
- Frisse lucht
- Schoon water
- Een boterham (twee misschien?)
- Een aardig iemand (misschien)


‘This too shall pass.’
Dit mag dan waar zijn, maar met het inzicht dat alles voorbijgaat valt in de politiek slecht te scoren. Het bestaansrecht van de politicus is namelijk dat hij een ‘Probleem’ benoemt. Dat probleem is ‘Urgent’, zal hij beweren. Gelukkig heeft hij de ‘Oplossing’. Daarna volgt: ‘Vertrouw mij nu de macht maar toe en dan regel ik het wel.’ Iedereen gelukkig!
‘Nee!’ beweert dan een andere politicus, ‘er is helemaal geen probleem!’ Of: ‘die oplossing werkt niet!’ Of: ‘dat is niet uitvoerbaar!’ Of: ‘dat kunnen we niet betalen!’
Over het gebakkelei dat daarna volgt gaat de cursus Zindelijk Redeneren. Probeer het voor de aardigheid maar eens uit met Stikstof. Migratie kan ook. Of Wonen, Voedselzekerheid, Veiligheid, Zorg.
De cursus wordt Links en Rechts aangeboden in het kader van het Programma ‘Een Leven Lang Leren’. Daar ben je dus wel even mee zoet.
Een shortcut is evenwel voor iedereen voorhanden, gratis en voor niks, zonder enige koopverplichting of lidmaatschap.
Hoe gewichtig is het morgen allemaal? Volgende week? Volgend jaar? Over vijf jaar? Tien? Over . . . * Geformuleerd in een Wenk voor de Stem Wijzer:
V. Hoe groot is het probleem en waarom is dat zo?
_____
Disclaimer:
*Het leven stelt een mens iedere dag voor problemen. De kunst van het relativeren vermindert niet de intensiteit van de beleving en problemen gaan ook niet vanzelf over. Maar het stellen van die vraag geeft wel veerkracht

Als je tegenwoordig politici het woord ‘democratie’ in de mond hoort nemen, is het oppassen geblazen. Dan bedoelen ze waarschijnlijk dat de wederstrevende partij niet democratisch is en / maar zij zelf wel. Alsof ‘democratisch’ trouwens een keurmerk is voor ‘goed’. Wat een kleuterachtige eigenwaan! Niet alleen was in de Oudheid representatieve vertegenwoordiging al een probleem (vrouwen, slaven en kinderen telden niet mee, bij sommige politieke partijen trouwens nog steeds niet) maar als je naar de zieltogende staat van deze planeet kijkt is het zonneklaar dat je het bestuur ervan maar beter niet aan mensen, demos, het volk, over kan laten.
Met grote belangstelling volg ik de ontwikkeling om de natuur ‘een stem’ te geven. Laat ik me voorzichtig uitdrukken: ik heb zo nog mijn reserves. De juridisering van de samenleving is weinig hoopgevend. Klemmender nog is het volgende bezwaar: wie geef je dan het mandaat om namens de natuur te spreken? De weinig verheffende soap bijvoorbeeld rond de Partij voor de Dieren leert dat die club geen Partij van de Dieren is. Nou ja, de mens is ook een dier maar aan die wetenschap hebben de andere dieren vaak zo beroerd weinig.
In zijn laatste boek Leeft een rivier? gaat de Britse natuurschrijver Robert Macfarlane op zoek naar de stem van de rivier (Robert Macfarlane, Is a river alive? 2025). Aan het eind van zijn zoektocht lijkt hij te kunnen horen wat de rivier hem mee te delen heeft. Ik ga dat niet citeren of samenvatten – Macfarlane zelf vindt het trouwens ook ondoenlijk om weer te geven wat het water hem te zeggen heeft. Maar, oppert hij:
‘. . . er komt mogelijk een grote uitbreiding van het verstand en de verbeelding bij kijken . . .’
Zo is ’t maar net: net als je denkt er grip op te krijgen, ontglipt het je weer. Het lijkt wel mystiek. Die mysterieuze eigenaardigheid deelt het begrip natuur met begrippen als ziel of god. Hopen op een grote uitbreiding van het verstand of de verbeelding lijkt mij een slechte strategie als het erom gaat een politieke koers uit te zetten.
