
“Ik vind het heelemaal niet vernederend mij met levensmiddelen te occuperen, er is iets onlitterairs in deze verbeten strijd om het leven dat me wel bevalt. En ik vind ons wel waard om voor ons eigen behoud eenige moeite te doen.
Maar het moet niet erg lang duren. Soms verlang ik hier tusschen door heel erg naar vrede en welvaart en den tijd dat crocussen en merels weer beteekenis zullen krijgen.”
Dit schrijft Nescio (J.H.F. Gröhnloh (1882-1961) in een brief aan zijn vriend Nico Donkersloot op 1 maart 1945. Het citaat is te vinden in Zingen in het donker. Lineke Frerichs verzorgde de uitgave van 55 brieven die Nescio in het laatste oorlogsjaar aan zijn dochters schreef. ‘Bewaar dezen brief,’ schrijft hij op 13 december 1944, ‘dan kun je misschien later nog eens nagaan hoe een Amsterdammer was en leefde in December 1944.’ Die brieven zijn dus gelukkig bewaard en omdat alles wat Nescio aangaat mij danig interesseert zwerft de bundel al een tijdje binnen handbereik. Wie ‘ik weet niet’ in zijn literaire vaandel voert kan op mijn affiniteit rekenen. Vanaf dat ik zijn verhalen op de middelbare school ontdekte heeft Nescio mij niet meer losgelaten. Of ik hem. Verwantschap?
Iets schrijven over Nescio brengt het risico met zich mee hem maar veel te citeren: wie schrijft er zo als Nescio? Zijn woorden hangen boven afgronden van verzwegenheden. Citeren zal ik maar niet doen, dan blijf je bezig. En over die afgrond wil ik het niet hebben. Ik wilde nu vooral weten hoe Nescio met zijn vrouw aan de Linnaeushof de oorlog doorkwam. Hoe hield hij de moed erin? Waaruit putte hij hoop in die benarde tijden?
Frerichs heeft de bundel een mooie titel meegegeven. Rond Sinterklaas en met Kerst zit hij in de keuken met zijn vrouw bij de allerlaatste stompjes kaars liedjes te zingen. Als die kaarsen op zijn zitten ze in het donker. Dat is een pregnant beeld. Teer ook.
Er is bijna geen brief die niet afsluit met een bemoedigend woord: hij wilde vooral zijn kinderen laten weten dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Contact houden.
’t Ging Nescio ook redelijk goed, naar de omstandigheden in wat we de hongerwinter zijn gaan noemen. Ofschoon erg karig, aan voedsel wist Nescio altijd wel te komen.
Ik completeer die verhalen met wat ik van mijn ouders heb gehoord. Die speelden in de Wieringermeer waar aan eten geen gebrek was. Zij waren pas getrouwd. Mijn moeder, die vaak vertelde hoe mensen ‘helemaal uit Amsterdam kwamen gelopen’ en bij hen aanbelden. Als de soep en het brood op was trokken ze de gordijnen maar dicht. Het was te schrijnend. Nog op zeer hoge leeftijd herinnerde zij zich een magere, uitgeteerde man. Hij had de dood in zijn ogen en trok een karretje voort. Daarop lag het lijk van zijn vrouw. Historici moeten maar vertellen hoe dit allemaal zit.
Maar Nescio. En wat hij schrijft aan Donkersloot. Zijn verlangen naar de crocussen en de merel. De tijd dat die weer betekenis krijgen. De gang der seizoenen, de loop van de natuur. De betekenis die je daar aan geeft.
De afgelopen maand drong de Nederlandse regering er bij burgers op aan een overlevingspakket in huis te halen. We zijn al in oorlog, als je sommige politici tenminste moet geloven. Zo’n survivalkit? Daar beginnen we niet aan, besloten we toen we de situatie bespraken met buren die we voor een etentje hadden uitgenodigd. Zij zijn op leeftijd, zoals dat heet, maar dan zorgen we voor elkaar. Een opwindbare radio heb ik wel in huis gehaald. We bivakkeren nogal eens op plekken waar geen stroom is.

(Kies een potlood, geen pen: die vlekt als het regent)








