
Tumult! Uit takken,
uit veertjes komt een houtduif
getuimeld – ontzet

Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven bij dageraad:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven in de middag:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Namiddagse houtduiven:
roe kóe koe roe koe!

Dol op spelletjes
jaagt hij eigen echo na:
bos vol koekoeken!
___
De koekoek is al weer een tijdje in het land maar ik hoorde hem vorig weekend voor het eerst. Kennelijk was die net uit hartje Afrika hierheen komen vliegen en nog bezig zijn territorium te verkennen. Zijn roep schalde even over zevenen van achter de singel. Een vreemde plek. Zou het een eerstejaars zijn? Met die ene vraag begint het raadsel.
Koekoeken zijn broedparasieten, dat weet iedereen. Ze leggen hun eieren in het nest van een andere vogel, karekieten bijvoorbeeld, en die zijn nu volop met hun best bezig in de rietkragen waar de stad ophoudt en het Waterland begint. Maar hoe weet zo’n eerstejaars koekoek nou waar die moet zijn? Van wie heeft de koekoek dat geleerd?
Het raadsel begint al eerder. Als een koekoek zich uit het ei wringt weet-ie natuurlijk niet dat-ie een koekoek is. Toch werkt-ie zo snel mogelijk de andere kuikens het nest uit. Kan hij weten dat de waardouders anders nooit genoeg insecten en rupsjes kunnen aanslepen? Hoe dan?
Als een koekoek vliegvlug is, volgt hij of zij niet de echte ouders op weg naar Afrika. Die vertrekken meteen nadat het eieren leggen is gedaan, eind juni of begin juli, naar Congo of Angola. Naar hun kroost kijken zij niet om. De pasgeborenen vertrekken pas in september. Hoe vinden die nu hun weg over de Sahara en de Sahel? En waarom trotseren ze al de gevaren van die risicovolle tocht waarvan ze niet kunnen weten dat ze hun leven op het spel zetten? Weten ze dan al dat ze koekoek zijn en dat koekoeken dat nu eenmaal zo doen?
Wanneer en hoe weten die jonge koekoeken na die winter in tropisch Afrika dat het tijd is om naar het noorden te vliegen? En dat er in de periferie van een tamelijk grote stad op de 52e breedtegraad een alleraardigste rietkraag is, rustig ook, hier vlak achter ons huis, met plenty gelegenheid een partner te vinden die op mysterieuze wijze ook van dit plekje geweten moet hebben, en waar een aantal karekieten zo genereus is, of onnadenkend, of stom, hun eieren wel uit te willen broeden en hun nageslacht groot te willen brengen? Hoe weet die koekoek dat je bij de karekieten moet zijn en hoe weet dit jong dat nog nooit een ei gelegd heeft dat het ei dat zij zal leggen precies, maar dan ook pijnlijk nauwkeurig, op dat van een karekiet lijkt? Of, en nou wordt het nog wonderlijker, op dat van een heggemus, graspieper of kwikstaart, witte of gele, als de moeder dat de jaren ervoor ook al deed? Net zo precies, en net zo nauwkeurig?
Hoe die waardvogels met deze indringer omgaan is weer een ander verhaal. De eminente Britse ornitholoog Nick Davies heeft daar een prachtige studie naar gedaan (De koekoek; vals spel in de natuur, Atlas Contact, Amsterdam 2015). Uit het voorwoord: “[. . . ] koekoeken zijn stiekem, dus hebben we ook het gereedschap van de forensische wetenschap nodig, zoals DNA-technieken en satellietvolgsystemen. We zullen enkele schokkende ontdekkingen doen wanneer we kennismaken met de vernuftige en vaak meedogenloze methoden die koekoeken erop na houden om hun gastouders te misleiden en te manipuleren. Dat bedrog is niet uitsluitend voorbehouden aan volwassen koekoeken; enkele van de meest geslepen trucs zijn die waarmee koekoeksjongen pleegouders zover krijgen hen te voeren.” Dat klinkt als een spionagethriller en zo leest het ook.