_____
[. . . ] en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord [. . .]
dichtte Marsman in het iconische Herinnering aan Holland (1936). Hij verwoordde daarmee niet de stem die ik bedoel – daar heb je ’t gedonder al weer, want hoe weet ik dat zo zeker?! – maar veeleer de vrees die de natuur inderdaad mensen terecht kan aanjagen. En na tromgeroffel klinkt daarna natuurlijk de triomfkreet dat ‘wij’ die hebben ‘overwonnen’. Pfff, het water als vijand, de waterwolf. . .
Wie over de natuur nadenkt in termen van schadelijk of profijtelijk komt in een kamp terecht waarin ook heel gemakkelijk gezegd wordt dat je de natuur soms iets ‘terug moet geven’. In zo’n transactionele opvatting van de verhouding tussen mens en natuur kan het moeilijk lang goed gaan, want alweer: wie bepaalt dat dan?
Wie zich evenwel realiseert dat onze rivierdelta in deze lage landen door de geografische ligging (en nog een aantal factoren zoals de toevallige golfstroom en andere zaken die wij niet in de hand hebben) zoveel mensen en dieren kan herbergen, en al zo lang, is iets op het spoor dat veel verder gaat dan alleen eigenbelangelijkheid. Die wordt zich namelijk ook bewust van de verantwoordelijkheid die het met zich meebrengt dit unieke gebied te onderhouden. Dat vraagt inderdaad een luisterende houding. Die kun je pas aannemen als je de natuur, alle levende wezens, serieus neemt. Vandaar mijn vierde wenk: ondervraag politieke partijen op hoe ze de verhouding tussen mens en natuur zien.
IV. Mens en natuur staan niet tegenover elkaar.

Die eerste twee wenken waren niet zo moeilijk: die beschrijven gewoon wat Nederland niet is. Filosofen en theologen van alle eeuwen bedienen zich al van het trucje van de via negativa, dus een beetje flauw is het wel. Het agrarische vraagstuk heeft dat ook niet opgelost en we zitten nog steeds in de shit.
Wat Nederland dan wel is wordt een stuk ingewikkelder. Mensen die “Wij zijn Nederland!” roepen, doen keihard of zij het wel weten. Er zijn politieke partijen die dat dan geloven – of is het juist omgekeerd? – maar hoe weten ze dat allemaal zo zeker?
Roodkapje zong: “‘k Ben niet bang voor de wilde dieren, ‘k ben niet bang, ‘k ben niet bang. ‘k Ben niet bang voor de wilde dieren, ‘k ben niet bang.” Let op de herhaling. Sla ook acht op de behendigheid waarmee Roodkapje zich achter de boom verschuilt als het erop aan komt moed te laten zien.
Is dit niet een wat kinderlijke weerlegging van ronkende nationalistische op-de-borst-klopperij? Kom kom zeg, wie begon? Laten die lieden eerst maar eens wat geschiedenisboeken lezen over de VOC, bijvoorbeeld, en het geldelijk gewin dat de slavenhandel bracht. En daarna een begin maken met de cursus Ken uzelve. Daarna kunnen we praten.
De vraag is natuurlijk: welke studies dan? Politici wassen elkaar voortdurend de oren als het gaat om de stand van zaken in de natuur en het klimaat. Om over bestaanszekerheid, veiligheid, wonen en migratie nog maar even te zwijgen. Er lijken evenveel parallelle Nederlanden als politieke partijen te bestaan. Het politieke bedrijf verwordt dan tot de onthutsend primitieve belangen- en stammenstrijd waarvan we de afgelopen tijd getuige waren. Het algemeen belang werd in elk geval niet gediend.
Mijn derde wenk is daarom: bevraag partijen op hun zekerheden.
III. De waarheid over de werkelijkheid is een proces, geen product.

Nog acht dagen te gaan voordat we met het stempotlood mogen uitmaken wie dit lage land bij de zee mag gaan besturen. En hoe dat dan moet. Ik moet haasten.
