Daar ik onder de zeespiegel geboren ben moet ik wel een zeemeerman zijn. Ik had het eerder kunnen weten: op het gemeentewapen van de Wieringermeer werd het schuingevierendeelde schild getorst door twee zeemeerminnen. Dat men mij hiervan tot nu toe onkundig hield was geen kwade opzet. Die ik voor mijn ouders hield waren bovenstebeste mensen, misschien wisten ook zij niet beter, op elke mouw werd maar wat gespeld, de burgemeester niet uitgezonderd. Misschien ook was het gêne, al schamen mensen zich tegenwoordig nergens meer voor. Zoiets van: ‘hij moet er zelf maar achter komen’? Ik ben een fabeldier.
Het huis waarin men zei dat ik geboren was bestaat niet meer. Het huis waarin ik opgegroeide zoekt men tevergeefs. Het gebouw waar ik schoolging wordt gesloopt, de zaal waarin ik gymmen leren moest, en over de kast springen, en vogelnestjes maken, bestaat al jaren niet meer. De gemeente is opgeheven en opgegaan ‘in een groter verband.’ Allerwegen heeft men sporen van mijn verblijf gewist. Het landschap van mijn jeugd bestaat alleen nog in mijn hoofd. Traag weven daar de wieren van mijn herinneringen verhaaltjes aan elkaar. Zij wenken. ’s Nachts blaas ik liederen op mijn kinkhoorn. Alleen walvissen verstaan deze.
https://windparkwieringermeer.nl/ ; het ‘park’ werd in 2020 geopend | Foto: Hendrik-Jan Hofs; De opgewekte elektriciteit gaat voornamelijk naar Agriport: glastuinbouw en datacentra
[ . . .]
Toeval of geen toeval, ik bevind mij ter hoogte van Cultuurweg 8 alwaar Sicco Mansholt boerde aleer hij na die andere oorlog geroepen werd tot het ambt van minister van Landbouw en niet veel later dat van Europees commissaris, belast met Landbouw. Aan de overzijde van de A7 glimmen de kassen van Agriport en voorbij de bocht duister en hoog omhekt de koeltorens van het gebouwencomplex van Microsoft als ware het een militair terrein. Overal draaien de wieken van windmolens. Het lijken wel propellers waarmee de aarde door dit heelal wordt gestuwd.
Daarvan moet ik een tik hebben gekregen, want opeens breekt er een maalstroom van verwensingen in mij los terwijl mijn water zich klaterstraalt bij dat van de sloot. Dat ze toch van-hier-en-van-daar niet moeten denken dat ik het als een Don Quijotte tegen hen opneem en dat ik van-zus-en-van-zo een broertje dood heb aan die idealisten met hun onwrikbare gelijk ja ze wrikken wel maar aan de verkeerde hekken en dat ik van-haver-tot-gort geen brood kan bakken van al die gesubsidieerde tarwe en dat die pa-pa-pa-paprika’s en snoepto-to-to-to-tomaatjes nergens naar smaken in elk geval niet naar echte wind en echte zon en echte regen en dat de onwaarschijnlijke hoeveelheden melk gequoteerd of ongequoteerd rechtstreeks verwerkt worden tot melkpoeder ten behoeve van Chinese zuigelingen waarvan er heel veel zijn, miljoenen en miljoenen wat een markt! wat een oppertjoennuttie! terwijl in de supermarkt een uiterst waterig drankje onder de uiterst dubieuze naam ‘weidemelk’ wordt verkocht, nee aangesmeerd alsof het leven van de consument tot dan toe ongezond en moreel hoogst bedenkelijk was en dat lege schilderijlijsten langs de weg met daaronder de tekst Dit landschap wordt u aangeboden door de moderne land- en tuinbouw, is getekend LTO, niet appelleren aan mijn gevoelens van schoonheid maar getuigen van een barbaars cynisme dat wedijvert met dat van Arbeit macht frei ik bedoel, dat in elk geval recht evenredig is met de hoogte van Nederlandse subsidies, of Europese subsidies, heel veel centen in elk geval, die boeren opstrijken als ze een gruttonest laten staan – laat ze die lijsten ergens in steken waar de zon