Voorbij zijn de zomerdagen, er zijn vreemde dingen gaande en wee hem die vraagt waarom.
_____
Opm.
de echte lammeren, allicht, en al het andere slachtvee, de miljoenen en miljoenen kalveren, koeien, biggen, varkens, kippen, maar ook, en meer, de kinderen van Gaza, hun moeders, hun vaders, hun broers, hun zussen, de kinderen van de Westbank die het ook niet begrijpen, de soldaten aan het front in Oekraïne, hun geliefden, hun kinderen, niet alleen de Oekraïense maar ook die uit Jakoetië, Boerjatië en al die andere plekken waar jonge kerels misleid worden met valse beloften, de vluchtelingen uit Afrikaanse landen die geen hoop meer hadden, de inwoners van al die landen waar een mensenleven niet telt, de mensen die dom gehouden worden, en bang, en die hun leven moeten vrezen als ze eens een menselijk verlangen uiten, de geknechte, de onderdrukte, de geronselde, de uitgebuite, de bespotte, de geminachte, de vermorzelde, de murw gebeukte, de weerloze, de
Om mijn warhoofd tot rust te brengen was ik gaan fietsen. Er gebeurt tenslotte van alles in de wereld en een burenruzie is het niet. Hoe mij daartoe te verhouden?
Overal is de herfst al gaande. Ik hoopte mijn boosheid over de wereld eruit te trappen, ik hoopte dat al mijn wraakzucht mij zou verlaten, mij los zou laten zoals de boom zijn blaadjes los moet laten.
“Tuig!” drukte mijn gemoed te netjes uit. Zelfs als keurige politici er ‘van de richel’ achter persen krijgt mijn boosheid geen lucht. Dat zeggen sommigen ook van de journalisten die de wandaden van de demonstratie afgelopen zaterdag poogden te verslaan. Je moet zo uitkijken met taal tegenwoordig, voor je het weet kwets je een hele bevolkingsgroep. ‘Onderkruipsels!’ dan maar, ‘Uitschot! Satansgebroed!’ Zo tierde ik door, almaar verwoeder trappend. Het hele Groot Scheldwoordenboek werkte ik af en nochtans bekoelde ik niet. De blaadjes bleven vallen.
In het volgende bos bedacht ik straffen. Dat zou ze leren! Het hele repertoire van moderne en antieke martelmethoden dacht ik in te zetten. Uit de krant doe je genoeg ideeën op. Maar toen viel mij in dat er in dit land een cellentekort is. ‘Hersencellentekort zullen ze bedoelen!’ corrigeerde mijn rechterbrein. En mijn woede kreeg een nieuwe impuls. De blaadjes bleven vallen toen ik in buitenlandse talen mijn scheldlust de vrije loop liet. ‘Scum! Rapaille! Wildschweinhunde!’
Nog geenszins afgemat kwam ik in het derde bos. Ik laat ze zelf nieuwe cellen bouwen! Met die blote handen waarmee ze zich vergrepen hebben aan onze dienders! Eigen cellen eerst! Ik zag de producten van mijn wraakzuchtige verbeelding voor mij. Ik bedacht de grootte hunner kooien en paste die aan op de toekomstige lengte van hun verblijf, die gelet op de ernst van hun vergrijp of misdaad zouden variëren, alles nog net in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daar waren algoritmes voor op te stellen. En ik zag de blaadjes vallen.
Enzoverder enzovoorts. Na een bos of zeven geraakte ik toch weer thuis. ‘En?’ vroeg mijn vrouw, ‘waar ben je geweest?’ ‘Ga maar kijken op de Utrechtse Heuvelrug,’ hijgde ik uit, ‘en volg het spoor van vernielingen. Daar ben ik geweest.’
Mijn vrouw keek mij in de ogen. ‘Zo,’ zei ze, ‘je bent het nog niet kwijt hè?’
En na een tijdje: ‘Hang die blaadjes dan nu maar weer terug.’
