Still uit de documentaire De lepelaar in een roerige wereld, Hilco Jansma, 2025
Héél zachtjes klinkt het wat lepelaars mee-delen: oek, oek, oek. En: oek
_____
Opm.
Lang gold de lepelaar als de zwijgzaamste van alle vogels. Ik had die prachtige vogel wel al vaak gezien op Wieringen waar ze vaak rondscharrelen in het natuurgebiedje bij Vatrop. En op het wad als het ebt. Maar ik had ze inderdaad nog nooit iets horen zeggen.
Een terloopse opmerking van de trekvogelprofessor Theunis Piersma in één van zijn boeken trof mij: ze zeggen ‘oek’, maar zó zachtjes dat bijna niemand het hoort. Ik aan het luisteren, maar misschien kwam ik niet dichtbij genoeg.
Piersma kwam ook even in beeld in de documentaire die de bioloog en filmmaker Hilco Jansma over de lepelaar maakte. Daar keken wij gisteravond naar.
Over de documentaire geen kwaad woord. Maar die muziek. Ooit langs het Wad gezworven met een compleet symfonieorkest op de achtergrond? Nou dan. We hebben ‘m maar uitgezet.
Toen er in januari op Texel zomaar een zeldzame brileider opdook kwamen er horden mensen op af. Die hoorde thuis in Oost-Siberië, of Alaska. Dat was me dus wat. De horden zijn vertrokken. Wat het lot is van die ene eider weet ik niet.
Voor eidereenden moet je naar de Waddeneilanden. Als je weet hoe die eruit ziet herken je hem meteen. Als je weet hoe hij klinkt ook. Zijn baltsroep houdt het midden tussen een houtduif in vervoering en het ge-oehoe van een bosuil in verwondering. Of een mens die dat nadoet. Maar dan moet het april zijn, de jongen zijn nu al vliegvlug. De Wadden vormen hun zuidelijkste broedgebied.
Om hem te zien heb je wel een kijker nodig: ze foerageren op de mosselbanken die onder water staan. Krabbetjes eten ze ook. En ze hebben een pest aan verstoring.
Na het verbod op de kokkelvisserij leek het wat beter te gaan met hun aantallen. Maar die lopen nu toch weer terug. Wordt het hen hier te warm?
Eiders protesteren niet. Ze vertrekken, stilletjes. Het Wad zal nog stiller worden zonder hen.
Wat moet je, eidereend zijnde, allemaal uit de kast halen om op te vallen? Wanneer word je gemist?
De foto maakte ik ergens in het noorden van Portugal, toen we daar vorig jaar rondzwierven, het zal iets later in de tijd geweest zijn. Overdag was het was nazomers warm maar de bomen lieten al blad los. Het strijklicht. Het geduld. Het verglijden. Het loslaten. Nergens is het najaar zó om je heen dan daar, deze tijd. Portugal: saudade.
Ik moest er aan denken toen ik vanmorgen vroeg de regen loodrecht naar beneden zag vallen. De nazomer moet hier nog beginnen maar de kastanjes kleuren al, zag ik deze week. Straks liggen de vruchten weer tussen de gevallen bladeren te glimmen. Af en toe is al iets van herfst te proeven, de dynamiek van de wolkenluchten, het zoeken van de wind, de ongedurigheid. Het park is stiller en stiller aan het worden: veel vogels zijn in de rui en houden zich gedeisd. Andere zijn hun reis naar het zuiden al begonnen. En er kunnen nog zat zomerse dagen komen.
Wat was er eerder: het beeld of het idee voor de haiku? Een vergelijkbaar beeld en een vergelijkbare haiku zag ik eerder. Ik laat het onbeslist, het is niet van belang hoe het zit. Niet de tijd gaat voorbij maar de mens.
De andere kant van sentimentaliteit is diepzinnigheid: haiku zouden getuigen van een dieper inzicht in de werkelijkheid. Een hogere werkelijkheid zelfs, beweren sommigen. Me hoela! Of als dat al wel zo is dan hoeft men daar niet meer waarde aan toe te kennen dan aan voetbalprofetische uitspraken als “Je gaat het pas zien als je het door hebt”. Dixit: Johan Cruyff. Misschien verlichtend voor wie voetbal de hele, ultieme .werkelijkheid is maar niet erg praktisch in echte oorlogsgebieden. Of bruikbaar voor als je onderweg een lekke band hebt en het reparatiesetje thuis nog in de kast ligt.
Niet zelden worden haiku in verband gebracht met zenboeddhisme en dan is het helemaal uitkijken voor Schwärmerei. Een beroemde haiku van Bashō (1644-1694) gaat zo:
De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water
Boekenkasten zijn volgeschreven over dit kikkertje en het aantal vertalingen is ontelbaar. Ik kan die niet beoordelen, ik spreek geen Japans en al helemaal geen zeventiende-eeuws Japans. “Furuike ya kawazu tobikomu mizu no oto.” Tja.
“Door alle tijden heen heeft het water – de oude vijver – een gevoel opgeroepen van diepte, van de ongeweten, onuitsprekelijke oorsprong der dingen. Slechts het levend ogenblik, het bewegende nú, de springende kikvors – kan springen, en riep uit: “Een kikvors springt van de kant, geluid van water.”” becommentarieert J. van Tooren in Haiku; Een jonge maan (1973) dit versje. Nou nou, orakel op orakel. Als wij in het voorjaar naar het schooltje van Holysloot fietsen om daar de kikkers in het slootje te horen kwaken van minnelust schiet mij vaak Bashō’s hokku te binnen. En de bitterballen die we daar dan altijd bestellen om daar gezeten aan de waterkant op te smikkelen. Of het reparatiesetje. Plons!
Hoe zit het nu met die meedogenloosheid? Iedere morgen sta ik op in een wereld die met de dag verscheurder lijkt. Probeer maar eens opgewekt aan het ontbijt te beginnen als je foto’s ziet van uitgemergelde Palestijnse kinderen. Als een haiku eetbaar was schreef ik er dagelijks duizenden om hun honger te stillen. Maar dat is geen antwoord op die vragende gezichtjes. In die zin is poëzie meedogenloos: nach Gaza ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch, zoiets. Er moet voedsel heen, en snel ook. Mijn poëzie is poëzie van lege handen.
Er is nog een ander aspect van meedogenloosheid, van lege handen ook, dat kan wel wachten, maar voor vanmorgen heb ik nu wel even gegeten en gedronken.