De foto maakte ik ergens in het noorden van Portugal, toen we daar vorig jaar rondzwierven, het zal iets later in de tijd geweest zijn. Overdag was het was nazomers warm maar de bomen lieten al blad los. Het strijklicht. Het geduld. Het verglijden. Het loslaten. Nergens is het najaar zó om je heen dan daar, deze tijd. Portugal: saudade.
Ik moest er aan denken toen ik vanmorgen vroeg de regen loodrecht naar beneden zag vallen. De nazomer moet hier nog beginnen maar de kastanjes kleuren al, zag ik deze week. Straks liggen de vruchten weer tussen de gevallen bladeren te glimmen. Af en toe is al iets van herfst te proeven, de dynamiek van de wolkenluchten, het zoeken van de wind, de ongedurigheid. Het park is stiller en stiller aan het worden: veel vogels zijn in de rui en houden zich gedeisd. Andere zijn hun reis naar het zuiden al begonnen. En er kunnen nog zat zomerse dagen komen.
Wat was er eerder: het beeld of het idee voor de haiku? Een vergelijkbaar beeld en een vergelijkbare haiku zag ik eerder. Ik laat het onbeslist, het is niet van belang hoe het zit. Niet de tijd gaat voorbij maar de mens.
De andere kant van sentimentaliteit is diepzinnigheid: haiku zouden getuigen van een dieper inzicht in de werkelijkheid. Een hogere werkelijkheid zelfs, beweren sommigen. Me hoela! Of als dat al wel zo is dan hoeft men daar niet meer waarde aan toe te kennen dan aan voetbalprofetische uitspraken als “Je gaat het pas zien als je het door hebt”. Dixit: Johan Cruyff. Misschien verlichtend voor wie voetbal de hele, ultieme .werkelijkheid is maar niet erg praktisch in echte oorlogsgebieden. Of bruikbaar voor als je onderweg een lekke band hebt en het reparatiesetje thuis nog in de kast ligt.
Niet zelden worden haiku in verband gebracht met zenboeddhisme en dan is het helemaal uitkijken voor Schwärmerei. Een beroemde haiku van Bashō (1644-1694) gaat zo:
De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water
Boekenkasten zijn volgeschreven over dit kikkertje en het aantal vertalingen is ontelbaar. Ik kan die niet beoordelen, ik spreek geen Japans en al helemaal geen zeventiende-eeuws Japans. “Furuike ya kawazu tobikomu mizu no oto.” Tja.
“Door alle tijden heen heeft het water – de oude vijver – een gevoel opgeroepen van diepte, van de ongeweten, onuitsprekelijke oorsprong der dingen. Slechts het levend ogenblik, het bewegende nú, de springende kikvors – kan springen, en riep uit: “Een kikvors springt van de kant, geluid van water.”” becommentarieert J. van Tooren in Haiku; Een jonge maan (1973) dit versje. Nou nou, orakel op orakel. Als wij in het voorjaar naar het schooltje van Holysloot fietsen om daar de kikkers in het slootje te horen kwaken van minnelust schiet mij vaak Bashō’s hokku te binnen. En de bitterballen die we daar dan altijd bestellen om daar gezeten aan de waterkant op te smikkelen. Of het reparatiesetje. Plons!
Hoe zit het nu met die meedogenloosheid? Iedere morgen sta ik op in een wereld die met de dag verscheurder lijkt. Probeer maar eens opgewekt aan het ontbijt te beginnen als je foto’s ziet van uitgemergelde Palestijnse kinderen. Als een haiku eetbaar was schreef ik er dagelijks duizenden om hun honger te stillen. Maar dat is geen antwoord op die vragende gezichtjes. In die zin is poëzie meedogenloos: nach Gaza ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch, zoiets. Er moet voedsel heen, en snel ook. Mijn poëzie is poëzie van lege handen.
Er is nog een ander aspect van meedogenloosheid, van lege handen ook, dat kan wel wachten, maar voor vanmorgen heb ik nu wel even gegeten en gedronken.
Een aantal idioten bepaalt het lot van miljoenen mensen in deze wereld. Door wat aan wrok, haat en totale liefdeloosheid door de harten van die lieden in Kremlin, Knesset en White House woelt, komen miljoenen mensen om door uithongering en andere misdaden tegen de menselijkheid. En worden er zaadjes geplant voor nog meer oorlogsgeweld, later, als iedereen al weer vergeten is dat strijd nooit iets oplost. Niks. Over de misdaden tegen onze droevige planeet maar een andere keer. Het is al zo groot. En mensonterend. En wat doe ik? Ik maak haiku.
Niet aan iedereen zijn haiku besteed. Zo verzuchtte Ilja Leonard Pfeiffer:
Geen haiku
vlinder in de trein mijn god dacht ik als daar maar geen haiku van komt
Ik blader ook wel eens door bundeltjes huisvlijthaiku en kan ten naaste bij wel invoelen wat er door Pfeiffer heenvoer toen hij dat ook eens deed. Hij houdt zichzelf tenslotte voor een groot schrijver die zich met de grote problemen van deze tijd inlaat. Tot zover is alles in orde. Maar niettemin vind ik het geen pas vinden daar met dedain een versje aan te wijden. Een haiku nog wel. Terwijl de titel iets anders suggereert. Daar komt gedonder van. En van gedonder komt strijd.