niet schijnt- en dat het mij geen hol interesseert dat ganzen hun weilanden leeg grazen, hadden ze de tafel voor die dieren maar niet moeten dekken met hun Engels raaigras, helemaal uit Rusland komen die dieren gevlogen! en dat het mij ook geen bliksem kan schelen dat die dappere vogels het vliegverkeer van Schiphol hinderen want dat ik geen boodschap heb aan de ondoorgrondelijke argumentatie dat de onbelemmerde groei van onze nationale luchthaven hoogst noodzakelijk is ‘in ons nationaal belang’ en dat daarvoor ‘offers’ gebracht moeten worden en dat diepgravende wetenschappelijke studies van prof. dr. ir. Poëpjes en prof. dr. ir. Windvaantje onomstotelijk aantonen dat aan alle gestelde eisen wordt voldaan – sinds wanneer worden er van overheidswege onderzoeken gedaan waarvan de conclusies van te voren niet al ingefluisterd zijn? – , dat uit het debacle van de Haarlemmermeer niet de bizarre conclusie getrokken moet worden dat Lelystad (!) de oplossing zal bieden voor een probleem dat wij zelf scheppen want we moeten gewoon ophouden ons land te willen ontvluchten omdat we het hier zelf verpest hebben, en dat zolang dit land geregeerd wordt door mensen die het onderscheid niet weten te maken tussen geld en waarde die grutto’s nooit zullen terugkeren, nationale vogel of geen nationale vogel, en dat zolang dat allemaal ‘normaal’ gevonden wordt, ‘normaal’ maar wat is Cultuur nog in dit land? ‘normaal’ door de managers van de b.v. Nederland er geen leeuwerik boven de velden meer zal opstijgen om zijn hemelse lied te zingen en dat ik ‘s nachts gewoon de echte sterren wil kunnen zien in plaats van die heloranje gloed van die kassen en niet de door Windows mogelijk gemaakte schijnwereld van nepsterren, dat dat venster op de wereld van algoritmes mij benauwt en dat ik duchtig zin heb iedereen die mij voorhoudt dit ‘normaal’ te vinden hartgrondig te vervloeken. Boerenbedrog! “Vervloekt zij hij bij dag en vervloekt bij nacht, vervloekt bij zijn liggen en vervloekt bij zijn opstaan, vervloekt bij zijn uitgaan en vervloekt bij zijn ingaan.”
Een politieauto met een zinledig knipperend display STOP houdt stil voor mijn auto en rijdt dan gierend terug tot tegen mijn voorbumper, alsof mij het wegvluchten onmogelijk gemaakt moet worden. Wat is het probleem, mijnheer? In mijn nood improviseer ik dat ik op de Afsluitdijk al last had van die enorme aantallen IJsselmeermuggen maar dat de ruitenwisservloeistof nu op was. Maar ik heb die gelukkig altijd bij mij, in de Wieringermeer komt dat altijd van pas nietwaar? en het is nu weer in orde, agent. De agent ziet aan mijn jasje ook wel dat ik een keurige heer ben. En in het geheel niet dronken. Nog een goede voortzetting van de reis dan. Kijkt u uit bij invoegen?
Agriport, naar het noordoosten gezien | Foto Olaf Kraak/ANP
Tweede datacenter Microsoft langs de A7, naar het noordwesten gezien | Foto Olaf Kraak/ANP
Het paste lang niet allemaal op de foto, d’r is nog veel meer datacenter van Microsoft en van Google. Ga maar kijken, A7 richting Afsluitdijk, Friesland.
Ook moeilijk op de foto te krijgen: alles wat je ziet ligt zo’n vijf meter onder NAP. Hier moet een Hoogspanningsstation komen en omdat die nog gebouwd moet worden kon Olaf Kraak die natuurlijk niet fotograferen. Ja, hij had Microsoft of Google kunnen vragen daar met AI eens een leuke impressie van te maken. Dat kunnen ze daar heus wel hoor! Lévensecht, alsof dat ding er al eeuwen staat. Je denkt dan net dat dát de echte werkelijkheid is. Had hij niet uit die kouwe helikopter hoeven hangen om plaatjes te schieten die geen enkele mens interesseren.