Maar. De strategieën en tactieken van een koekoek kun je wel in kaart brengen, als je tenminste het geduld kunt opbrengen en er de tijd voor neemt. Misschien komt het doordat ik niet zo’n spionagethrillerlezer ben, of bij ‘wapenwedloop’ eerder aan het menselijk bedrijf denk. Of doordat ik bij ‘vals spel’ uit de ondertitel toch uitsluitend ménselijke intenties veronderstel. In weerwil van al het prachtigs wat Davies over de koekoek te vertellen heeft, begrijpen we die vogel nu echt? Dat haalt je de koekoek.

Er gaat iets voorbij –
populieren luisteren
in voornaam ruisen

Roerdomp | foto Adri de Groot
Diep verborgen roep –
alomtegenwoordige
roerdomp in het riet
Met de kleinkinderen roeiden we gisteren door het Jisperveld. De eerste dag van mei maar volop zomer, voor hen de laatste dagen van de vakantie. Het ging natuurlijk om het roeien, het samenzijn, de stilte op het water, het piepende geluid van de riemen in de dollen. Vanaf het water is de wereld zo anders, het tempo is zo anders, de tijd gaat daar zo anders – onze boot gleed door het water als dat ene wolkje door de lucht. Het was er even, talmde wat, en loste toen op.
Het roeien ging verrassend goed. De oudste kreeg door waar het draaipunt van de boot lag, en hoe ze de steven kon wenden. De jongste sprak eerst nog van ‘roeren’ waar zij ‘roeien’ bedoelde maar toen we terugvoeren trok ze naast mijn vrouw wel een halve kilometer met een volmaakt kalme slag aan haar riem.
Ik had gehoopt op grutto’s, en hun die willen wijzen, had die daar in elk geval verwacht. Als ergens dan daar, in het Wormer- en Jisperveld. De grutto’s om je hoofd horen roepen! Vanaf het water zagen we overal het geel van boterbloemen, het rood van zuring, we roken kruiden. De omstandigheden waren inderdaad optimaal voor grutto’s. Maar we hoorden er geen. En dat in dit uitgestrekte veenweidegebied.
‘Vijftig melkkoeien op zeventig hectare,’ zei de boerin toen we de boot weer hadden aangemeerd. Daar keek ik van op. De bootjesverhuur deden ze erbij, dat seizoen begon juist vandaag en de boten moesten nog gereed worden gemaakt. We hadden geluk gehad dat er al een te water lag. Misschien was die verhuur ook wel noodzaak en het boeren sappelen, bedacht ik. ‘En alleen maar ruige mest,’ ging ze verder. We hadden de grote vlet bij de boerderij gezien waarmee de mest over het water naar de weilandjes werd overgevaren, net als de koeien. Dat is inderdaad extensieve veeteelt. Er stond een foto van zo’n overtocht op de waterkaart van het gebied die we hadden meegekregen en die we de kinderen lieten zien. Kijk, zo staan die koeien dan.
Verder niks hoor, alleen ruige mest!’ voegde ze er nog ongevraagd aan toe. Ze had doorgekregen dat ik een verklaring zocht voor de afwezigheid van de grutto’s. ‘Ganzen!’ Ze herhaalde het, ‘ganzen!’ en op haar gezicht streden moedeloosheid en weerzin. Ganzen hadden we inderdaad veel gezien. En vooral gehoord. En de kinderen uitgelegd dat die rare nijlgans die ergens op een nestkast voor roofvogels zat eigenlijk helemaal geen gans maar een eend was. Die waren er ook volop.
Maar opeens, toen we een rietkraag waren ingevaren om zelf de kikkers op de wal te zien die we op het water luid hoorden kwaken, had opeens de roep van een roerdomp geklonken. Het was een roep uit een andere tijd. Die had ik voor het eerst ook in een roeiboot gehoord, met mijn eerste lief op het Waardkanaal. Hoe lang geleden al?
De kinderen namen er onbewogen kennis van. ‘O. Is dat een vogel?’ En ze wilden weer verder met het manoeuvreren van de boot. De grutto’s hadden ze helemaal niet gemist, ze hadden er geen herinnering aan. En een roerdomp is een vogel die een raar geluid maakt.