Op het vlak van de heiligverklaringen beleven we bijzondere tijden: alleen deze maand al twee, ’t wordt vol in het boetje! Dat Carlo Acutis (1991 – 2006) en Charlie Kirk (1993 – 2025) elkaar sinds gisteren op gelijke voet in sacrosancte sferen de hand kunnen schudden schept ruimte voor de verbeelding: wat doet een heilige zoal de hele dag? ‘Zo, ook promotie gemaakt? Zit m’n halo nog goed? Weten jouw sterfelijke volgelingen jou nog een beetje te vinden? Hoe lang duurt de eeuwigheid gemiddeld genomen?’
Voor de graad van heiligheid maakt het niet uit of je door de ceremoniemeester ener kerkgemeenschap tot die staat bent bevorderd of door het clanhoofd ener natie: het blijft poppenkast. Over de kwaliteit der voorstellingen kan men twisten. Maar wat de waarde der getuigschriften, oorkonden en diploma’s betreft: dat is papier. Dat steek je zo in de hens. Dat doen niet-katholieken en niet-republikeinen dan ook met grote vurigheid. Overal op deze droevige planeet ziet men de brandstapels al roken, de inquisiteurs hun ketters aanwijzen.
Over de voorbeeldigheid of voortreffelijkheid der beide jongemannen meet ik mij geen oordeel aan, geen van beiden heb ik ooit ontmoet. Dat geldt overigens voor bijna iedereen die nu voor hunne heiligheden knielt. Carlo en Charlie waren ‘influencers’ en van influencers kom je nu eenmaal nooit te weten of ze wel eens een windje laten of wat ze uitroepen als ze in een punaise trappen.
Wat mij stoort in dit circus van de heilige geesten is ook niet hun heiligheid maar de uitsluiting van iedereen die geen jongeman van 15 of 31 is, of niet-katholiek, of niet-republikein. Meisjes en vrouwen maakten kennelijk sowieso al geen kans. In het patriottisch patriarchaat blijft het wel jongens onder mekaar.
Volgelingen van Carlo en Charlie kijken naar hen door het rietje dat de ceremonie- of opperstalmeester hebben uitgereikt. Haalden ze dat rietje maar eens weg, dan zouden ze hun eigen heiligheid ontwaren. Dat rietje was er slechts om hen het circus in te lokken.
Ik hou niet van circus. En heilig hoef ik niet verklaard te worden.
Spreken is zilver en zwijgen is goud? Ik had de ijsvogelhaiku nog niet geplaatst, en had nog niet half de grenzen van mijn erkentelijkheid verkend toen een bericht mijn mailbox binnenvloog. Daar ik geabonneerd ben op Penseelvanwind, de website over Japanse poëzie van Ivo Smits, hoogleraar Letteren en Culturen van Japan aan de universiteit van Leiden, werd ik op mijn wenken bediend als het er om gaat ook altijd de achterkant te laten zien: https://penseelvanwind.nl/poep-en-poezie/ . Waarvan akte.
Het is niet ondenkbaar dat de ijsvogel schijt heeft aan mijn haiku. Ik doe er verder het zwijgen toe.
