
Wind onder veren –
een mantelmeeuw tornt voorbij
veren op de wind

Wind onder veren –
een mantelmeeuw tornt voorbij
veren op de wind

Beeld: Caroline Lichthart
N I E T S C A D E A U
Niets cadeau gekregen, alles te leen.
Tot over mijn oren in de schulden
zal ik met mezelf
voor mezelf moeten betalen,
mijn leven voor mijn leven geven.
Het is nu eenmaal zo geregeld
dat het hart terug moet
en de lever terug moet
en elke vinger afzonderlijk.
Te laat om het contract te verbreken.
De schulden moeten worden geïnd,
het vel over de oren gehaald.
Op de wereld loop ik rond
in de menigte van andere schuldenaren.
Sommigen zijn verplicht
hun vleugels af te betalen.
Anderen moeten of ze willen of niet
hun blaadjes afrekenen.
Aan de debetzijde
staat elk weefsel in ons.
Geen wimpertje, geen steeltje
mogen we voorgoed behouden.
De lijst is uitputtend
en het ziet er naar uit
dat we niet zullen overhouden.
Ik kan me niet herinneren
waar, wanneer en waarom
ik zo’n rekening heb laten openen.
Het protest daartegen
noemen we de ziel.
En dat is het enige
wat niet op de lijst staat.
Wisława Szymborska, Einde en begin, 1993

De foto toont het horloge van Nikawa Kengo 二川謙吾, destijds 59 jaar oud, dat stil is blijven staan op het moment dat geschiedenis geschreven werd, Hiroshima, 6 augustus 1945. Nikawa stierf zestien dagen later aan zijn brandwonden
Voor mijn tiende verjaardag had ik een horloge gekregen, vermoedelijk een oude van mijn vader. Of ik dat met trots in de klas showde, herinner ik mij niet, wel dat ik telkens maar naar mijn pols moest kijken: hoe lang duurt een minuut? Een uur?
In een flits drong het tot mij door dat het moment ‘nu’ nooit te betrappen was: als je het maar uitsprak waren de wijzers al weer verder. Het was bij meester Tjoelker, de vierde klas, ik zat links achterin, alleen, bij het raam. En ik zie weer die gebroken witte wijzerplaat, het chroom, het bruine craquelé bandje. Ik hoor het tikken. Wanneer is het nu?
Wat mensen er ook over mogen beweren, de tijd is een groot mysterie. Er kwamen meer momenten in mijn leven met eenzelfde overrompelende helderheid. Als ik die samenvoeg kunnen ze makkelijk in een luciferdoosje, al zijn honderd bibliotheken in alle talen van de wereld ontoereikend om die maar bij benadering te beschrijven. Ze vormen een universum van alles en vooral van allen waarom en om wie het echt gaat in mijn leven. De rest is theater, een niet zo erg goede film.
Vandaag wordt herdacht dat Amerika met de atoombom op Hiroshima, op 6 augustus 1945, precies om 8.15 uur de wederstrevende Japanners tot capitulatie wilde dwingen. De rest is geschiedenis. We zitten er midden in.
Ik heb lang gedacht dat de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog, dat ‘Auschwitz’, dat Hiroshima, dat Nagasaki een absoluut moreel ijkpunt voor de mensheid zou zijn. Nooit meer oorlog! Wat een dwaasheid. Kijk naar wat er in Gaza gebeurt. Of in Oekraïne. Zo’n ijkpunt is in geen taal der wereld aanwijsbaar, net zo min als het moment nu.
Nie wieder Krieg!
二度と戦争を起こさない
никогда больше войны
לעולם לא עוד מלחמה
لن نعود للحرب مرة أخرى
. . .
Enzoverder, enzovoorts, alle talen van de wereld.
Ik weet maar één taal waarin dat kan.

