vervuiling in kaart kunt brengen, is er misschien ook iets aan de geest te doen. Onderzoek begint heel dicht bij huis. Bij de koolmezen.
De foto toont nét niet waar het mij om te doen is. Als je over de weg rechtsonder de foto uitrijdt, de Noorderdijkweg in de Wieringermeer, zie je aan je linkerkant de Dijkgatsweide. Dat is een ‘plasdras’. Er zitten veel bijzondere vogels – en daar heb ik iets mee. Waarneming.nl registreerde gisteren onder andere de blauwborst, de rietgors, de lepelaar, de kemphaan, de kluut, de grutto, de watersnip, de bosruiter, de tureluur, de groenpootruiter. Kom er eens om, het lijkt wel een wonder.
Het gebied is ongeveer zo groot als een gemiddelde boerderij, 64 hectare. Er zou graan kunnen staan, aardappelen, suikerbieten; koeien hadden er kunnen grazen. In 2007 werd daar bij de aanleg van het gebied een bootkano opgegraven. Zo’n vijfduizend jaar geleden jaagden, verzamelden en visten daar al mensen. Het gevaarte is nu museaal in Het Huis van Hilde in Castricum te bewonderen. Compleet met de drainagepijpen die in de jaren ’30 dwars door het hout waren geslagen. Van die mensen ontbreekt ieder spoor.
De foto toont wél een litteken in de Wieringermeerdijk. ‘Het Gat van de Dijk’ noemden wij dat thuis. Tachtig jaar geleden, op 17 april 1945, werd hier de dijk door ‘de bezetter’ opgeblazen. Enfin, die geschiedenis is in de boeken terug te vinden. Uit mijn vroegste jeugd herinner ik mij dat het woord Onderwaterzetting vaak over de etenstafel klonk. Het was het referentiepunt in de persoonlijke geschiedenis van mijn ouders. Die hadden net een gezin gesticht en moesten met drie kleine kinderen de polder ontvluchten op een boerenkar waarop hun bezittingen waren vastgeknoopt, mijn vader stappend naast het paard. Ontreddering. Mijn ouders leven niet meer, één van die zussen werd onlangs tachtig. We hebben het er niet over gehad. Allicht niet, ze was pas elf dagen toen zij op die wagen werd gezet. Tijd heelt alle wonden?
Dit soort wielen vind je overal als je hier in Noord-Holland langs of over dijken rijdt: de oude Zuiderzeedijk, de Westfriese Omringdijk, de Diemer Zeedijk. Op loopafstand van ons huis is de Schellingwouderbreek, ontstaan tijdens de Allerheiligenvloed in 1570. Willem van Oranje moet er van hebben gehoord. Die is ook al een tijdje dood, net als de mensen die toen door die vloed werden verzwolgen. Maar bij al dit soort plaatsen denk ik onwillekeurig aan ‘Het Gat van de Dijk’. Littekens.
Helemaal aan het andere eind van de polder boerde Sicco Mansholt. Die legde na de oorlog de grondslag voor de huidige Europese landbouwpolitiek. Zijn bedrijf, of althans het land waar hij ooit ploegde, wordt nu opgeslokt door de datacentra van Microsoft en Google. Verdrietig kan ik daarvan worden. En woedend op die eindeloze rijen gesubsidieerde windmolens die staan te malen om die centra van stroom te voorzien. Hoezo, No Farmer No Food?
De foto toont gerationaliseerde ‘landbouw’. De patrijzen die ik in mijn jeugdjaren nog bij het Dijkgatbos het gras in zag wegvluchten zijn er al lang niet meer. Geen grutto haalt het in z’n hoofd een nest op het grasfalt te beginnen. Geen leeuwerik meer te horen.
Maar dan die Dijkgatsweide. Als ik daar kom, en dat doe ik dikwijls, wijkt mijn mismoedigheid voor een ander gevoel, iets met hoop. “Hope is the thing with feathers.” Dat dieren verdwijnen, vogels oplossen in het grote niets, uitsterven, laat geen littekens na. Maar als de natuur haar eigen gang kan gaan laat zij haar onvoorstelbare kracht zien, haar herstellend vermogen.
Niet de tijd gaat voorbij, de mensen gaan voorbij.