Deze haiku werd mede mogelijk gemaakt door te talrijke personen en instanties om hier allemaal recht te doen. Om althans een begin te maken mijn schatplichtigheid te erkennen noem ik: boekverkoper Hans die mij aan zijn stalletje op de Grote Markt in Groningen in de jaren ’70 opmerkzaam maakte op de bundel Haiku – een jonge maan van J. van Tooren (‘misschien zocht je dit’), Hans dus, van wie ik de achternaam nooit te weten ben gekomen, en alle andere boekverkopers sedertdien, en uitbaters van antiquariaten, alle bibliothecarissen, uitgevers van tijdschriften, alle instanties die mij mijn studie van haiku en andere zaken mogelijk maakten, alle schrijvers en schrijveressen van haiku of andere verzen of versjes, in alle talen die ik lezen kon, allen die mij lankmoedig aanhoorden als ik mijn geestdrift onder woorden bedolf (‘kan het korter?’), allen die mijn eenzaamheid verdroegen als ik die verkoos boven hun gezelschap (‘zeg nou es iets!’), mijn vader en mijn moeder, zonder wie ik er natuurlijk niet zou zijn, en hún vaders en moeders, tot aan het eerste mensenpaar, de geliefden in mijn leven zonder wie ik reddeloos verloren was geweest op mijn levenspad, de ganse wonderlijke loop van de geschiedenis waaraan natuurlijk niemand in het bijzonder bijdroeg maar waarvoor toch de hele mensheid verantwoordelijk gehouden mag worden: dank alles en allen! Ik wil maar zeggen, het komt allemaal niet uit de lucht vallen.
Maar mijn allergrootste dank gaat uit naar dat ijsvogeltje.
Aan de omzwervingen van mijn geest valt geen touw vast te knopen. Sommigen houden dit voor ‘speels’, of godbetert ‘creatief’. In zeldzame momenten van helderheid weet ik wel beter en wens ik die wispelturigheid van geest aan niemand toe, zeker niet aan landgenoten die de verantwoordelijkheid voor ons schip van staat dragen. Ofschoon mij in elk geval één persoon bekend is die zijn eigen warhoofdigheid voor genialiteit houdt terwijl hij toch een groot rijk moet bestieren. Kijk, daar dwaal ik al weer af.
Terzake. Op de ramsjtafel hier in Noord kwam ik een boek tegen over Erasmus. Om vierentachtig redenen die ik niet zal opsommen kocht ik het. Ik las het, op het balkon gezeten in een heerlijk nazomerzonnetje, in één ruk uit. Over dat boek verder geen woord – aan het recenseren van boeken, of van die dingen, begin ik niet – maar het bracht mij wel op de 85ste reden waarom ik het gekocht had. Die kende ook ik nog niet. De schrijfster begint namelijk met een stadswandeling door Bazel waar Erasmus lange tijd woonde. Nu zijn wij wel eens in Bazel naar sporen van Erasmus wezen zoeken maar een vvv-georkestreerde stadswandeling was dat niet, we dwaalden maar wat op ons eigen drijfhoutje. Als we volgende week dan toch in Bazel zijn zouden we die kunnen maken, opperde ik aan mijn vrouw, die onze reis naar Toscane voorbereidt. Zoiets als begeleid wonen maar dan voor culturele toeristen. We moeten er nodig uit, de zwalkende dwaalwegen van de politiek volgen is niet bevorderlijk voor de rust van de geest.
Haar antwoord niet afwachtend was ik de kast al in gedoken om mijn exemplaar van de Lof der Zotheid weer eens even te raadplegen. Weten die politieke lui in Den Haag wel dat alle satire bij dat boekje begint? En dat Erasmus hen 500 jaar geleden al de lachspiegel voorhield? Maar toen mij het niet ondenkbare inviel dat sommigen ‘Erasmus’ slechts kennen als een idioot en geldverslindend Europees project, of anders als de antieke naamgever van een brug, of een ziekenhuis, of een universiteit, bakens in de metropool Rotterdam, ontzonk mij de moed. Nee, ik moet eerlijk zijn: Erasmus’ spot over de leraren van zijn tijd raakte mij wel een beetje. Wat een pedanterie! Wat een ijdeltuiterij! En nee, ik moet nu echt eens ophouden anderen de les te lezen. En scheepsrecht nee, heb ik zelf wel een kompas?