In de zomer houdt Parkzicht I traditiegetrouw een ‘flatborrel’. Voor de gezelligheid natuurlijk, al weet ik me bij dat begrip nooit goed raad. Hoofddoel is dat we elkaar niet anoniem voorbijlopen. Of misschien ook wel omdat we dan makkelijker bij elkaar kunnen aankloppen als water of stroom mochten haperen. Of wijzelf. Of als de supermarkt ten gevolge van de waterstand onbereikbaar is. Je weet het maar nooit in deze tijden.
Nu sprak ik bij de laatste editie een man die ik wel van gezicht maar niet van zijn binnenwereld kende. De kennismaking was verrassend. Nu hij gepensioneerd was, vertrouwde hij mij toe, kwam hij eindelijk toe aan waartoe hij hier op aarde was, namelijk te bewijzen dat alle filosofie onzin is. Hij was druk doende daarover een boek te schrijven. Het vorderde, zeker, er zat schot in. En als hij nu maar . . . Zeker.
De man onthulde in zijn jongelingsjaren filosofie gestudeerd te hebben en voor ik er erg in had moest ik antwoorden of ik wel eens van deze filosoof had gehoord die ‘zus’ had beweerd of gene filosoof die daar dan weer ‘zo’ tegenin had gebracht. Dat met die binnenwereld laat nog wel even op zich wachten, dacht ik spoedig en ik verlangde al naar de hapjes die mijn vrouw liefdevol met een bevriende flatgenote voor ons allen had klaargemaakt. Nu waren die uit zichzelf al wel koud, maar toch.
Ik dacht aan dit gesprek terug toen ik dezer dagen over een debat las tussen Bas Haring en Hans Achterhuis. Beide zijn filosoof van beroep. De een vindt het helemaal niet erg dat er af en toe een dier uitsterft, de panda of zo, de ander probeert daar dan iets tegenin te brengen, de mens of zo. Het was iets met ‘overleven’ en met ‘wonen’, lispelde mijn herinnering. Ook leek het mij opeens belangwekkend dat de ene opponent een achternaam draagt uit het levende dierenrijk en de andere uit de versteende woonsector. Vanmorgen probeerde ik het terug te vinden voor de precieze argumentatie maar het risico dat ik dan weer in mijn prullenbak verdwaal achtte ik te groot. Filosofen hebben het weliswaar zwaar, vooral in deze benarde tijden, maar het lot van een dichter is ook niet altijd te benijden, hoor.
De man van het boek dat nog niet af was, had een ongewone naam. Die was afgeleid uit het Sanskriet, vertelde hij niet zonder trots, al wist hij niet te vertellen wat die naam dan betekende. Het ontschiet me even waarom zijn ouders hem met die naam bedeelden. Nu leek het hem aardig dat als hij zijn boek zou publiceren, want de wereld moest dit toch weten nietwaar? dat zijn naam dan in het Sanskriet op de omslag zou prijken. Of ik mogelijkheid zag. Die mogelijkheid zag ik niet. Wel zag ik de bui hangen dat ook Oosterse filosofen nog een hapje wilden mee-eten. En dat de schotels op de tafels verontrustend snel leger werden. Nadat ook wij onze bordjes hadden opgeschept was een vervolggesprek opeens minder urgent.
‘Ik zou jou wel missen hoor,’ merkte mijn vrouw op naar aanleiding van mijn bespiegeling van gisteren over de eidereenden. Dat was heel erg lief maar tot de bedreigde diersoorten reken ik mijzelf niet. Ook is het nog geenszins wetenschappelijk bewezen dat ik sterfelijk ben. ‘Op welk nummer woont die man met wie ik bij de flatborrel zo geanimeerd heb gesproken?’ vroeg ik maar, om mijn verlegenheid te verbergen. ‘Ergens op de negende, maar hoezo?’ Mijn vrouw kent mijn vrees voor grote hoogten. En ze weet dat ik niet zomaar afstap op iemand die ik niet goed ken. Maar ja, moet alles soms een reden hebben?

Paartje eiders | beeld Birdphoto
Onder de wolken
boven zee: eidereenden
op weg naar elders
_____
Opm.
Toen er in januari op Texel zomaar een zeldzame brileider opdook kwamen er horden mensen op af. Die hoorde thuis in Oost-Siberië, of Alaska. Dat was me dus wat. De horden zijn vertrokken. Wat het lot is van die ene eider weet ik niet.
Voor eidereenden moet je naar de Waddeneilanden. Als je weet hoe die eruit ziet herken je hem meteen. Als je weet hoe hij klinkt ook. Zijn baltsroep houdt het midden tussen een houtduif in vervoering en het ge-oehoe van een bosuil in verwondering. Of een mens die dat nadoet. Maar dan moet het april zijn, de jongen zijn nu al vliegvlug. De Wadden vormen hun zuidelijkste broedgebied.
Om hem te zien heb je wel een kijker nodig: ze foerageren op de mosselbanken die onder water staan. Krabbetjes eten ze ook. En ze hebben een pest aan verstoring.
Na het verbod op de kokkelvisserij leek het wat beter te gaan met hun aantallen. Maar die lopen nu toch weer terug. Wordt het hen hier te warm?
Eiders protesteren niet. Ze vertrekken, stilletjes. Het Wad zal nog stiller worden zonder hen.
Wat moet je, eidereend zijnde, allemaal uit de kast halen om op te vallen? Wanneer word je gemist?