De eerste wenk was kennelijk zonneklaar, daarom vandaag meteen door naar de tweede:
II. ‘De’ Nederlander bestaat niet.

James Ensor, De intrige, 1890
Ik had mij met dit blog voorgenomen over de natuur en deze wonderlijke planeet aarde te schrijven maar steeds wringt de mens zich daar met zijn dramatische eigenaardigheden tussen. Het gaat allerbelabberdst met deze planeet. Punt. Op het Nederlands, op het Europees en zelfs op het wereldtoneel plechtig afgesproken klimaatdoelen zullen deze eeuw niet gehaald worden. Punt. Maar telkens verschijnt er een handenwringende mens op de planken om de aandacht te trekken voor een of andere raar verhaal dat-ie dacht in een ander stuk te spelen, of in een ander theater, of met deze of gene kulsmoes waarom hij of zij z’n of d’r rol niet geleerd heeft. Uiteindelijk valt het doek vanzelf.
Nu had ik heus niet gedacht dat na drie weken uitlandigheid alles opgelost zou zijn, het stikstofprobleem in het bijzonder niet. De verhaalontwikkeling die de verantwoordelijke ministers evenwel de afgelopen vrijdag in scene hebben gezet had geen regisseur kunnen verzinnen. Dit was de claus: “Aan het einde van deze politieke voorstelling staan wij ons mannetje!” Herstel: “Aan het einde van deze politieke voorstelling staan wij in principe ons mannetje!” Herstel: “Aan het einde van deze politieke voorstelling staan wij in principe ons mannetje als we dan nog mee mogen doen met dit stuk!” Of zoiets. Aan het kostuum van een kabinet met zoveel verstelplekken zie je zomaar wat lapjes en draadjes over het hoofd. Maar van het stikstofslot is dit land niet.
Er resten nog negen dagen om helder te krijgen waar het in dit land om zou moeten gaan. Ik ga geen politiek programma schrijven en doe niet aan kiezersbeïnvloeding of dwingende adviezen. Maar wat aanwijzingen kunnen geen kwaad. Daar ga ik:
(Oeps! En nou moet ik dat zeker nog gaan beargumenteren? Met een of ander zwaar filosofisch opgezet lulwerkje zeker, of theologisch, nog erger, of een of ander juridisch gezwam dat alleen juristen onder elkaar begrijpen? Kijk naar de zon en bedenk van wie die is. Kijk dan naar de aarde en bedenk wat daar van geworden zou zijn zonder zon. En stel dan nog eens die eigendommelijke vraag. Als je durft.)

Casa di Leda et il Cigno, Via de Vesuvio (V, 6), Pompeii
In het jaar 79 van onze jaartelling maakte een geweldige uitbarsting van de Vesuvius een einde aan alle leven in Pompeï. Het verhaal is bekend. Of eigenlijk niet, want nog regelmatig worden bij opgravingen opmerkelijke vondsten gedaan. Het verhaal moet dan herschreven.
Vorige week liepen wij er rond. ‘Ouwe stenen kijken,’ noemt mijn vrouw dat, als we in regio’s verblijven waar het verleden nog zo uit de grond steekt dat je er onwillekeurig over struikelt. Zij gaat het liefst alle open deuren in van openstaande kerken, dat zijn dus de katholieke, maar ik struin bij voorkeur door heidense verledens. Daar kunnen we allebei mee leven, ook samen. Nu wil het geval dat één zo’n ‘Stolperstein’ op mijn maag bleef liggen.
We waren afgedwaald van de menigten. Op de Via de Vesuvio was bijna niemand meer, in elk geval geen groepjes die zich lijdzaam lieten leiden door een van de talloze gidsen met maar al te ingestudeerde verhaaltjes. Inderdaad, in de verte kon je de Vesuvius zien liggen. De rook die mijn vrouw meende te zien was een wittig wolkje dat zich in het strakke blauw om de krater had heen gevouwen, bijna liefdevol. Terwijl ik dat tegen mijn vrouw opmerkte wierp ik een blik door een open venster. En zag precies het beeld van de foto hierboven.
Inzoomen leverde dit beeld op:

Leda en de zwaan
Een zo frisse fresco ontwaren temidden van al die ouwe stenen kwam als een schok. Dat het om een voorstelling ging van Leda en de Zwaan verwonderde mij. Ik bedoel, het verwonderde mij dat ik na een kleine tweeduizend jaar dat tafereel onmiddellijk dacht te herkennen. Maar de naschok moest nog komen.