Voornoemd boekje eindigt met een beschrijving van de lotgevallen van een houten beeldje dat al in de 16e eeuw van Erasmus is gemaakt. Ter ere van de intrede van Filips II maar als ik daarover begin raak ik weer helemaal uit koers. Die zwerftocht evenaart in zotheid mijn dwalende geest. Het diende later als hekbeeld, boegbeelden zag je toen niet zo en Erasmus zelf zou zich bij dat idee uit zijn graf hebben losgewoeld, van het schip dat Erasmus was gedoopt maar later de naam Liefde kreeg.. Enfin, het verhaal is een roman waard, al gaan feiten soms fictie te boven. Het beeldje eindigde in elk geval in de tuin van een boeddhistische tempel in Japan, waar men het aanzag voor een symbool van de Japanse scheepvaart. Of voor een godheid, wat voor sommigen hetzelfde is.
Voornoemd boek toont een afbeelding van het beeldje. Ik had het al eens gezien in een proefschrift over Erasmus maar toen had ik er kennelijk over heen gekeken. De hele proloog van dát boek (Sandra Langereis, Erasmus Dwarsdenker; Een biografie, 2021) vond ik trouwens nogal raar. Wie begint er nou een wetenschappelijke dissertatie met een beschrijving van de innerlijke wereld van een hekbeeld? Nu keek ik het beeldje, ’t is iets meer dan een meter hoog, eens wat langer in de ogen.
Ik zal het nu maar kort maken. Het deed mij precies denken aan een beeld van de grondlegger van de haiku, Matsuo Bashō. Dit ga ik niet uitleggen, ik wijs slechts op hoofddeksel en boek.
Matsuo Bashō (1644 – 1694)
Is dit niet een vingerwijzing dat ik mij beter houd aan het schrijven van drieregelige versjes dan zit te bazelen over het landsbelang en de culturele, historische en sociale verantwoordelijkheden die dit met zich meebrengt?
Jan Steen, Een schoolklas met een slapende schoolmeester, 1672
‘Wat deed jij nou met zo’n jongen als Geertje in de klas?’ wilde mijn vrouw weten toen ze mij midden op de dag op bed aantrof en terstond aanving de aard van mijn bedlegerigheid te diagnosticeren. ‘Ai, regressieve schoolziekte, niet zo best’ en ze zette subiet de televisie uit. ‘Of Thierry, of hoe ze ook heetten. Zo’n meid als Lidewij?’ ’t Was duidelijk dat ze geen onderscheid naar geslacht wilde maken. Of sociaaleconomische achtergrond. Ze kwam nog net niet aan de 150 met het opsommen van namen die haar moeiteloos te binnen schoten. Sommige leerlingen blijven je bij. Bij regressieve schoolziekte hoeft er maar iets kleins, zoals de Algemene Beschouwingen van de Tweede Kamer der Staten Generaal voor te vallen, of je zakt weer weg in de herbeleving. Traumatisch word je ervan.
‘Nou ja, onvoldoende voor Debatteren natuurlijk!’
‘En toen?’
‘Kreeg ik eerst de ouders over me heen. Het kind lulde hen altijd omver. Dit kon dus niet waar zijn. Ik verdiende een onvoldoende’
‘En toen?’
‘Dan wees ik er op dat hun oogappeltje het hoofdstuk Drogredenen verkeerd om had begrepen. En dat ik streng moest zijn.’
‘En toen?’
‘Kreeg ik dit te horen: “Maar niet rechtvaardig. Had de school maar eerder duidelijk moeten maken dat dit niet zijn niveau was. En het was toch zeker goed Nederlands?”
‘En toen?’
‘Wees ik er fijntjes op dat de inspanningen voor het vak Literatuur ook suboptimaal waren geweest en dat de minimale score voor dat onderdeel maximaal was geweest daar ik de kwalificatie ‘wat een kutboek’ onvoldoende beargumenteerd vond.’
‘En toen?’
‘Toen zeiden ze dat het natuurlijk ook een kutboek was, zo’n links kutboek. Net als die linkse kutexamenteksten. En dat ik natuurlijk een vooringenomen linkse lul was.’
‘En toen?’