J. C. van Schagen, Zelfportret (1946)
Ik wilde vanmorgen nog wel even doorgaan met mijn lied over de regen. Maar ’t gaat niet, de zon schijnt volop. In het hele blauwe hemelgewelf is geen wolkje te bekennen. En toen ik vanmorgen op het balkon mijn koffie dronk hoorde ik overal de duiven luidruchtig koeren van minnelust. Dat gaat het hele jaar door. Een zat op een tak in de esdoorn waar de zon net bij kon te roepen dat hij het mooiste plekje had. Je kon zijn veertjes tellen. De wind streelde die zachtjes en je kon bijna zien dat de wind daar pret in had.
Met die Gay Pride Canal Parade is het gisteren ook allemaal goed gegaan, las ik in de krant. Nu ja, ’t viel niet in het water en ‘er waren geen incidenten’. Pfff . . . Dat neemt niet weg dat die hele manifestatie, met al die honderdduizenden op al die bootjes door de grachten een schandvlek voor de samenleving is: niet voor die mensen, allicht niet en de hemelbewaarme, maar voor al die lui die niet willen hebben dat die mensen zijn wie zij zijn.
Wat mankeert mij toch, dacht ik toen ik mijn koffiebeker bijschonk, dat ik aan zo’n feestelijke dag toch nog iets lelijks ontwaar? Ik bladerde door mijn bundeltje Narrenwijsheid dat ik speciaal uit de kast had genomen. J. C. van Schagen opent die bundel met een lofzang op de regen en die had ik wel weer helemaal over willen schrijven. En aanvullen. Met nog meer druppels. Maar het zonlicht bereikte inmiddels door het zijraam ook mijn schrijftafel, en scheen op dat bundeltje, dat door de gele omslag nog meer zon reflecteerde. De duiven koerden.
En ik denk aan die dag dat ik dat bundeltje kocht, ik zal zeventien geweest zijn. En hoe die poëzie mij mijn hele leven heeft begeleid. Hoe ik aan al die buitenissige boekjes met onmogelijke formaten was gekomen. Aan die keer dat ik Van Schagen had opgezocht, in zijn appartement aan de IJssel. Hij woonde ook in Domburg maar in de winter toch het liefst in Deventer. Het regende toen een beetje, niet veel maar toch. De overkant van de IJssel werd wazig. En hoe ik hem bedankte voor die poëzie en voor al het andere dat hij daarna nog had gemaakt. Niet lang daarna overleed hij, 93 was hij toen, zo oud zou mijn moeder worden. Nee, er was geen oorzakelijk verband, het was gewoon tijd.
En ik denk eraan dat er precies honderd jaar is verstreken nadat dat bundeltje is verschenen. Een eeuw! Een ogenblik.
En ik herlees:
Niets is dat niet goddelijk is
daarom wil ik niets uitzonderen
ik geef geen namen
ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
recht, ik blijf niet staan bij slecht en lelijk
goed en deugdzaam gaan mij niet aan
[ . . . ]
zo regent de regen
daarom geef ik geen namen
ik ga maar en ben
J. C. van Schagen, Narrenwijsheid, 1925

