Voorbij zijn de zomerdagen, er zijn vreemde dingen gaande en wee hem die vraagt waarom.
_____
Opm.
de echte lammeren, allicht, en al het andere slachtvee, de miljoenen en miljoenen kalveren, koeien, biggen, varkens, kippen, maar ook, en meer, de kinderen van Gaza, hun moeders, hun vaders, hun broers, hun zussen, de kinderen van de Westbank die het ook niet begrijpen, de soldaten aan het front in Oekraïne, hun geliefden, hun kinderen, niet alleen de Oekraïense maar ook die uit Jakoetië, Boerjatië en al die andere plekken waar jonge kerels misleid worden met valse beloften, de vluchtelingen uit Afrikaanse landen die geen hoop meer hadden, de inwoners van al die landen waar een mensenleven niet telt, de mensen die dom gehouden worden, en bang, en die hun leven moeten vrezen als ze eens een menselijk verlangen uiten, de geknechte, de onderdrukte, de geronselde, de uitgebuite, de bespotte, de geminachte, de vermorzelde, de murw gebeukte, de weerloze, de
Om mijn warhoofd tot rust te brengen was ik gaan fietsen. Er gebeurt tenslotte van alles in de wereld en een burenruzie is het niet. Hoe mij daartoe te verhouden?
Overal is de herfst al gaande. Ik hoopte mijn boosheid over de wereld eruit te trappen, ik hoopte dat al mijn wraakzucht mij zou verlaten, mij los zou laten zoals de boom zijn blaadjes los moet laten.
“Tuig!” drukte mijn gemoed te netjes uit. Zelfs als keurige politici er ‘van de richel’ achter persen krijgt mijn boosheid geen lucht. Dat zeggen sommigen ook van de journalisten die de wandaden van de demonstratie afgelopen zaterdag poogden te verslaan. Je moet zo uitkijken met taal tegenwoordig, voor je het weet kwets je een hele bevolkingsgroep. ‘Onderkruipsels!’ dan maar, ‘Uitschot! Satansgebroed!’ Zo tierde ik door, almaar verwoeder trappend. Het hele Groot Scheldwoordenboek werkte ik af en nochtans bekoelde ik niet. De blaadjes bleven vallen.
In het volgende bos bedacht ik straffen. Dat zou ze leren! Het hele repertoire van moderne en antieke martelmethoden dacht ik in te zetten. Uit de krant doe je genoeg ideeën op. Maar toen viel mij in dat er in dit land een cellentekort is. ‘Hersencellentekort zullen ze bedoelen!’ corrigeerde mijn rechterbrein. En mijn woede kreeg een nieuwe impuls. De blaadjes bleven vallen toen ik in buitenlandse talen mijn scheldlust de vrije loop liet. ‘Scum! Rapaille! Wildschweinhunde!’
Nog geenszins afgemat kwam ik in het derde bos. Ik laat ze zelf nieuwe cellen bouwen! Met die blote handen waarmee ze zich vergrepen hebben aan onze dienders! Eigen cellen eerst! Ik zag de producten van mijn wraakzuchtige verbeelding voor mij. Ik bedacht de grootte hunner kooien en paste die aan op de toekomstige lengte van hun verblijf, die gelet op de ernst van hun vergrijp of misdaad zouden variëren, alles nog net in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daar waren algoritmes voor op te stellen. En ik zag de blaadjes vallen.
Enzoverder enzovoorts. Na een bos of zeven geraakte ik toch weer thuis. ‘En?’ vroeg mijn vrouw, ‘waar ben je geweest?’ ‘Ga maar kijken op de Utrechtse Heuvelrug,’ hijgde ik uit, ‘en volg het spoor van vernielingen. Daar ben ik geweest.’
Mijn vrouw keek mij in de ogen. ‘Zo,’ zei ze, ‘je bent het nog niet kwijt hè?’
En na een tijdje: ‘Hang die blaadjes dan nu maar weer terug.’