Soms tref ik haiku’s die ronduit sentimenteel zijn en denkelijk doelt Pfeiffer daar op. Nu zou ik niet graag met Pfeiffer polemiseren: zelfs in pennenstrijd is een woord gauw verkeerd gezegd. Maar ik bepleit dat zelfs een sentiment kan uitgroeien tot een groter gevoelen van gemoed. Vind niet daar de liefde haar oorsprong? Zo dit tot mijn mogelijkheden behoorde dan had ik vanmorgen nog Poetin, Netanyahu en Trump subiet op een trein met vlinders gezet. En al die anderen. Want de vleugelslag van één enkele vlinder kan iets groots teweeg brengen. Dat weet de zeer belezen Pfeiffer toch ook?
Gekwetste vlinder,
waar kun je nu nog heen zo
zonder je vleugels?
Over de meedogenloosheid van haiku morgen maar verder. Ik moet de trein nog halen.
De tijd is recht. Lineair. Kijk maar in je agenda en aan de onverbiddelijkheid van het verloop van de tijd is niet te ontkomen. Als je tijd zo opvat, is er sprake van vooruitgang: morgen wordt alles beter. Zo denken sommige politici. Of van achteruitgang: die tijd toen, herinner je je? die was goudomrand. Zo denken andere politici. Heimwee en verlangen, denkt de dichter. Beide zijn natuurlijk illusie. Zo denkt de dwaas.
2.
Tijd is krom. Cyclisch. Kijk maar naar de seizoenen en ervaar dat het weer zomer geworden is. In het rustpunt van je eigen natuur neem je waar welke verschijnselen zich allemaal in een jaar hebben voorgedaan. En hoe je in wezen, in het hart hetzelfde bent gebleven. ‘Ewige Wiederkehr des Gleichen.’ (Nietzsche). Ook een illusie. Zo denkt de wijze.
3.
Met 1 en 2 is het vaak wringen. “Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. ‘Het leven heeft me veel geleerd,’ zegt de oue sok.” (Nescio) Of wisselen zich af. Je moet een evenwicht zien te vinden tussen Chronos en Kairos, zegt filosofe Joke Hermsen in Stil de tijd (2009). Tja. Hoe?
4.
Soms helpt een afbeelding iets ingewikkelds in een klap te verhelderen. De beroemde ring van Möbius bijvoorbeeld. Nog beter: niet de tekening maar een zelfgemaakte. Neem een lange strook papier, draai die een slag en plak de uiteinden aan elkaar. Volg dan met je vinger het lineaire verloop en verbaas je erover op hetzelfde punt uit te komen. De kleinkinderen waren verrukt toen ik die ring heel precies in tweeën knipte: het bleef één ring! En nog verrukter toen ik die ring nóg een keer in tweeën knipte: het werden twee ringen! Enzovoort. Ik ben weer kind. Soms zit ik aan de achterkant van de tijd.
5.
Nóg mooier vind ik de fles van Klein (geen kleine fles maar genoemd naar Felix Klein, 1849-1925). Denk je die eens heel groot in, bijvoorbeeld zo groot als Amsterdam. Of nog groter. Wat is binnenkant? Wat is buitenkant?
6.
En zo herbegin ik iedere dag hetzelfde gedicht. Het kan niet gezegd. Het woord stilte verbreekt diezelfde stilte. Zoiets. In mij huizen dwaas en wijze. Mijn dichten is een pogen. Het spelletje is dit: dichten opvatten als het vullen van een gemis, van een gat. Het is maar een spelletje.
Piet Mondriaan (1872-1944), Het Gein: bomen langs het water (1906)
Het Gein meandert van Driemond naar Abcoude; we fietsen graag langs dat water. Mondriaan schilderde het in 1906, 34 was hij toen en nog onberoemd. Het zal toen aan het eind van dag geweest zijn, misschien ook aan het eind van de zomer. Mondriaan was in die tijd bezig met de ‘tragiek van de natuur’, schrijft een biograaf. Het realisme liet hij steeds meer los, de kern der dingen zocht hij en iedereen weet waar dat op uit liep.
“Die dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: ‘dan moet ’t ook maar gebeuren’, dan wilden ze weer niet.” merkt Nescio in Titaantjes over Bavinks schilderkunst op. Bavinks strijd liep toen al op ’t eind. Nescio kende het Gein ook en zwierf daar tezelfdertijd als Mondriaan rond. Wie wil weten hoe het met Nescio afliep leze zijn verhalen. Of zijn biografie.
Er staan nu andere bomen langs het Gein dan aan het begin van de vorige eeuw. Allicht, zelfs bomen hebben niet het eeuwige leven. Ze ruisen als de wind hen beroert en doen helemaal niet tragisch.
Wij fietsen daar, stappen af, kijken hoe het water voorbij stroomt, luisteren. En ik denk aan Mondriaan en aan Nescio. En ook wij gaan voorbij.