Een landschap kleur je met verwachtingen. En met herinneringen. Natuurlijk kun je die niet overdragen, het idee zeg! De kinderen zouden opgroeien, misschien met hun lief uit bootje varen gaan. Wat blijft er bij hen van deze middag in hun geheugen bewaard?

Slechtvalk belaagt strandlopers boven het Wad | foto Jan van de Kam
Uitéénwaaierend
zwenkt een vlucht strandlopertjes –
door luchtig heden
_____
Oei, da’s niet best: een slechtvalk! Je ziet z’n silhouet in het midden van de foto, ter hoogte van de bovenste vogels in de zwerm. Nou zijn slechtvogels voortreffelijke jagers, dat wordt dus prijsschieten. Een makkie.
Om welke strandlopers het hier gaat kan ik niet zien. Ik weet niet in welk jaargetijde deze foto is genomen. Het zou in de zomer kunnen zijn, het diepe blauw van de lucht duidt daarop. Dan zijn het geen kanoeten want die zijn eind mei al verder getrokken naar Siberië. Je zou dan trouwens ook meer rood moeten zien, hun zomerkleed.
Misschien gaat het om bonte strandlopers, die zijn het talrijkst en komen vooral in het Waddengebied voor. De bovenkant van die bontjes is donkerder dan de onderkant. Als ze zwenken lijkt het wel om twee soorten te gaan. Maar dat is dus niet zo.
Strandlopers hebben hun manier om met die dreiging om te gaan: ze vormen een dichte zwerm. ‘Daar raakt die slechtvalk dan van in de war’ is wat kort door de bocht. ‘Keuzestress’ nog korter. Misschien dat die snelle wisseling van licht naar donker een rol speelt. Maar eigenlijk weten we het niet. Wel dit: het is helemaal geen makkie, zelfs niet voor de snelste vogel op aarde.
Die ene slechtvalk is ook niet de grootste bedreiging voor de soort. Dat is de mens. Niet die éne mens. Een horde is al behoorlijk vervelender. Maar ja, dan kunnen strandlopers verder het Wad op, waar mensen niet kunnen komen, naar de Richel of op Griend bijvoorbeeld, of Engelsmanplaat.
Maar de grootste bedreiging vormt wat je niet meteen op de foto kunt zien: de opwarming van de aarde. Als het water in de Waddenzee almaar stijgt kunnen de vogels niet meer bij de schelpdiertjes en garnalen waar ze van leven. Ook zijn er geen hoogwatervluchtplaatsen meer. Een nog grotere bedreiging is al helemaal niet op de foto te krijgen: de arctische gebieden waar de vogels broeden warmen ontstellend snel op. Gevolg: de sneeuw smelt eerder. Daardoor komen insecten eerder uit de bodem. strandlopers moeten dus eerder in hun broedgebieden bij de poolcirkel aankomen. Ze kunnen namelijk niet verder naar het noorden. Niet omdat je dan van de kaart valt, maar omdat daar helemaal niks meer te eten is.
Eén individuele vogel heeft hier allicht geen weet van. Een zwerm ook niet. ‘De soort’ bestaat helemaal niet, dat is een concept van mensen. Er bestaan een heleboel individuele strandlopers die verrekte veel op elkaar lijken en die veel gemeen hebben. Maar dit is mij duidelijk: als één zo’n paartje strandlopers te laat in het broedgebied aankomt, wordt het niks met het nageslacht. Als dat voor die hele zwerm geldt, komen er in het najaar ook geen jonge strandlopertjes meer mee naar het Wad.
Hoeveel jaar zou het duren voor je daar vergeefs staat te wachten met je fototoestel in de aanslag?

Kanoetstrandloper (Caladris canutus canutus)
Mijn eerste strandloper zag ik aan de Noord-Hollandse kust. Ze hoorden bij mijn jeugd. Als de badgasten en wandelaars het strand verlaten hadden waren ze er opeens, dribbelend langs de waterlijn. Geen idee waar die opeens vandaan kwamen, waar ze gewacht hadden tot de kust veilig was. Maar opeens kwamen ze in vluchten aanzwermen. Als de zon erop scheen belichtte die beurtelings de onderkant en bovenkant: zó zag je ze, zó waren ze weg tegen de achtergrond van de lucht. Ze hoorden er zoals het water bij de zee, het zand bij het strand. Ik hield van dat moment, van de stilte die intrad als het spelen gedaan was. Van hun schelle, korte roepjes – ze hadden iets te zeggen.