Giotto (1266-1337): De prediking tot de vogels door Franciscus (1181-1226)
In het mystieke Zonnelied dat Franciscus van Assisi niet lang voor zijn dood schreef komt een strofe voor die mij erg verwonderde toen ik die voor het eerst las.
Wees geloofd, mijn heer, door broeder wind
en door de lucht en de wolken,
door het heldere en elk ander weer:
door hen houdt gij uw schepselen in stand
(Vertaling Eloi Leclerc, Symbolen van de godservaring; Een analyse van het ‘Zonnelied’ van Franciscus. Haarlem 1970).
Ik ben niet katholiek opgegroeid maar de wind ervaren als je broer begreep ik onmiddellijk. De zon, maan en sterren, het water en het vuur, de aarde als broers en zussen zien: in dat gezin zat ik graag aan tafel.
Mijn verwondering betrof de regel ‘het heldere en elk ander weer’. Zoveel wist ik er dan wel van dat Franciscus aandrong op wereldse armoede en grote nederigheid en dat de monniken van de orde die hij stichtte maar bedelend aan de kost moesten zien te komen. Dat zal bij regen en ontij tot nog wel een beetje meer nederigheid moeten hebben gestemd, dacht ik. Je hebt het niet altijd voor het zeggen, zoiets. En ik stelde me voor hoe Franciscus in een koud en vochtig klooster afwachtte wat mi signore met hem voor had. Naar verluidt waren toen aan zijn beide handen, voeten en in zijn zij vreemde tekenen verschenen, de zogenaamde stigmata. Maar er worden wel meer vreemde dingen over Franciscus verteld, dat hij tot de vogels preekte bijvoorbeeld. De fresco die Giotto daar in de kerk van Assisi van maakte kan onmogelijk op eigen waarneming berusten. Zo’n picturaal beeld gaat z’n eigen leven leiden, al acht eeuwen lang.
In het vroeg Italiaans van zijn tijd (1225) staat er ‘et per aere et nubilo et sereno et onne tempo’. Hoe vertaal je onne tempo / omne tempo? Wat bedoelde Franciscus?
Nu eens schijnt de zon, dan weer is er regen. De seizoenen komen en gaan, het leven vliedt, een rimpeling tussen geboortekreet en stervenszucht. Cum grande humilitate roept Franciscus op alle leven te eren. Maak je niet druk om een beetje regen.
Een schriftgeleerde uitleg laat ik graag aan de schriftgeleerden die hun schriftgeleerd gelijk willen halen. Ook over hen regent de regen. Mijn venster uitkijkend zie ik de regen loodrecht naar beneden komen. Het regent kringen in het water langs het huis. Die vormen weer grotere kringen. Het water stroomt onder de wilgen, die lankmoedig hun takken eroverheen strekken, langs het riet, naar het IJ toe. Naar de grachten waar vandaag de Canal Parade zal worden gehouden. Over alles en allen zal de regen regenen. En het is een lied.

Het stoepje vegend
vergeet hij gewoon het vuil –
en ook de bezem
_____
Opm.
De foto maakte ik ergens in het noorden van Portugal, toen we daar vorig jaar rondzwierven, het zal iets later in de tijd geweest zijn. Overdag was het was nazomers warm maar de bomen lieten al blad los. Het strijklicht. Het geduld. Het verglijden. Het loslaten. Nergens is het najaar zó om je heen dan daar, deze tijd. Portugal: saudade.
Ik moest er aan denken toen ik vanmorgen vroeg de regen loodrecht naar beneden zag vallen. De nazomer moet hier nog beginnen maar de kastanjes kleuren al, zag ik deze week. Straks liggen de vruchten weer tussen de gevallen bladeren te glimmen. Af en toe is al iets van herfst te proeven, de dynamiek van de wolkenluchten, het zoeken van de wind, de ongedurigheid. Het park is stiller en stiller aan het worden: veel vogels zijn in de rui en houden zich gedeisd. Andere zijn hun reis naar het zuiden al begonnen. En er kunnen nog zat zomerse dagen komen.
Wat was er eerder: het beeld of het idee voor de haiku? Een vergelijkbaar beeld en een vergelijkbare haiku zag ik eerder. Ik laat het onbeslist, het is niet van belang hoe het zit. Niet de tijd gaat voorbij maar de mens.

De schoener Oosterschelde op weg naar Frans-Polynesië, juli 2024. Foto Tom Dixon
Charles Darwin was begin twintig toen hij in 1831 aan boord van HMS Beagle de haven van Plymouth uitvoer en Engeland en Europa kleiner en kleiner zag worden. Hij bleef vijf jaar weg. In die vijf jaar van zwerven over de wereldzeeën keek hij goed om zich heen, verzamelde van alles en nog wat uit de levende en de dode natuur, planten, dieren en fossielen, en dacht daar over na. Toen hij thuis kwam dacht hij daar nog veel langer over na. Hoe stak die natuur nou in elkaar? Nee, niet zoals vanaf kansel of troon werd beweerd maar echt? Wat was de kern van alles wat hij had gezien? Hij piekerde en peinsde, liep rondjes op een paadje dat hij speciaal voor dat doel achter zijn huis in Down had laten aanleggen. Hij vergeleek zijn bevindingen, keek nog eens naar andere, las alle boeken die er over dat onderwerp waren geschreven, en kuierde nog maar weer eens een rondje. Krabbelde zijn ingevingen op:

