
László Krasznahorkai, De melancholie van het verzet (1989)
Het was of de duvel gistermiddag met mij wilde dansen. Ik was ruimschoots op tijd voor mijn wekelijkse koffie-afspraak met de Syrische vluchteling die ik wegwijs probeer te maken in het Nederlands toen ik er bij de IJ-pont achter kwam dat hij mij intussen had gewhatsappt dat – ie verstek moest laten gaan wegens oplopende snotterigheid. Dan maar even doorgefietst naar Scheltema, besloot ik, om te zien wat daar van László Krasznahorkai in vertaling te verkrijgen was. Béla Tarr’s beelden van Sátántangó (het boek is van 1985, de film van 1994; Tarr en Krasznahorkai werkten heel veel samen) dwarrelden mij nog voor ogen. Het regende. Nu ja, na een week van sneeuwige kledderzooi was het gaan regenen. Het mocht ook dooi heten.
Op de pont schuilde ik huiverend onder de brug. Een jonge vrouw wrong zich tussen de fietsers naar het voordek, een geplastificeerd A-viertje voor zich uit strekkend: Jesus loves you. Haar beate glimlach verried haar verdere bedoelingen. Toen zij geen aanspraak kreeg hield zij haar boodschap omhoog naar het IJ, ofschoon er geen andere schepen voeren vanwaaraf dit bericht gelezen zou kunnen worden. Misschien ook verwachtte zij dat de Verlosser zelf over het water lopend haar blijdschap zou komen bevestigen.
Bij Scheltema was een klein hoekje op een tafel voor Krasznahorkai ingericht. Het portret van de auteur was erboven geplaatst, pontificaal, bijna een zerk, alsof niet Béla Tarr maar hij naar een andere wereld was afgereisd. Oorlog en oorlog (2022) liet ik wachten tot een andere keer, voor nu even te veel oorlog. Maar De melancholie van het verzet (1989) wenkte onweerstaanbaar. Het is nu eenmaal zo dat ik mij in melancholie beter tot deze absurde wereld verhoud dan in naïeve devotie.
Terwijl ik mij verbaasde over de Van Ostaijen-aandoende achterflap dacht ik aan Mari Alföldy. Die heb ik ontmoet, mijmerde ik, vaak zelfs. Zij studeerde ook in Groningen toen ik Hongaars als bijvak deed. En zij sloeg later aan ’t vertalen, talloze Hongaarse schrijvers vertaalde zij die hier vanwege de nogal ontoegankelijke taal volstrekt onbekend waren. Daaronder dus alle boeken van Krasznahorkai. Haar vertalingen worden zeer geprezen. Zo niet te eniger tijd met die van Nobel dan toch wel met de Nijhoffprijs.
In die tijd, toen Mari nog geen faam als vertaalster had gemaakt, verdiepte ik mij in de Hongaarse volksmuziek. Zij wist mij de geheimen van de herlevende Táncház te ontsluieren, kende de achtergronden, doorgrondde de code en de gebruiken, begreep hoe Hongaarse jongeren zich door de muziek eind jaren ’70 uit de naargeestige beklemming van een zich dood marcherend ideologisch experiment konden bevrijden en zichzelf daarin konden uitvinden. Met patriottisme had dit niets van doen. Orbán begon pas later vals te zingen.
Mari tolkte levendig als Muzsikás Együttes weer eens in Nederland was, in Stad, dan wel in Warffum bij Op Roalkeldais. Of Kolinda Együttes, tot mijn onuitsprekelijke vreugde. Szerelem zongen die op de langspeelplaat die ik had weten te bemachtigen, in Hongarije zelf was die niet verkrijgbaar. Ik draaide die grijs. In een meerstemmige versie met een onpeilbare droef- en schoonheid: ‘Szerelem, Szerelem, átkozott gyötrelem’, liefde, liefde, vervloekte pijn. Dát was het verzet.
Nog weer veel later ontmoette ik haar nog zo maar eens toevallig in Budapest. Daar kende zij de weg en wist ook de onduidelijke gelegenheid te vinden waar een Táncház werd georganiseerd. Sátántangó had ze toen nog niet vertaald en Tarr had die roman nog niet verfilmd. Nagyon jól éreztük magunkat, we hadden veel lol samen.
Die wonderwarme avond kwam weer even boven borrelen toen ik door de verkleumende stad naar huis fietste. De regen was weer natte sneeuw geworden. Het deerde niet. In het Noorderpark zag ik hoe de narcisjes zich al geel boven de oude en de nieuwe sneeuw naar de hemel uitstrekten. Van Ostaijen is toch ook al meer dan een eeuw dood, viel mij in. En wat voor een eeuw. En wat voor een circus.

Paul van Ostaijen, Bezette stad, 1921