In de museumshop had ik al een boek zien lonken: The buried city; unearthing the real Pompeii. De auteur hiervan, Gabriel Zuchtriegel, zei mij toen nog niets maar hij had wel degelijk een verhaal toen ik het in de dagen erna las. Zuchtriegel is de huidige directeur van het Archeologisch Park van Pompeï. Hoe hij dat als Duitser heeft kunnen worden is een spannend verhaal op zich waar iemand zich te gelegener tijd misschien nog maar eens in moet vastbijten. Ik hoop op een minder effect en geld belust onderzoeker dan Dan Brown.
Zuchtriegel besteedt ampel aandacht aan Leda en de zwaan. Allicht, want de ontdekking was in 2018 een enorme sensatie. Blote plaatjes! Hm, wat zou de kerk daarvan vinden? Een inzicht dat mij overrompelde was dat het verhaal van Leda en Zeus in het jaar 79 al hartstikkeme klassiek was, in elk geval al meer dan vijfhonderd jaar oud. Wat deed die voorstelling dan in die slaapkamer?
Naar het schijnt gaf de geschiedenis van Zeus die in de gedaante van een zwaan de zeer welgevormde koningin van Sparta bezwangerde al in de oudheid aanleiding tot wenkbrouwfronsen. Hoe zat een en ander dan biologisch? Helena, de mooiste vrouw ter wereld toch, zou uit een ei zijn gekropen als vrucht van die geslachtsvereniging? En de aanleiding gaan vormen voor de strijd om Troje? En dat geloofden die Pompeiiers?
Een tamelijk terloops gemaakte opmerking van Zuchtriegel in zijn beschrijving van andere erotische voorstellingen in Pompei maakt de vraag nog klemmender: wat geloofden die mensen nu echt? In het jaar 79 had de apostel Paulus al zendbrieven geschreven aan de eerste Christelijke gemeenten rond de Middellandse Zee. Die zouden later deel uitmaken van het Nieuwe Testament. Maar niet na eeuwen gedelibereer en een hoop ruzie en gedonder. Nog steeds is men er niet uit wat die Paulus nu precies heeft geschreven. Enfin, ik ben geen schriftgeleerde.
De verspreiding van het Christendom werd zeer bespoedigd door de vorming van het Romeinse Rijk, zoveel is wel duidelijk. Dat had te maken met de genadeloosheid van het Romeinse regime, maar ik ben ook al geen klassiek historicus.
In het jaar 79 was dat allemaal nog niet duidelijk, de inwoners van Pompeii toen niet en ons nu niet.
Als, als, als . . . Maar as is verbande turf en daarvan kregen die arme Pompeiiers op die oktoberdag in de eerste eeuw van onze jaartelling al veel te veel op hun hoofd.

Feit is dat we de Alpen weer over moeten om thuis te geraken. Sedert ik mij in hem begon te verdiepen moet ik bij die passage altijd aan Erasmus denken. Terugkomend van zijn lange reis naar Italië vermaakte hij zich met zijn invallen voor de Lof der Zotheid. Die zou hij in Engeland afmaken, bij zijn vriend Thomas More, aan wie hij de satire opdroeg. Had die hem door woordspelingen niet op het idee gebracht de zotte wereld eens vanuit het perspectief van de zotheid zelve lof te bezingen?
Erasmus reisde per paard. Zijn gestel verdroeg dat slecht. Ook moest zo’n dier regelmatig gewisseld worden en dat gaf gedonder. Was het niet de makheid van het paard dan was het wel de prijs. Van herberg naar pleisterplaats ging het, je moest maar zien hoe gastvrij dat allemaal was en wat de pot schafte, hoe (on)aangenaam de medegasten. Daarna per aak over de Rijn, per schip over de Noordzee. Hoe lang deed hij over die tweeduizend kilometer? Diezelfde afstand doen wij in twee dagen – maar waarom toch die haast? Festina lente.
In de auto mijmerend over Erasmus’ tocht over de onverharde wegen van vijfhonderd jaar geleden glijden wij door de landschappen waar wij samen al zo vaak doorheen gereisd hebben. Ach, Europa! Hoezeer zijn die landschappen in de loop der tijd veranderd? Nou, om te beginnen, Erasmus zal de Alpen besneeuwder hebben gezien, de gletsjers smelten nu als een gek. Zou hij in 1509 wel eens geschrokken zijn van het gehuil van wolven, daar in het duistere Zwarte Woud? Hoe vond Erasmus trouwens zijn weg?