Op het vlak van de heiligverklaringen beleven we bijzondere tijden: alleen deze maand al twee, ’t wordt vol in het boetje! Dat Carlo Acutis (1991 – 2006) en Charlie Kirk (1993 – 2025) elkaar sinds gisteren op gelijke voet in sacrosancte sferen de hand kunnen schudden schept ruimte voor de verbeelding: wat doet een heilige zoal de hele dag? ‘Zo, ook promotie gemaakt? Zit m’n halo nog goed? Weten jouw sterfelijke volgelingen jou nog een beetje te vinden? Hoe lang duurt de eeuwigheid gemiddeld genomen?’
Voor de graad van heiligheid maakt het niet uit of je door de ceremoniemeester ener kerkgemeenschap tot die staat bent bevorderd of door het clanhoofd ener natie: het blijft poppenkast. Over de kwaliteit der voorstellingen kan men twisten. Maar wat de waarde der getuigschriften, oorkonden en diploma’s betreft: dat is papier. Dat steek je zo in de hens. Dat doen niet-katholieken en niet-republikeinen dan ook met grote vurigheid. Overal op deze droevige planeet ziet men de brandstapels al roken, de inquisiteurs hun ketters aanwijzen.
Over de voorbeeldigheid of voortreffelijkheid der beide jongemannen meet ik mij geen oordeel aan, geen van beiden heb ik ooit ontmoet. Dat geldt overigens voor bijna iedereen die nu voor hunne heiligheden knielt. Carlo en Charlie waren ‘influencers’ en van influencers kom je nu eenmaal nooit te weten of ze wel eens een windje laten of wat ze uitroepen als ze in een punaise trappen.
Wat mij stoort in dit circus van de heilige geesten is ook niet hun heiligheid maar de uitsluiting van iedereen die geen jongeman van 15 of 31 is, of niet-katholiek, of niet-republikein. Meisjes en vrouwen maakten kennelijk sowieso al geen kans. In het patriottisch patriarchaat blijft het wel jongens onder mekaar.
Volgelingen van Carlo en Charlie kijken naar hen door het rietje dat de ceremonie- of opperstalmeester hebben uitgereikt. Haalden ze dat rietje maar eens weg, dan zouden ze hun eigen heiligheid ontwaren. Dat rietje was er slechts om hen het circus in te lokken.
Ik hou niet van circus. En heilig hoef ik niet verklaard te worden.
Spreken is zilver en zwijgen is goud? Ik had de ijsvogelhaiku nog niet geplaatst, en had nog niet half de grenzen van mijn erkentelijkheid verkend toen een bericht mijn mailbox binnenvloog. Daar ik geabonneerd ben op Penseelvanwind, de website over Japanse poëzie van Ivo Smits, hoogleraar Letteren en Culturen van Japan aan de universiteit van Leiden, werd ik op mijn wenken bediend als het er om gaat ook altijd de achterkant te laten zien: https://penseelvanwind.nl/poep-en-poezie/ . Waarvan akte.
Het is niet ondenkbaar dat de ijsvogel schijt heeft aan mijn haiku. Ik doe er verder het zwijgen toe.
Deze haiku werd mede mogelijk gemaakt door te talrijke personen en instanties om hier allemaal recht te doen. Om althans een begin te maken mijn schatplichtigheid te erkennen noem ik: boekverkoper Hans die mij aan zijn stalletje op de Grote Markt in Groningen in de jaren ’70 opmerkzaam maakte op de bundel Haiku – een jonge maan van J. van Tooren (‘misschien zocht je dit’), Hans dus, van wie ik de achternaam nooit te weten ben gekomen, en alle andere boekverkopers sedertdien, en uitbaters van antiquariaten, alle bibliothecarissen, uitgevers van tijdschriften, alle instanties die mij mijn studie van haiku en andere zaken mogelijk maakten, alle schrijvers en schrijveressen van haiku of andere verzen of versjes, in alle talen die ik lezen kon, allen die mij lankmoedig aanhoorden als ik mijn geestdrift onder woorden bedolf (‘kan het korter?’), allen die mijn eenzaamheid verdroegen als ik die verkoos boven hun gezelschap (‘zeg nou es iets!’), mijn vader en mijn moeder, zonder wie ik er natuurlijk niet zou zijn, en hún vaders en moeders, tot aan het eerste mensenpaar, de geliefden in mijn leven zonder wie ik reddeloos verloren was geweest op mijn levenspad, de ganse wonderlijke loop van de geschiedenis waaraan natuurlijk niemand in het bijzonder bijdroeg maar waarvoor toch de hele mensheid verantwoordelijk gehouden mag worden: dank alles en allen! Ik wil maar zeggen, het komt allemaal niet uit de lucht vallen.