Ook niet op de foto, ik ga nu maar even door:
De beteuterde bevolking van de Wieringermeer die zich door gladde praatjes van Amerikaanse techbedrijven heeft laten voorspiegelen dat het goed was voor de werkgelegenheid als die centra dáár kwamen
De goedgelovige plaatselijke politici die zich voor dat karretje lieten spannen
De kwaadgelovige plaatselijke politici die een kans zagen er zelf beter van te worden
De actieclub Red de Wieringermeer die daar heel anders over dacht
Jan Meijles
Nou moet ik maar stoppen want ik ken Jan Meijles, ik heb met hem schoolgegaan. Of nee, dat was zijn broer Johan. Het wordt nu dus persoonlijk en dan heb je het debat eigenlijk al verloren.
O, zaten we in een debat? Nou ja, ’t moet er op lijken. Er worden procedures gevolgd. Belanghebbenden mogen ‘inspreken’. En telkens als er een stapje gezet is in het hele proces stijgt de hoogte van de besluitvorming. Op die manier kom je vanzelf boven NAP en dan is alle gevaar geweken.
Vandaag belandt het zogenaamde ‘regioadvies’ van de provincie Noord-Holland op het bureau of in de tas van de minister die over Klimaat en Groene Groei gaat. Heeft die ook wat te doen de komende kerstdagen. Ik zie haar nu al na de vakantie heel ernstig in de camera’s kijken, bekommerd is het woord, en uitleggen hoe moeilijk de besluitvorming was. ‘Het kan niet anders, ziet u?’ En: ‘In het landsbelang is er besloten . . .’
Nee, het was heus niet alleen haar collega-minister van Landbouw die moeite had de kerstkransjes weg te slikken. Maar goed, dan wordt het persoonlijk en dat is geenszins de bedoeling als je zo’n hoog ambt bekleedt. Alles moet zorgvuldig worden gewikt en gewogen. Bijna betraand zal zij haar besluit meedelen. En dat zal verrassend nauwkeurig lijken op het partijbelang, dat de economische groei van haar leden voor hetzelfde houdt als gezond voor iedereen. Leve de democratie. Hoezee voor de vrijheid.
Nee, ’t wordt niks vandaag. Ik word maar sikkeneurig en cynisch. Dat mag best van mezelf maar dat kan ik maar beter in m’n eentje doen. Zal ik vanmorgen Jan eens bellen?
Het woord van het jaar is: hallucineren. Zegt Van Dale. Nou ja, zegt de redactie van Van Dale. Nou ja, toont een filmpje dat in opdracht van de redactie door AI gemaakt is. ‘Deze beelden en audio zijn gegenereerd met AI,’ staat er onder in beeld. ‘Het woord dat 2025 weerspiegelt,’ zegt de voice-over. Die stem boezemt het vertrouwen in van een journalist die weet waarover hij het heeft, laten we zeggen Bram Vermeulen. In beeld verschijnt ook de online woorduitleg van Van Dale op een schermpje: (gezegd van taalmodellen: “informatie verstrekken die niet op (betrouwbare) data gebaseerd is en die daarom onnauwkeurig of volstrekt onjuist is.”). Dit alles bij elkaar roept een paradox op die al een tijdje bekend is: AI-beweringen hallucineren altijd.
Over AI wordt veel beweerd. De mogelijke zegenrijkheid van deze technologie zal ik niet betwisten maar over het vraagstuk of AI de menselijke geest voorbij zal streven overvalt mij deze vrees: niet AI wordt slimmer, maar AI maakt de mens dommer.
Ik dacht niet ogenblikkelijk aan Epimenides. Ik dacht meteen aan Donald J. Trump: ‘I am the greatest president ever.’ Het gaat er niet om of je dit soort uitspraken uit het fonkelende spiegelpaleis formeel logisch kunt ontrafelen en de spreker kunt ontmaskeren als een malloot. Maar je moet er wel iets mee.
Terug naar mijn wereld. Het boek over de ijsvogel heb ik jammer genoeg uit en voorlopig zal ik er maar over op houden. Dit wil nog wel gezegd zijn: het is mij indertijd ontgaan dat Jean-Pierre Geelen in 2015 nog ferme pleidooien heeft gehouden voor de ijsvogel bij de verkiezing van nationale vogel van Nederland. Ik had toen denkelijk heel andere dingen aan mijn hoofd en het zat mij wel goed dat het de grutto geworden is. Nu heb ik andere inzichten.