Als het gaat om de idee van Europa wordt Erasmus nogal eens als modern aangehaald: ‘Heel de wereld is mijn vaderland’ staat er op de bibliotheek van Rotterdam. Daar is zo ongeveer alles van en over Erasmus te vinden.
Nee, kijk nog eens goed. Er staat ‘Heel de aarde is je vaderland’, wat toch weer iets anders is. “Quaevis terra patria,” noteerde Erasmus zelf in zijn verzameling Adagia waaraan hij zijn leven lang sleutelde. Hoe zou hij dat toen bedoeld hebben? De godsdiensttwisten van de 16e eeuw dwongen Erasmus domicilie te kiezen waar een drukker zijn boeken nog vrijelijk durfde uit te geven. Dat werd dus Bazel, bij Johann Froben.
Hoeveel manieren zijn er om Europa te doorkruisen? Je kunt ook bij de Grieken beginnen, die tenslotte als eersten in dit werelddeel koloniën stichtten, Magna Graecia. Of nog eerder. Of later, die Romeinen. En waar ons dat allemaal gebracht heeft. Of niet.
Als we het herfstachtige Zwitserland heelhuids door zijn gekomen, en volop genieten van de najaarskleuren, overwegen we nog even die stadswandeling in Bazel te maken langs alle plekken die met Erasmus te maken hebben. We doen het niet. In vijfhonderd jaar is veel veranderd. We moeten niet alleen naar huis maar ook nog naar deze tijd. En hoe er in ónze tijd over Europa gedacht wordt is urgenter dan hoe Erasmus daarover dacht.

Antico Borgo del Pozzo
In het oude dorp van de put
De figuur Lucky (what’s in a name?) heeft in Waiting for Godot slechts één claus maar die is dan ook memorabel, wat je er ook van vindt. Een voor de hand liggende observatie is dat hij raaskalt. Je hoeft hem dus niet serieus te nemen, zoals trouwens alles wat in deze tragy-comedy in two acts gebeurt volstrekt zinloos is: absurde rituelen om de tijd te doden in een bestaan dat in zichzelf geen betekenis heeft. Zelfs eruit stappen is zinloos. Als Beckett in dit stuk ons de menselijke staat toont dan is dat een onbarmhartige.
Binnen de illusie van het toneelstuk is Lucky de knecht of slaaf van Pozzo, zijn heer. Het draait in Waiting for Godot dus onder andere om machtsverhoudingen. Daar weten marxistische, antiracistische, feministische en andere wereld verbeterende interpretatoren wel raad mee.
Close-reading van het taalmateriaal levert op dat er wel degelijk systeem in deze woordenbrij te ontdekken valt. Lucky begint ergens bij een ondefinieerbare God, daalt af via allerlei zinloze menselijke bezigheden om te eindigen bij stenen. Een grafsteen? Voor filosofen en theologen is dat een Fundgrube om hun eigen ideeën te demonstreren. Een psycholoog zal wijzen op de beperktheid van onze rationele vermogens en een boeddhist kan hem bijvallen: het denken zèlf leidt niet tot verlichting.
De ‘doeners’ van deze wereld, die ongelukkigerwijs ook onze portemonnee beheren, zullen beargumenteren dat dit allemaal geen ‘nut’ heeft: het stuk niet, de zo geroemde speech van Lucky niet, de 2.640.000 interpretaties niet. Waarom betalen voor een hoop onzin die een chimpansee achter de tekstverwerker, of nog beter een intelligent algoritme, ook kan produceren? Die investeren liever in Disneyland of de kolonisatie van Mars: dat levert tenminste harde centjes op.
De menselijke neiging naar zingeving is een onuitputtelijke bron van vermaak. Of is het toch verdriet? Dat hangt van je standpunt af en ik weet nooit goed waar te gaan staan. En het leven zelf is weer iets anders. Met een leeg hart is alles dwaas.
Ik ken geen indringender toneelstuk dan Waiting for Godot. Beckett gaat tot het bot. Tot het merg. Hem wordt, overigens net als het Zenboeddhisme, niet zelden nihilisme, zelfs harteloosheid aangewreven. Zeer ten onrechte. Zie bijvoorbeeld deze opmerkelijke scene met het jasje, namelijk in Act Two.
https://www.youtube.com/watch?v=izX5dIzI2RE&t=49s, 1:19:04:
[ESTRAGON sleeps. VLADIMIR gets up softly, takes off his coat and lays it across ESTRAGON’S shoulders, then starts walking up and down, swinging his arms to keep himself warm. ESTRAGON wakes with a start, jumps up, casts about wildly. VLADIMIR runs to him, puts his arms round him] There. . . there . . . Didi is there . . . don’t be afraid . . .