‘Verwees ik maar naar het examenreglement. En naar de directeur.’
‘En toen?’
‘Kwam die hogepotend mijn lokaal binnen stampen, ‘Mij bereiken klachten over jou.’ Nou ja, de krant, de naam van de school, de inspectie, enzoverder enzovoort . . .’
‘En toen?’
‘En toen, en toen, en toen! Weet je dan niet meer dat we hartstikke opgelucht waren dat die autonoom denkende leerling eindelijk van school was?’
Zo was het. Met Geertje, met Lidewij. . . Maar ook met al die andere leerlingen die we niet vermochten bij te brengen hoe je in een debat vuil spel moest pareren.
We filosofeerden hoe het anders had gekund maar nadat we het hele onderwijssysteem tentatief en virtueel hadden geïnnoveerd bleef er een hypothetisch model over waar ze in laten we zeggen de heilstaat Noord Korea hun vingers nog bij zouden aflikken. We waren beduusd.
‘Ging het eigenlijk nog over het onderwijs bij die Kamerdebatten?’ wilde mijn vrouw nog weten. Nee, somberde ik. En zelfs op het vlak van de Polarisatie konden ze het niet eens worden. Radeloosheid, reddeloosheid en redeloosheid is het wat de politieke klok slaat. Maar het ergste van deze drie is de redeloosheid.
‘Maar je wou toch zeker niet tot 29 oktober in je bed blijven liggen?’
Nederland heeft de grootste koedichtheid van de hele wereld. Nederland heeft een geweldige stikstofcrisis. Dat komt vooral door al die koeien per hectare Engels raaigras. De oplossing is bijna beledigend in zijn eenvoud: minder koeien. Waarom lossen wij het dan niet op?
Kom mij nou niet aan met dat het een ongelofelijk complex vraagstuk is. Dat doen politici wier enige bestaansrecht is dat zij op lepe wijze de particuliere belangetjes van specifieke kiezers uitventen. Dat doen zij ieder vanuit hun eigen marktkraampje waar zij de concurrent proberen te overstemmen. Die kakofonie: dát is pas complex. Hoe kunnen mensen zo door elkaar praten, roepen, tekeergaan, blèren, kijven, janken, krijsen en schreeuwen en dan ook nog beweren dat ze de ander écht wel horen?
Gisterochtend was ik bezig het wasgoed op te vouwen. Dit nederige huishoudelijk werk te mogen verrichten beschouw ik als een groot voorrecht: ik hoef niet meer naar een baas. Om reinheid, rust en regelmaat te waarderen heb ik geen politiek programma nodig. In eenvoud zie je dingen scherper.
Nu had ik de tv aangezet – sinds de corona ons velde, hebben wij er een op de slaapkamer die ook als strijkkamer dienst doet – en afgestemd op de Algemene Beschouwingen. In die Miljoenennota gaat het tenslotte ook over mijn centjes. En aan het eind van de maand wil ik niet in de linnenkast onder de sokken op zoek moeten gaan naar spaargeld om dat het ABP de verplichtingen niet meer kan nakomen. Ik weet precies wanneer het pensioen binnenkomt. Reinheid, rust en regelmaat, zei ik dit niet al? Die tv had ik beter uit gelaten.
De grootste partij in dit land van de hoogste koedichtheid ter wereld mocht als eerste. De grootste partij heeft ook de grootste schreeuwlelijk. Dat wil zeggen, hij schreeuwde en het was nogal lelijk. Het lukte mij niet inhoudelijk te volgen wat de man allemaal beweerde maar over koeien ging het niet. Hij loeide slechts zelf. Jeumig, wat loeide hij. Dit bracht het oplossen van het stikstofprobleem niet dichterbij.
Uit aardigheid begon ik de drogredenen te turven die ik opmerkte, ongeveer zoals je een voetbalwedstrijd volgt door het aantal contactmomenten met de bal bijhoudt. Deze vergelijking schiet mij te binnen omdat deze politicus voortduren op de man speelde, en niet op de bal. Met voetbal heb ik niets. Maar misschien heeft het ook met de televisie te maken.