Enfin, ’t verhaal is bekend. In 1859 verscheen eindelijk de vrucht van al dat overdenken en gepeins, On the Origin of Species. Dát boek kantelde onze kijk op de plaats van de mens in de verbijsterend rijke natuur.
Vanmiddag meert de driemastschoener Oosterschelde weer aan in de thuishaven Rotterdam, in de Veerhaven. In het kielzog van de Beagle heeft dat schip een kleine tweehonderd jaar later zo om en nabij dezelfde tocht gemaakt als Darwin. Dat gebeurde in het kader van een omvangrijk onderzoeksproject waarin getracht wordt ‘de polsslag van de planeet’ te begrijpen. De website ronkt van alles: https://darwin200.com/research/.
De Oosterschelde zal vanmiddag vast feestelijk onthaald worden. Er ligt al een vloot van 50 historische zeilschepen te wachten in de Nieuwe Maas. Er zal gevlagd worden, er zullen toespraken zijn, er zullen reportages worden gemaakt. Misschien komt het wel op de televisie.
Maar ik hoop intens dat er onder al die wetenschappers uit al die 45 landen die meegevaren hebben een jonge onderzoeker zit bij wie er een lichtje aangegaan is. Hoe werkt het mechanisme van onze destructiedrang? Zo van: we weten nou al een hele hoop, en sinds Darwin is het er niet beter op geworden in de natuur, maar hoe begrijpen we nou de menselijke natuur die dit alles meent te begrijpen maar toch de hele boel grondig aan het verkloten is? The whole enshittification?
Dat hoeft niet eens een jongeling op dat schip te zijn, maar me dunkt zeker ook geen jongeling op een ruimteschip dat koers zet naar Mars. Hij of zij hoeft niet eens een wandelpaadje achter huis te hebben, niet alle wandelingen leiden tenslotte tot vruchtbare inzichten. Het hoeft niet eens een bioloog te zijn, maar een levend mens, met een kloppend hart voor andere levende wezens.

De andere kant van sentimentaliteit is diepzinnigheid: haiku zouden getuigen van een dieper inzicht in de werkelijkheid. Een hogere werkelijkheid zelfs, beweren sommigen. Me hoela! Of als dat al wel zo is dan hoeft men daar niet meer waarde aan toe te kennen dan aan voetbalprofetische uitspraken als “Je gaat het pas zien als je het door hebt”. Dixit: Johan Cruyff. Misschien verlichtend voor wie voetbal de hele, ultieme .werkelijkheid is maar niet erg praktisch in echte oorlogsgebieden. Of bruikbaar voor als je onderweg een lekke band hebt en het reparatiesetje thuis nog in de kast ligt.
Niet zelden worden haiku in verband gebracht met zenboeddhisme en dan is het helemaal uitkijken voor Schwärmerei. Een beroemde haiku van Bashō (1644-1694) gaat zo:
De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water
Boekenkasten zijn volgeschreven over dit kikkertje en het aantal vertalingen is ontelbaar. Ik kan die niet beoordelen, ik spreek geen Japans en al helemaal geen zeventiende-eeuws Japans. “Furuike ya kawazu tobikomu mizu no oto.” Tja.
“Door alle tijden heen heeft het water – de oude vijver – een gevoel opgeroepen van diepte, van de ongeweten, onuitsprekelijke oorsprong der dingen. Slechts het levend ogenblik, het bewegende nú, de springende kikvors – kan springen, en riep uit: “Een kikvors springt van de kant, geluid van water.”” becommentarieert J. van Tooren in Haiku; Een jonge maan (1973) dit versje. Nou nou, orakel op orakel. Als wij in het voorjaar naar het schooltje van Holysloot fietsen om daar de kikkers in het slootje te horen kwaken van minnelust schiet mij vaak Bashō’s hokku te binnen. En de bitterballen die we daar dan altijd bestellen om daar gezeten aan de waterkant op te smikkelen. Of het reparatiesetje. Plons!
Hoe zit het nu met die meedogenloosheid? Iedere morgen sta ik op in een wereld die met de dag verscheurder lijkt. Probeer maar eens opgewekt aan het ontbijt te beginnen als je foto’s ziet van uitgemergelde Palestijnse kinderen. Als een haiku eetbaar was schreef ik er dagelijks duizenden om hun honger te stillen. Maar dat is geen antwoord op die vragende gezichtjes. In die zin is poëzie meedogenloos: nach Gaza ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch, zoiets. Er moet voedsel heen, en snel ook. Mijn poëzie is poëzie van lege handen.
Er is nog een ander aspect van meedogenloosheid, van lege handen ook, dat kan wel wachten, maar voor vanmorgen heb ik nu wel even gegeten en gedronken.
Zéér dringend is het
waarvan scholeksters reppen –
op leven en dood