Maar mijn allergrootste dank gaat uit naar dat ijsvogeltje.
Aan de omzwervingen van mijn geest valt geen touw vast te knopen. Sommigen houden dit voor ‘speels’, of godbetert ‘creatief’. In zeldzame momenten van helderheid weet ik wel beter en wens ik die wispelturigheid van geest aan niemand toe, zeker niet aan landgenoten die de verantwoordelijkheid voor ons schip van staat dragen. Ofschoon mij in elk geval één persoon bekend is die zijn eigen warhoofdigheid voor genialiteit houdt terwijl hij toch een groot rijk moet bestieren. Kijk, daar dwaal ik al weer af.
Terzake. Op de ramsjtafel hier in Noord kwam ik een boek tegen over Erasmus. Om vierentachtig redenen die ik niet zal opsommen kocht ik het. Ik las het, op het balkon gezeten in een heerlijk nazomerzonnetje, in één ruk uit. Over dat boek verder geen woord – aan het recenseren van boeken, of van die dingen, begin ik niet – maar het bracht mij wel op de 85ste reden waarom ik het gekocht had. Die kende ook ik nog niet. De schrijfster begint namelijk met een stadswandeling door Bazel waar Erasmus lange tijd woonde. Nu zijn wij wel eens in Bazel naar sporen van Erasmus wezen zoeken maar een vvv-georkestreerde stadswandeling was dat niet, we dwaalden maar wat op ons eigen drijfhoutje. Als we volgende week dan toch in Bazel zijn zouden we die kunnen maken, opperde ik aan mijn vrouw, die onze reis naar Toscane voorbereidt. Zoiets als begeleid wonen maar dan voor culturele toeristen. We moeten er nodig uit, de zwalkende dwaalwegen van de politiek volgen is niet bevorderlijk voor de rust van de geest.
Haar antwoord niet afwachtend was ik de kast al in gedoken om mijn exemplaar van de Lof der Zotheid weer eens even te raadplegen. Weten die politieke lui in Den Haag wel dat alle satire bij dat boekje begint? En dat Erasmus hen 500 jaar geleden al de lachspiegel voorhield? Maar toen mij het niet ondenkbare inviel dat sommigen ‘Erasmus’ slechts kennen als een idioot en geldverslindend Europees project, of anders als de antieke naamgever van een brug, of een ziekenhuis, of een universiteit, bakens in de metropool Rotterdam, ontzonk mij de moed. Nee, ik moet eerlijk zijn: Erasmus’ spot over de leraren van zijn tijd raakte mij wel een beetje. Wat een pedanterie! Wat een ijdeltuiterij! En nee, ik moet nu echt eens ophouden anderen de les te lezen. En scheepsrecht nee, heb ik zelf wel een kompas?
Voornoemd boekje eindigt met een beschrijving van de lotgevallen van een houten beeldje dat al in de 16e eeuw van Erasmus is gemaakt. Ter ere van de intrede van Filips II maar als ik daarover begin raak ik weer helemaal uit koers. Die zwerftocht evenaart in zotheid mijn dwalende geest. Het diende later als hekbeeld, boegbeelden zag je toen niet zo en Erasmus zelf zou zich bij dat idee uit zijn graf hebben losgewoeld, van het schip dat Erasmus was gedoopt maar later de naam Liefde kreeg.. Enfin, het verhaal is een roman waard, al gaan feiten soms fictie te boven. Het beeldje eindigde in elk geval in de tuin van een boeddhistische tempel in Japan, waar men het aanzag voor een symbool van de Japanse scheepvaart. Of voor een godheid, wat voor sommigen hetzelfde is.
Voornoemd boek toont een afbeelding van het beeldje. Ik had het al eens gezien in een proefschrift over Erasmus maar toen had ik er kennelijk over heen gekeken. De hele proloog van dát boek (Sandra Langereis, Erasmus Dwarsdenker; Een biografie, 2021) vond ik trouwens nogal raar. Wie begint er nou een wetenschappelijke dissertatie met een beschrijving van de innerlijke wereld van een hekbeeld? Nu keek ik het beeldje, ’t is iets meer dan een meter hoog, eens wat langer in de ogen.