Ik turfde: de persoonlijke aanval, een rare oorzaak-gevolgrelatie, idiote vergelijking, overhaaste generalisatie, cirkelredeneringen, ontduiken van bewijslast, vertekenen van andermans standpunt, en vooral onterecht beroep op een kenmerk en het schetsen van valse dilemma’s.
Terwijl ik zo bezig was, en intussen de stapeltjes shirtjes, ondergoed, sokken, hemden en truien steeds hoger werden, bedacht ik dat ik dit televisiefragment zeker aan mijn leerlingen ter analyse had voorgelegd om zich op het eindexamen voor te bereiden. Maar ik hoefde immers niet meer naar school?! Op dát moment gebeurde het.
Hoe ter wereld was het mogelijk dat ik jarenlang leerlingen had bijgebracht hoe je niet mag debatteren terwijl ik daar nu binnen een half uur alleen maar zeer levendige demonstraties van zag? Nu ja, de leerlingen die ik in de klas heb gehad zaten niet in de Tweede Kamer. Maar die gekozen volksvertegenwoordigers die er wel zaten hadden toch ook schoolgegaan?
En afgezien daarvan, iedereen die op een partij als deze heeft gestemd heeft toch ook Nederlands op school gehad? En leren argumenteren?
Heilige schijt, dacht ik terwijl ik mij achterover op bed liet vallen, wat heb ik verkeerd gedaan?
De Friese paarden die gisteren de glazen koets voorttrokken hadden namen. Natuurlijk hebben paarden namen. Die van het Fries Paarden-Stamboek worden zeker tot in de zoveelste graad gedocumenteerd, al hebben we geen idee hoe ze elkaar noemen. Maar de mensen die met hen werken noemen ze: Zelman, Welmer, Coen, Arnoud, Cillian, Valke, Ziert en Xerox. Als een verslaggever dat niet had opgeduikeld uit de website van de Rijksoverheid had ik het niet geweten. Terwijl ik toch heel graag paarden mag zien. Kennelijk wist die verslaggever ook niet waar hij het verder eens over zou kunnen hebben. En hij kon toen ook nog niet weten dat dit de allerenigste keer was op de druilerigste Prinsjesdag ooit dat er iets over de levende natuur gezegd werd. Ik veerde op bij de naam ‘Xerox’. Mij leek dat al een veeg teken.
In de hele troonrede komt het woord ‘natuur’ één keer voor. Het woord ‘klimaat’ twee keer. Dan smokkel ik een beetje want ‘investeringsklimaat’ heeft allicht niks met de natuur te maken. ‘Stikstof’ ook niet direct, al is een teveel daarvan wel de oorzaak dat het met de natuur in dit land zo erbarmelijk gesteld is. Wat wordt daar dan over gemeld? De troonrede roeptoetert ferme taal: “Heel belangrijk is uiteraard dat Nederland van het stikstofslot af gaat, zodat de vergunningverlening weer op gang kan komen”. Daar kijk ik van op. Vraagje: hoe dan? Uit de mond van de koning, zonder met de ogen te knipperen: “Dit voorjaar is een aanzet gegeven met het Startpakket Nederland van het Slot. Het kabinet gaat door met de uitwerking.”
In de namiddag werd de eerstverantwoordelijke onder zijn ministers hierover door een journalist ondervraagd. Zij deed mij nog het meest denken aan een leerling die de deadlines keer op keer heeft overschreden en ook niet helemaal door heeft wat er van een profielwerkstuk wordt gevraagd. ‘We zijn echt al heel lang bezig, hoor meneer! En we hebben al héél veel woorden, kierewiet worden we ervan, het zijn ook zulke moeilijke teksten en we willen alles wel goed doen, hè? Het kopieerapparaat doet ook telkens zo raar. Maar Mona heeft al heel mooie plaatjes voor erbij dus het wordt straks vast een heel mooi werkstuk, dat beloven wij met de hand op mijn blauwe ogen!”