Dat Geelen in zijn pleitrede Willem van Oranje als argument naar voren schuift leunt naar mijn gevoelen te zeer op valse nationalistische sentimenten. Ook het argument dat de ijsvogel jarenlang een bankbiljet heeft gesierd, het blauwe tienguldenbiljet, vind ik nogal oneigenlijk. Een ijsvogel kost geen tien guldens. Ook geen euro’s of dollars, de waarde van die dingen is volatiel als de beurs. Geef mij maar een vliegende vogel. En verder, door de stijgende temperaturen zal de ijsvogel als soort zeker voortbestaan. Gelet op het criterium we moeten die vogel de winter door helpen komt het ook heus wel goed.
Met de grutto ligt dat anders. Die heeft niet meteen last van het klimaat maar wel van een minister die de boeren maar naar willekeur aan laat rotzooien met het waterpeil. En met nog veel meer. Dáárdoor verkommeren de gruttokuikens en dáárdoor wordt de grutto als soort wel bedreigd. Het Aanvalsplan Grutto was vanaf de start kansloos.
Nog weer een andere vraag is of dat erg is. Natuurlijk is dat erg maar eerlijk is eerlijk, het succes van de grutto vanaf de jaren ’70 was vooral te danken aan een landbouwbeleid dat toen toevallig ingezet werd.
Ik kom er niet uit. Zouden ze daar op Landgoed De Zwaluwenberg (!) bij het haardvuur ook het spelletje gedaan hebben wat hun bijzonderste vogel is? En zouden zij er ook niet uit gekomen zijn? En toen maar besloten hebben dat alle vogels bijzonder zijn? Of zit ik nu te hallucineren?
Wat heeft de ijsvogel op zijn bordje? Visjes natuurlijk, formaat stekelbaars. Ook wel insecten om de jongen te voeren maar toch voornamelijk visjes van gemiddeld 54 millimeter lang. Ongeveer één visje per uur. Dan is er een probleem als het flink vriest. In de aantallen ijsvogels kun je zo terugzien wanneer de slootjes langer dan een dag of drie, vier toegevroren waren. SOVON houdt dat bij. In 2018 haalden veel ijsvogels de lente niet. Eén van de verklaringen voor die wonderlijke foto van die ijsvogel die in volle vlucht in het ijs bij Oostzaan lijkt te zijn vastgevroren, is dat hij door de honger al uitgeput was. Hij kon gewoon niet meer bovenkomen. In strenge winters overleeft soms hooguit slechts 10 %.
En nu het bordje met daarop een ijsvogel, hoe komt die daar terecht? Ik stel mij zo voor dat de huidige koning van dit koninkrijk tijdens een staatsbanket tegen zijn tafelgenoten opmerkt dat we weliswaar in moeilijke tijden leven maar dat de grondlegger van het Koninkrijk der Nederlanden, die ook gekend wordt als de Vader des Vaderlands, Willem van Oranje dus (1533-1584), naar wie hij ook vernoemd is, het ook niet makkelijk had. En dat – ie dan wijst naar het ijsvogeltje op z’n bordje. ‘Je niet gek laten maken, hè? En altijd weer boven komen. ‘Saevis tranquillus in undis’, zei die altijd, nou dan weet je het wel.’ Nou, dan weten zijn disgenoten het wel.
Het ‘Oranje – Blanje – Bleu’ kan nog wel uitgelegd, zelfs op een Delft Blauw servies. ‘Kijk, deze heeft zijn visje al op en zit nu op de oranjebloesems uit te puffen. Zo heet ik hè? Van Oranje. Tel dat nou -es op bij het blauw en het wit . . . en daar hebben we de prinsenvlag!’ Hoe het komt dat dat oranje dan in 1653 of daaromtrent weer moest wijken voor rood is een moeilijker verhaal, waarvan ik niet helemaal zeker ben of de koning zich daar uit weet te redden.
Dat ijsvogeltje kwettert natuurlijk geen Latijn, de disgenoten vermoedelijk ook niet zo goed, dus dat behoeft vertaling: Rustig temidden van woelige baren (golven). De koning wist het zeker want toen hij de hermelijnen mantel van zijn moeder overnam had hij het opgezocht. ‘Mijn moeder,’ zei die toen hij het koningschap aanvaardde ‘bleef altijd zo rustig, net een ijsvogel.’ En toen die spreuk.