Ik zal het nu maar kort maken. Het deed mij precies denken aan een beeld van de grondlegger van de haiku, Matsuo Bashō. Dit ga ik niet uitleggen, ik wijs slechts op hoofddeksel en boek.
Matsuo Bashō (1644 – 1694)
Is dit niet een vingerwijzing dat ik mij beter houd aan het schrijven van drieregelige versjes dan zit te bazelen over het landsbelang en de culturele, historische en sociale verantwoordelijkheden die dit met zich meebrengt?
Jan Steen, Een schoolklas met een slapende schoolmeester, 1672
‘Wat deed jij nou met zo’n jongen als Geertje in de klas?’ wilde mijn vrouw weten toen ze mij midden op de dag op bed aantrof en terstond aanving de aard van mijn bedlegerigheid te diagnosticeren. ‘Ai, regressieve schoolziekte, niet zo best’ en ze zette subiet de televisie uit. ‘Of Thierry, of hoe ze ook heetten. Zo’n meid als Lidewij?’ ’t Was duidelijk dat ze geen onderscheid naar geslacht wilde maken. Of sociaaleconomische achtergrond. Ze kwam nog net niet aan de 150 met het opsommen van namen die haar moeiteloos te binnen schoten. Sommige leerlingen blijven je bij. Bij regressieve schoolziekte hoeft er maar iets kleins, zoals de Algemene Beschouwingen van de Tweede Kamer der Staten Generaal voor te vallen, of je zakt weer weg in de herbeleving. Traumatisch word je ervan.
‘Nou ja, onvoldoende voor Debatteren natuurlijk!’
‘En toen?’
‘Kreeg ik eerst de ouders over me heen. Het kind lulde hen altijd omver. Dit kon dus niet waar zijn. Ik verdiende een onvoldoende’
‘En toen?’
‘Dan wees ik er op dat hun oogappeltje het hoofdstuk Drogredenen verkeerd om had begrepen. En dat ik streng moest zijn.’
‘En toen?’
‘Kreeg ik dit te horen: “Maar niet rechtvaardig. Had de school maar eerder duidelijk moeten maken dat dit niet zijn niveau was. En het was toch zeker goed Nederlands?”
‘En toen?’
‘Wees ik er fijntjes op dat de inspanningen voor het vak Literatuur ook suboptimaal waren geweest en dat de minimale score voor dat onderdeel maximaal was geweest daar ik de kwalificatie ‘wat een kutboek’ onvoldoende beargumenteerd vond.’
‘En toen?’
‘Toen zeiden ze dat het natuurlijk ook een kutboek was, zo’n links kutboek. Net als die linkse kutexamenteksten. En dat ik natuurlijk een vooringenomen linkse lul was.’
‘En toen?’
‘Verwees ik maar naar het examenreglement. En naar de directeur.’
‘En toen?’
‘Kwam die hogepotend mijn lokaal binnen stampen, ‘Mij bereiken klachten over jou.’ Nou ja, de krant, de naam van de school, de inspectie, enzoverder enzovoort . . .’
‘En toen?’
‘En toen, en toen, en toen! Weet je dan niet meer dat we hartstikke opgelucht waren dat die autonoom denkende leerling eindelijk van school was?’
Zo was het. Met Geertje, met Lidewij. . . Maar ook met al die andere leerlingen die we niet vermochten bij te brengen hoe je in een debat vuil spel moest pareren.
We filosofeerden hoe het anders had gekund maar nadat we het hele onderwijssysteem tentatief en virtueel hadden geïnnoveerd bleef er een hypothetisch model over waar ze in laten we zeggen de heilstaat Noord Korea hun vingers nog bij zouden aflikken. We waren beduusd.
‘Ging het eigenlijk nog over het onderwijs bij die Kamerdebatten?’ wilde mijn vrouw nog weten. Nee, somberde ik. En zelfs op het vlak van de Polarisatie konden ze het niet eens worden. Radeloosheid, reddeloosheid en redeloosheid is het wat de politieke klok slaat. Maar het ergste van deze drie is de redeloosheid.
‘Maar je wou toch zeker niet tot 29 oktober in je bed blijven liggen?’