Deze minister heeft ook een naam, een Friese zelfs, maar de natuur draait helemaal niet om de kwestie van dit soort gedocumenteerdheid. Wel een andere: je moet er van op aan kunnen dat de minister de gezaghebbende rapporten over de staat van de natuur en het klimaat heeft gelezen. En kritisch verwerkt. Hadden haar collega-ministers nou echt niet in de gaten dat zij de kluit zat te belazeren? En dat het kopieerapparaat helemaal niet raar deed? Maar dat zij steeds dezelfde malle teksten door dat ding joeg? Mooie plaatjes maken er het broddelwerk niet beter op.
Ter hoogte van ’s konings toespraak dat in deze wereld mensen vaker tegenover elkaar staan, meende ik even dat dit kabinet hand in eigen boezem stak: “Debat en verschil van inzicht horen bij een levende democratie. Maar wat er ook bij hoort, is de bereidheid elkaar over die verschillen heen op een volwassen manier de hand te reiken.” Inderdaad, de Haagse politieke stolp deed de afgelopen tijd wel erg aan een zuurstofarm lokaal vol pubers denken.
In aanloop naar de verkiezingen in oktober hoor je de laatste tijd politici opvallend vaak het woord ‘verantwoordelijkheid’ in de mond nemen. Ze bedoelen dan vooral dat andere partijen die niet nemen (‘maar wij wel’). Zouden ze dan toch Kierkegaard gelezen hebben? De koning moest namelijk de uitspraak voorlezen ‘dat het leven alleen achterwaarts kan worden begrepen maar voorwaarts moet worden geleefd.’ Dat inzicht is gejat van de Deense filosoof. Dat van dat verantwoordelijk zijn voor de keuzes die je moet maken ook. Het klonk en klinkt nu als een vieze stoplap die het bloeden niet zal stelpen.
Er zijn door de club van Hoop, Lef en Trots allerlei geschenken beloofd: koeien in de wei, 130 op de Afsluitdijk, een gehaktbal op de etenstafel. En ook nog een monatoetje. Ik weet heus wel dat je een gegeven paard niet in de bek mag kijken. Maar dat kun je maar beter wel doen.
( . . . en als dan iedereen eindelijk doorheeft dat het sprookje uit is, dat de voorstelling niet om Hoop ging maar om wanhoop, dat Lef alleen maar lafheid maskeerde, en dat er nu geen Trots past maar schaamte,
en als de koning dan eindelijk door heeft dat het programmaboekje dat zijn Eerste Minister hem laat declameren nog het meest lijkt op een doorzichtige reisbrochure van een Droomvlucht van een of ander Sprookjeswonderland en dat zijn uitgedunde hofhouding hem geenszins de goede uitrusting voor deze excursie had bezorgd
en als de koning dan vermoeid van alle enerverende capriolen op deze dolle derde dinsdag in september op de blanke top ener duin maar eens in de spiegel kijkt om te zien in welk pak hij zich heeft laten naaien, en ontdekken moet dat zelfs kleerscheuren er niet af konden want er zijn helemaal geen kleren
dan kan de wind misschien vat krijgen op zijn blote naaktheid. Het helmgras zal hem toewuiven, het zilte van de zee zal zijn neus binnendringen, het geroep van de meeuwen zal zijn oren vullen en zijn ogen zullen knipperen van het wit van de overtrekkende wolken. En de koning zal kunnen vaststellen dat hij niet op de keien is beland maar in het fijne zand en hij zal inzien dat de werkelijke werkelijkheid bestaat uit zand, water en lucht, niets meer en niets minder
En misschien dat de koning dan met een kloppend hart denkt: dat gekke hoedje kan eigenlijk ook wel af . . . )