‘Hè?! merken de gasten op, een ijsvogel op zee? En net zat -ie nog tussen de sinaasappels?!’ Heeft de koning op school ook Grieks gehad? Of kent hij op z’n minst de mythe van Alcyone, de dochter van de god der winden Aeolus? Nou ja, ze hebben daar aan tafel genoeg om over te praten.
In de 16e eeuw kwam het er niet zo op aan. Hadden de oude Grieken beweerd dat een ijsvogel het nest op zee maakt? Dan was dat zo. Willem van Oranje moet dat ook gedacht hebben en het kwam goed uit dat de kleurstelling van het vogeltje net overeenkwam met de vlag die hij in z’n kop had om de legertjes aan te voeren waarmee hij de Spaanse troepen de stuipen op het lijf wilde jagen. Wat in de kop zat, zat niet in de kont. In Den Briel lukte dat, Filips de Tweede sidderde. En hij maar rustig blijven.
Pas in de 17e eeuw ontstaat er iets van wat je een zuiver ornithologische belangstelling kunt noemen. Maar de wetenschappelijke naam die Linnaeus in 1758 voor de ijsvogel bedenkt, Alcedo Atthis, berust nog op de mythe. Veel uitleg van de geschiedenis trouwens ook. Dat een ijsvogel ongeveer één visje per uur verschalkt weten we nog maar sinds heel kort. (Geelen/Van Loenen , De IJsvogel (2025), De menukaart, p. 137 e.v.). Waarom sommige lieden de prinsenvlag weer hijsen, of meevoeren tijdens hun bezigheden, weten we dan weer niet.
Dwalend over de schor bij Wieringen vond ik ooit eens dit stukje hout. Geen mens weet hoe lang het er al lag, waarvandaan het aangespoeld kwam. Maar voor mij was het een vogel. Een ijsvogel, besliste ik. Dat zag ik meteen want die had ik in die dagen juist voor het eerst gezien. In het Robbenoordbos was dat, vlak achter gemaal Leemans. Het was in het najaar, bladeren knisperden al onder mijn voeten toen ik afdaalde naar de waterkant. Een kobaltblauwe schicht kwam daar dwars door mijn hart gevlogen.
Ik sjouw het beeldje (want dat is het) nu al meer dan dertig jaar mee en telkens staat het ergens in de buurt van mijn schrijftafel. Hij slaat gade vanaf een nauw albasten vaasje. Dat is zijn tak. Dat vaasje is ook ooit gevonden, op een andere plaats en in een heel andere tijd maar die twee horen nu bij elkaar. Vanaf zijn plek houdt hij mij in de peiling. Het kan ook een zij zijn.
Een ijsvogel zeg je? En dat adembenemende blauw dan? Het oranje van zijn buik? Zijn snavel als een dolk? De streep van witte veertjes naar zijn nek?
Uit welk deel van de boom het stuk komt valt niet te zeggen. Evenmin van welke boom: een wilg? Het kan heel goed uit de kruin van knotwilg komen. Soms denk ik olijf, er zit een glanzend stuk in, maar olijven zie je niet zo in onze streken en daarvoor is het hout ook te zacht. Er zitten spannende draaiingen in, hij kijkt om de hoek, wendt alert de kop om te luisteren wat er is, om te zien waar het onheil huist. Maar kleuren? Zelfs vleugels heeft hij niet. Als het dan toch ergens op moet lijken, zegt de vogelaar, een draaihals misschien? Geen denken aan, die is niet door mijn hart gevlogen.
Het is een reusachtige fantasie. Een vlucht van de verbeelding. En nee, vliegen zal hij nooit. Bij alle verhuizingen moest ik ‘m voorzichtig inpakken. Ik kan tegenwerpen dat ik opgezette vogels maar niks vind en mensen die zoiets in hun werkkamer zetten maar sneu. Over hertengeweien in de hall zal ik niet eens beginnen. Maar ik hoef mij niet te verdedigen. En overigens weet ik het zeker: dit is vermoedelijk de oudste ijsvogel ooit. Ik schat een eeuw of elf. Deze zag nog Vikingschepen naderen. Maar het kunnen ook gemakkelijk millennia zijn.
