
Beeld: René Tweehuysen, Waddenzee, zilver licht
Telkens weer
vliegen wulpen even op
of het nog niet ebt

Beeld: René Tweehuysen, Waddenzee, zilver licht
Telkens weer
vliegen wulpen even op
of het nog niet ebt

Fluitende wulpen
waaien over naar het wad –
fluiten van de wind
_____
Opm.
Afgelopen week werd bekend dat er niet meer onder de Waddenzee zal worden geboord. De verantwoordelijke minister: “Ik ben heel blij dat we nu een doorbraak hebben geforceerd, want deze kwestie voelde als een gebed zonder end”, liet ze eerder in een reactie weten aan de NOS. “Ik hoop oprecht dat dit zorgt voor rust en duidelijkheid. Met deze overeenkomst geven we gehoor aan een brede wens van de Kamer en de samenleving om geen nieuwe gaswinning onder de Waddenzee bij Ternaard toe te staan.”
Dit geeft te denken. Blijdschap? Een ‘geforceerde doorbraak’? ‘Kwestie’? ‘Gebed zonder end’?
De minister heeft namens ons allen ‘de kwestie afgekocht’ bij de NAM. Of er bij Shell en Exxon blijdschap heerst weet ik niet. Evenmin of ze bidden.
Maar, o, de wulpen! De wulpen en hun fluiten. Hun fluiten over het Wad.

Alle blad laat los
vasthouden gaat niet langer –
alle blad verwaait

Rotganzen boven de Westerlanderkerk, Wieringen
Troepen rotganzen
tuimelen vermoeid aan land –
vanwaar vertrokken?
_____
Opm.
Deze haiku schreef ik onheuglijke tijd geleden. Na meer dan twintig jaar elders was ik in de jaren negentig weer op Wieringen neergestreken. Van vogels wist ik toen hoegenaamd niets. Van mijzelf nog minder. De laatste regel van de haiku zal vooral daarop hebben geslagen.
Het massale binnenvallen van de rotganzen kondigde het seizoen aan dat naar de winter leidde. De langere nachten, de koudere ochtenden, de heldere luchten, het kleuren daarvan. En daarin het geluid van de rotganzen: rròòòh, rròòòh, rròòòh, rròòòh. Ik kon er naar uitkijken.
Ook uit die tijd:
W e e r z i e n
Met de eerste lentewind vertrokken
heel de zomer gewoon vergeten
in de herfst toch weer gewacht, gezwegen
en gekeken in een lege hemel
vanmorgen zijn ze neergestreken:
rotganzen in ijl winterlicht –
windveren drijven boven zee en
stiller nog, herinneringen
Op Waarneming.nl zag ik dat ze weer zijn gearriveerd. Ik ga vandaag maar eens naar Wieringen.

Trap bij het Dalimuseum, Figueres
Ergens was een trap –
met wat geluk vond je die
en kon je omhoog

Beeld: Vian Paashuis
Een wolkje kwam langs,
vertoefde even, talmde,
en trok weer verder

In een ommezien
brengt hij zilver aan het licht:
het ijsvogeltje
_____
Opm.
Deze haiku werd mede mogelijk gemaakt door te talrijke personen en instanties om hier allemaal recht te doen. Om althans een begin te maken mijn schatplichtigheid te erkennen noem ik: boekverkoper Hans die mij aan zijn stalletje op de Grote Markt in Groningen in de jaren ’70 opmerkzaam maakte op de bundel Haiku – een jonge maan van J. van Tooren (‘misschien zocht je dit’), Hans dus, van wie ik de achternaam nooit te weten ben gekomen, en alle andere boekverkopers sedertdien, en uitbaters van antiquariaten, alle bibliothecarissen, uitgevers van tijdschriften, alle instanties die mij mijn studie van haiku en andere zaken mogelijk maakten, alle schrijvers en schrijveressen van haiku of andere verzen of versjes, in alle talen die ik lezen kon, allen die mij lankmoedig aanhoorden als ik mijn geestdrift onder woorden bedolf (‘kan het korter?’), allen die mijn eenzaamheid verdroegen als ik die verkoos boven hun gezelschap (‘zeg nou es iets!’), mijn vader en mijn moeder, zonder wie ik er natuurlijk niet zou zijn, en hún vaders en moeders, tot aan het eerste mensenpaar, de geliefden in mijn leven zonder wie ik reddeloos verloren was geweest op mijn levenspad, de ganse wonderlijke loop van de geschiedenis waaraan natuurlijk niemand in het bijzonder bijdroeg maar waarvoor toch de hele mensheid verantwoordelijk gehouden mag worden: dank alles en allen! Ik wil maar zeggen, het komt allemaal niet uit de lucht vallen.
Maar mijn allergrootste dank gaat uit naar dat ijsvogeltje.

Geen toevlucht over,
de kraaien heengevlogen –
slechts wind, en wind, wind
_____
Opm.
De populieren die vorige week zijn geveld liggen nog steeds voor het huis. Af en toe wijzen mensen naar waar ze stonden. Kijk, zó hoog waren ze. Gistermiddag zag ik een vrouw van haar fiets stappen. Ze brak wat takken af, ontdeed die zorgvuldig van de al verdorde blaadjes en borg de bundel toen in haar fietstas. Wat zou daar mee gebeuren?
Een dezer dagen zal de stapel wel opgehaald worden. Dat is dan weer jammer voor de egeltjes die er rondscharrelen.
De kraaien laten zich niet meer zien. Horen doe ik ze nog wel, verderop in het park waar nog een hoge populier in z’n eentje staat te wuiven. Hij staat te ver weg om die te horen ruisen. Ook die moet weg, weet de onderbuurman. De kraaien vinden wel weer een ander onderkomen. De egeltjes ook.
Waartoe neem ik mijn toevlucht?

Beeld: Vincent Munier
Kraanvogels volgen
in het spiegelend water
volgen kraanvogels
_____
Slechts een rimpeling
in het spiegelend water
als de vogel vliegt