Later, wat liefdes later, ontstond deze haiku:
Pal op de vloedlijn
passeren strandlopertjes
hun korte pootjes
Later, nog weer veel later toen ik op Wieringen woonde, las ik in een natuurcolumn van Koos van Zomeren de vergelijking van het foerageergedrag met een naaimachientje. Dat pikken naar schelpjes en garnaaltjes doet daar inderdaad oppervlakkig aan denken. Kunst, dacht ik gemelijk, zo’n vergelijking, Van Zomeren doet ‘literair’. Tot ik deze formulering tegenkwam: ‘ze naaiden de modder aan het wad.” En daaruit sprak iets wat veel groter was dan dat kleine dribbelende diertje. Hier was de hele ruimte van slik bij betrokken, de droogvallende wadplaten, de luchten erboven, de getijden, het eindeloze Wad. En in die grote bewegingen deed dat strandlopertje iets futiels, iets banaals bijna, alleen maar om zijn kostje bij elkaar te pikken. Maar dát hield hemel en aarde bij elkaar.
Het duurde nog weer wat langer voor ik een beetje onderscheid begon te zien tussen een strandloper en een plevier. En nog meer tijd voor ik doorhad dat er verschillende strandlopers zijn. In de haiku gaat het om een drieteenstrandloper, bij Van Zomeren om een kanoet. Lang vond ik het maar iets uitsloverigs hebben al die ondersoorten uit elkaar te houden, het elkaar aftroeven wie dat het beste of het snelste kon. Zonderling hobbyisme. Bespottelijk duur ook nog, met die telescoopkijkers. Maar toch nog beter dan het brallerig becommentariëren van autootjes op het circuit van Zandvoort. De herrie alleen al. De macho’s.
Er is een precies moment geweest waarop mijn beeld over de vogelarij radicaal kantelde. Op de Molgerdijk bij Vatrop op Wieringen vertelde mij een man met zo’n grote telescooptoeter dat hij de rotgans die hij die ochtend in het vizier had gekregen nog in de zomer zélf ergens in Siberië had geringd. Hij was er helemaal opgetogen van. Pocher, dacht ik. Hij aan het vertellen, ik aan het luisteren. Er kwam geen eind aan. Dat die rotganzen op Spitsbergen en in Siberië broedden wist ik wel, ook al ‘hoorden’ ze bij Wieringen. ‘Rotgans’ is daar zelfs een familienaam, zo vertrouwd zijn ze. Siberië was ver weg, dat wel, maar al eeuwenlang kwamen die ganzen daarnaartoe in de winter, toen ’t nog een eiland was. Ook wel eens niet. Dan was er zeker iets aan de hand in Siberië, werden ze zeker opgevreten door de Russen.
Tot zo ver begreep ik ’t wel. Het paste prima in mijn wij-zijschema. Maar toen begon die man over de kanoeten. Die broedden niet alleen veel verder oostelijker in Siberië maar als ze in de winter naar de Waddenzee komen, ‘dáár is het dan veuls te koud vanzelluf,’ dan vliegen ze na een tijdje opvetten gewoon door naar Afrika, tot aan Kaapstad toe. Gaan ze daar lekker overwinteren. En daarna vliegen ze gewoon weer terug. Het hele end. In één jaar.
Tóen gebeurde er iets onder mijn bekrompen hersenpan.
‘Kijk, die daar,’ de man wees, ‘dat zijn kanoeten’. Zelden voelde ik mij zo’n onbeduidend stipje als toen ik die kanoeten zag.

Vanochtend vroeg, op deze stille zaterdag, hoorde ik opeens scholeksters roepen. Laat deze zaterdag ook verder maar stil zijn.