Geelen en Van Loenen sommen in De IJsvogel (2025) alles op wat ze over ijsvogels te weten zijn gekomen en wie zelf nog nooit de eer heeft gehad er een te zien moet beslist in dat boek gaan kijken. Want in de vrije natuur lukt dat niet zo gauw. Vrijmoedig verhalen de echtelieden hoe vaak dat wel niet mislukte. En waarom. Ze zijn vogelaar geworden bijna tegen wil en dank. “Het moet er maar eens uit: ook ik ben vogelaar. Niet iets om trots op te zijn. ‘Als je ooit zo wordt, ga ik bij je weg,’ dreigde mijn vrouw eens, wijzend naar de televisie die een vijftiger toonde met een gezicht als de kop van een kalkoen. Met ringbaardje, kaplaarzen en geblokte wollen trui stond hij door een verrekijker te turen naar een vogel in de verte.” schreef Geelen al in Blinde vink; hoe ik leerde vogels kijken (Atlas, 2009). Geelen is vóór al journalist, net als zijn vrouw. Die vragen wat ze niet weten gewoon aan mensen die dat wel doen.
Fred Haaijen bijvoorbeeld. Die was tot aan zijn pensionering stadsecoloog, nota bene hier in Amsterdam-Noord. Dat ook hier ijsvogels zitten had ik wel gedacht, al heb ik er nog nooit een gezien. Ik zocht ook niet. De plekken die Geelen en Van Loenen met Haaijen afgaan ken ik allemaal. ’t Is om de hoek. Als je werkelijk iets zoekt is het altijd om de hoek.
Ongeduldig wachtte ik meer dan een week op een seintje van mijn boekhandelaar. Gisteren kon ik het ophalen: De IJsvogel van Jean-Pierre Geelen en Saskia van Loenen. Ik had net misgegrepen bij het verschijnen van het boek en moest wachten op een tweede druk. Nu is Geelen wel een bekend en aanstekelijke natuurcolumnist (maar welk volk leest de Volkskrant nog?) en de Vogelreeks van Atlas/Contact niet te volprijzen maar toch, binnen een maand al een herdruk? Van een vogelboek?
Vermoedelijk geldt het voor iedere vogel die je voor het eerst écht in het vrije veld ziet maar voor de ijsvogel toch het meest: dat je je precies herinnert wanneer je die voor het eerst zag. Ik vroeg het mijn vrouw en zij wist ook nog nauwkeurig en waar en wanneer wij voor het eerst samen die schicht hadden gezien.
Het echtpaar Geelen/Van Loenen begint hun boek daar ook mee en er verder doorheen bladerend kwam ik ook ander bekends tegen. De IJsvogel is misschien de meest persoonlijke monografie uit de vogelreeks en ik voel mijn nieuwsgierigheid groeien naar hoe zij dat hebben beleefd. Dat is de paradox van een volstrekt unieke beleving waarvan je weet dat anderen die ook kennen. En die je dus op geheimzinnige wijze toch kunt delen. Het lijkt wel alsof je samen tot een of ander genootschap behoort waarover je het beste maar kunt zwijgen.
Het merkwaardige is dat als je naar een ijsvogel op zoek gaat je hem zelden vindt. Maar als je er niet op bedacht bent dan kan hij jou treffen.
p.s.
Geenen en Van Loenen vertellen ook het verhaal van de foto van die ijsvogel die in 2018 de hele wereld over ging. Voor Christoph van Ingen (13) was het ook de eerste keer, en dan meteen zoiets! Toch vermoed ik dat deze Christoph zich later vooral alle media-heisa herinnert. En Playstation 4. Want die kreeg-ie van de directeur van het Natuurhistorisch Museum, Kees Moeliker. Daar wilden ze hem graag hebben voor de tentoonstelling ‘Dode dieren met een verhaal’. Die ijsvogel hebben ze nog een jaar in bevroren toestand aan het publiek kunnen laten zien. Daarna werd het ijs te dof. Ze hebben toen die vogel nog opgezet. Je ijst ervan.
Foto: Christoph van Ingen, Oostzaan, maart 2018
p.p.s.
Ik probeerde met de haiku iets levends te vangen, al weet ik natuurlijk dat het niet kan. In een herinnering blik je terug: díe keer, die flits. Je kijkt om. Het moment zelf, dat lévende moment, kun je niet terughalen. Als dat het goud is, is de haiku zilver. Je moet het zwijgen.