Ziezo. En nu naar huis

Ons laatste onderkomen in Italië droeg de deftige naam ‘Antico Borgo del Pozzo’. We hadden nog een kleine week. Op die naam had mijn vrouw het adres niet uitgekozen. Ook dat het gelegen was aan de via San Arcangelo, de weg van de heilige aartsengel, had niet meegespeeld, bezwoer ze, al erkent ze een latente gevoeligheid voor spirituele aangelegenheden. Iets uit haar jeugd. Maar kom op zeg, in de toeristennegotie wordt wel meer beloofd waarbij zelfs het ijle gezang der engelen verbleekt. Kwaliteit en prijs, ligging, uitzicht, daar kwam het op aan. Dit was althans in de buurt van Pompeï, zonder de overlast van toeristenstromen. De naam ‘Pozzo’ zei haar niets. ‘Oud dorp van de put’? Welke put dan?
Misschien was die er die ooit voor de dorpelingen geweest op de plek van het fonteintje, aan het begin van het steile paadje waarlangs we onze bagage omhoog moesten zien te krijgen. Vóór dat fonteintje konden we vrij parkeren, had de eigenaar ons verzekerd – contact verliep uitsluitend via whatsapp. Over dat parkeren dacht de Polizia Locale di Tramonti heel anders. En de eigenaar had het ook al mis als het ging om wifi-ontvangst. Dat we de sleutel van de accommodatie onder een verkeerde bloempot zochten valt hem evenwel niet aan te rekenen. Niet erg, tenminste.
Hoe toevallig kon dit alles zijn? vroeg ik mij af. Sinds de ontmoeting met de Ombra della Serra in het Etruskisch museum in Volterra dwaalden mijn gedachten via Giacometti ’s variaties daarop steeds af naar Beckett ’s Waiting for Godot. Naar de boom die Giacometti voor een voorstelling in 1961 ontwierp: die moest dun zijn, wisten beiden. Vladimir en Estragon zijn ook dun, in alle opzichten. Nóg dunner zou die boom zijn. “We hebben de hele nacht geëxperimenteerd met die gipsen boom, hem groter, kleiner, dunner gemaakt. Het leek ons nooit goed. En we zeiden allebei tegen elkaar: misschien.” Een schaduw van de herfst moest het worden, een schim van de winter.
Vermoedelijk zocht mijn brein houvast. Alles wervelt in deze wereld, alles van waarde wordt omgekeerd. Leugenachtigheid, brute kracht, stompzinnige hebzucht, roekeloze onverschilligheid, lompe verwatenheid regeert. Zelfs in dit bijkans schaamteloos fascistische Italië probeer ik het antwoord op de vraag te omzeilen uit welk land ik kom.
Denken aan het absurdisme van Waiting for Godot geeft dat denken gek genoeg een rustpunt. De opgeblazen figuur van Pozzo is een verademing vergeleken bij de Wildersen en Trumpen in deze wereld. De figuur van Pozzo is ronduit onuitstaanbaar, maar wel een van het theater. The Theatre of the Absurd, zegt u dat wel.
In het tweede bedrijf blijkt Pozzo opeens blind. Lekker net goed! gniffel ik soms met kinderlijk plezier. Maar Beckett biedt geen hoop, ook daarvan ontmaskert hij de valsheid even genadeloos als een Zenleraar. Het tragische van het stuk is er onder anderen in gelegen dat Lucky tegelijkertijd stom is geworden. Bij Beckett overwint het goede het kwade niet. Je moet het er maar mee doen. Wat doe je als niets meer werkt? Dat is een zen-achtige paradox waar je je leven meer toe kan.
Daarheen gingen mijn gedachten allemaal op die berg bij Tramonti, in het oude dorp van de put. Die koan opgelost heb ik niet. Maar gek genoeg lukte het mij wel steeds vrijmoediger aan het Italiaanse verkeer deel te nemen. Daarvan blijkt de basisregel verrassend eenvoudig: wie er het eerst is heeft voorrang. Een dynamiek dat dat geeft! Het lijkt de politiek wel.