Zéér dringend is het
waarvan scholeksters reppen –
op leven en dood

Die tureluurtjes,
zo ver ze te horen zijn:
tot het uiterste
_____
Vanuit Nederland gezien begint de Waddenzee bij het Balgzand: die enorme wadplaat tussen Wieringen, Den Helder en Texel. Jarenlang was dat het uitzicht van mijn kleine huis op de hoogte van Oosterland, vlak naast het kerkje. Van daaruit zwierf ik langs het wad. Daar leerde ik de bewegingen van de vogels te volgen, de beweging van de getijden. Als mensen mij daar dan eindelijk gevonden hadden hoorde ik niet zelden dat ik aan het einde van de wereld woonde. Ik liet hen hartelijk in die waan want ik was gesteld op de rust. Over mijn bijna dagelijkse ervaringen dat we het begin van de wereld aanschouwden deed ik er het zwijgen toe. Het woord epifanie meed ik helemaal als de pest. Maar toch was het zo. De hemel zij geprezen dat het Balgzand niet vrij toegankelijk is.
De Waddenzee met haar eilanden strekt zich langs de Duitse en Deense kust helemaal uit tot Esbjerg. Bijna al die eilanden heb ik ooit wel eens bezocht. Op de fiets, hoe anders, als je student bent, en ook nog getalenteerd idealist? De Vereniging tot behoud van de Waddenzee bestond toen nog niet zo lang maar ik adverteerde al fietsend met de sweater met het logo: Wees wijs met de Waddenzee. Ach. Veel herinneringen aan die ontdekkingsreizen kwamen afgelopen week weer bovendrijven toen ik de documentaire As the tide comes in (2023) zag. Die had ik indertijd gemist bij de IDFA / Movies That Matter maar gelukkig bleek De Groene Amsterdammer die nog uit te zenden. Er zijn, ook gelukkig, nog idealisten.
De film volgt het dagelijks leven op Mandø, een van de laatste Waddeneilanden van die parelketting van kwetsbare schoonheid. Ik ruik weer het zilt van de schorren, zie het water weer opspatten voor mijn voorwiel toen ik over de dam naar het eiland fietste, het zonlicht maakte er zilver van. Ik moest vaart maken, alleen bij eb was het eiland bereikbaar. Ik hoor weer de sterntjes, de tureluurtjes, zie weer de vluchten strandlopertjes boven het water zwenken.
De documentaire volgt vooral de bezigheden van de laatste boer van het eiland, Gregers. Die is vooral doende zijn land droog te houden voor het stijgende water. Ja, een vrouw om het leven mee te delen, dat zou hij ook wel willen. Maar wat heeft hij dan te bieden? vraagt de Deense variant van Boer zoekt Vrouw hem. Gregers is lang stil. De natuur, bedenkt hij dan eindelijk. Leven op dat eiland is al eeuwen lang rekening houden met de getijden. Dat ging in het verleden wel eens mis. Maar nu is er een dreiging bijgekomen: door de klimaatsverandering komt dat water steeds hoger. En vaker. Het is niet langer de vraag of het verkeerd af zal lopen. Maar wanneer.
Je hoort en ziet de laatste tijd steeds vaker beelden van eilanden in de Stille Oceaan die ten gevolge van de stijgende zeewaterspiegel ten onder dreigen te gaan, Tuvalu bijvoorbeeld. Dat is ver weg. Maar gefortuneerden boeken een vliegreis om dat eens met eigen ogen te aanschouwen. En er daarna bevlogen (zegt u dat wel) over te ouwehoeren in een of ander mondiaal forum ter bevordering van het ecobewustzijn. Idealisme, zegt u dat wel. Pfff . . .
Vijftig jaar geleden wisten we al dat het mis ging met de Waddenzee. Het getijdegebied uitroepen tot werelderfgoed heeft daar geen spatje aan veranderd. Dit is geen oproep met z’n allen nu maar naar Mandø af te reizen. Ze hebben daar al genoeg last van de gesel van het toerisme en het adverteren heb ik afgeleerd. Maar die documentaire bekijken zou toch moeten kunnen. As the tide comes in laat in al z’n lulligheid akelig scherp zien hoe we er voor staan. En hoe dichtbij het is. En hoe precair.