Beeld: Maarten Baas, Real Times, te zien in lounge 2 op Schiphol
Het kan met de vorderende leeftijd te maken hebben dat er gisteren weer een oude herinnering kwam bovendrijven. Twee in één week? Over hoeveel ijdelheid moet een mens beschikken om eigen ervaring voor wijsheid door te laten gaan? Hmm, nee heus, ik weet nog welke dag het vandaag is en ik kan ook nog een klok tekenen.
Ik ben geboren en getogen in de Wieringermeer. Dit moest zo zijn. Op leeftijd gerakend zie ik duidelijk in wat dit met mij gedaan heeft. Het tekende mij. Mijn rechtlijnigheid spruit voort uit het kiemplan van de minuscule bietenzaadjes die, op regels gezet, door mij als scholier met de schoffel ‘gedund’ moesten worden. Mijn Sturm und Drang uit de afwezigheid van culturele afleiding van enige betekenis. Mijn getormenteerdheid komt voort uit de complementariteit van die twee eigenschappen. We schrijven ergens rond 1970 en DDT was nog niet verboden. Zelfs vogels floten daar niet. De bietenakkers waren lang.
Naar school kwam iedereen met de fiets. Ik had een opa-fiets, zo een met een hoog stuur. Ooit had er een carbidlamp op gezeten. Die fiets was werkelijk van mijn opa geweest: ik had ‘m geërfd nadat hij bij ons thuis overleed. Met die fiets ging ik dus naar school.
Nu wilde het andere geval dat alle klasgenoten bij het bereiken der zestienjarige leeftijd een brommer wilden. Ik niet, ik had mijn fiets. Joost was de eerste. Ik noem hem Joost maar hij heette heel anders. Hij woont nog steeds op het bedrijf dat hij van zijn vader overnam toen ik ging studeren. Ik kom daar nog wel eens en zou niet graag met een van zijn vervaarlijke landbouwmachines in aanraking komen. Als ik ‘m Joost noem is dat voorzichtigheidshalve, niet vanwege mijn stuurkunst.
Op zijn verjaardag kwam Joost dus met zijn brommer naar school. Het merk weet ik niet. Dat deed er erg toe, dát wist ik wel, maar ik vond gewoon alle brommers ondingen. Bovendien had Joost het ding opgevoerd. Zijn vader had aardigheid in techniek en vooruitgang en die laste en sleutelde zelf nieuwe machines in elkaar. Nog voor hij er de openbare weg mee op mocht had Joost het kreng al helemaal naar zijn zin afgericht. Het knetterde als een oordeel en rookte alsof dat het laatste was.
Nu de herinnering.
Joost staat breed arm gebarend tegen het fietsenhok. De brommer staat glimmend naast dat hok. Joost z’n armen zijn lang en zijn gebaren zijn groot, z’n stem ook. Veel te zeggen heeft hij niet maar het is hard. Alle jongens kijken naar zijn brommer. ‘Veel groter!’ klinkt het nu luid en zeer verstaanbaar in mijn innerlijk oor. ‘Veel groter!’ En dan kijkt mij opeens aan met zijn donkerbruine ogen. ‘Maar daar begrijp jij niks van.’ De herinnering is lucide. En geen droom.
’t Was waar. Woord voor woord. Ik begreep er niets van. Door de jaren heen breidde zijn bedrijf zich uit. Dat kon ik zien aan de met naam bedrukte kisten die overal in die hoek van de polder opdoken. En aan de vrachtwagens die ook op andere erven zijn product op kwamen halen. Het was maar één product, het waren geen bieten, en wat waren er veel vrachtwagens voor nodig. Colonnes.
Mijn moeite met de huidige plannen van de minister van Landbouw en andere Lobby’s lijkt dus al in mijn jeugd te zijn aangekondigd. Zo dit zo is dan weerspreekt dit het volkse inzicht dat wijsheid met de jaren komt.
Beeld:: Links: Maarten Baas, Real Time Grandfather Clock – The Father, 2019 Rechts: Maarten Baas, Real Time Grandfather Clock – The Son, 2022 Foto’s: Courtesy of Carpenters Workshop Gallery