“Hoop’ is zo’n begrip dat je bijna dagelijks gebruikt zonder stil te staan bij de werkelijke betekenis. ‘Werkelijk’: niet de woordenboekbetekenis, geen theologisch of filosofisch concept, of een politieke belofte van een toekomstige heilstaat. Dan blijf je maar luchtfietsen. Ouwehoeren. ‘Werkelijk’ omdat het werkt deze benarde en vaak hopeloze tijden te overleven. ‘Wezenlijke betekenis’ is misschien nog een betere aanduiding: wat betekent hoop voor mij, voor mijn wezen, voor mijn bestaan in deze wereld?
Waar vind ik hoop in een wereld waarin de kettingzaag verheven is tot het belangrijkste instrument voor menselijk handelen?
In een tastende, persoonlijke zoektocht naar de betekenis van hoop voor hemzelf (Hoffnung/Hoop, 2024) citeert de cultuurhistoricus Philipp Blom de Tsjechische schrijver en dissident Václav Havel (1936-2011). Als ik het zelf even niet weet zoek ik bij anderen in welke richting ik verder kan zoeken. Dat bemoedigt. Hier is het citaat:
“De soort hoop waarover ik vaak nadenk (vooral in bijzonder uitzichtloze situaties, zoals in de gevangenis) zie ik vooral als een gemoedstoestand, niet als een toestand van de wereld. We koesteren hoop in onszelf of niet; ze is een dimensie van de ziel; ze is niet wezenlijk afhankelijk van een bepaalde waarneming van de wereld of de beoordeling van een situatie. Hoop is geen prognose. Ze is een oriëntatie van de geest, een oriëntatie van het hart; ze stijgt boven de direct ervaren wereld uit en is ergens achter de horizon verankerd. Hoop in deze diepe en krachtige zin is niet hetzelfde als de vreugde over het feit dat de dingen goed verlopen, of de bereidheid in projecten te investeren die kennelijk snel succes zullen hebben, maar veeleer de gave zich voor iets in te zetten, omdat het goed is en niet alleen omdat het vooruitzicht op succes biedt.”
Beeld: Banksy. Het is vinden op een muur bij Regent’s Canal in Camden, Londen; het werd gemaakt als reactie op de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties in 2009 in Kopenhagen, Denemarken.
Dat ik het beslist over Gilze en Rijen moet hebben verbaast mij zelf ook wel. Er wonen ongetwijfeld erg aardige mensen, maar het is nooit in mij opgekomen daar nu eens een kijkje te nemen. Zelfs niet naar het natuurschoon dat daar toch indrukwekkend heet te zijn. Ik weet eigenlijk helemaal niks van Gilze. En ook niet van Rijen. Als je daar nou toevallig woont, noem je jezelf dan een Gilzenaar? Een Rijenaar? Of toch een Gilze-Rijenaar? Ik ken niemand die uit Gilze-Rijen komt maar er zal vast wel een Henk wonen. En een Ingrid. Misschien ook wel een Henk & Ingrid. Waarom horen we trouwens uberhaupt de laatste tijd zo weinig over dat paar hardwerkende Nederlanders?
Over de klimaatverandering is de laatste tijd nogal veel te doen. De boodschap op de foto brengt dat goed in beeld. Lees vooral ook het onderschrift: en er zijn heus wel meer klimaatconferenties geweest hoor! Er zullen ook nog wel meer komen. Het is wat je noemt a major issue. Jeumig wat groot, je raakt er niet snel over uitgepraat! Alle gletsjers in de Alpen zijn al gesmolten voor je alleen nog maar de agenda hebt opgesteld. En dan moet het nadenken en praten nog beginnen.
Nu heeft de nieuwe Denker der Nederlanden, David van Reybrouck, bedacht dat Gilze-Rijen (NL) het epicentrum van zijn gedachte-ontwikkeling moet worden. Daar keek ik van op. Nog een geluk trouwens dat ze des Vaderlands bijtijds hebben veranderd in der Nederlanden. Van Reybrouck is namelijk geboren in Brugge (B). Niet tussen haakjes: noemt hij zichzelf nou een Belg? Of toch liever een Vlaming? In elk geval, met dat der Nederlanden is zijn allochtone afkomst ruimschoots afgedekt bij eventuele grenscontroles. Wat grensoverschrijdend gedrag betreft is mij van de huidige regering althans niet bekend dat zij voornemens is Vlaanderen te annexeren. Dat is dus allemaal in orde.
Waarom Gilze-Rijen? Omdat hij, zo liet Van Reybrouck afgelopen week weten, dáár een monument wil doen verrijzen ter memorie van allen die bezweken zijn ten gevolge van de opwarming van de aarde: de klimaatdoden. Dat is een rotwoord maar het gaat ook om een rotprobleem. Zijn vader was een klimaatdode. Dat raakt een mens. En in Gilze-Rijen werd de hoogste temperatuur ooit in Nederlanden gemeten: op donderdag 25 juli 2019 werd het daar maar liefst 40,7°C. Dat beweert het KNMI, voor wat het waard is dan, want niet duidelijk is of dat nou in Gilze of in Rijen was. Hoe warm het toen in Brugge was vermeldt het KNMI niet.
Vanuit dat epicentrum wil Van Reybrouck verder gaan denken over het klimaat. Kan het nog warmer? en meer van die zaken. Hij wil zelfs vérdenken, legt hij uit. Voor iemand die van over de grens komt is Gilze-Rijen misschien al een wereldreis. Maar laat ik niet flauw zijn, Van Reybrouck heeft al een paar bakstenen van boeken bij elkaar gedacht. Congo (2010) is er één van. Revoluti (2020)een andere. Hij weet dus al wel iets over onze voormalige koloniën, van België én Nederland, bedoel ik. Uit het feit dat er tussen die twee boeken maar liefst tien jaar zit, valt op te maken dat hij lang kan nadenken. Maar misschien had hij in tussentijd wel andere dingen aan het hoofd. Hij schijnt ook een soort tombola te hebben uitgevonden om de verkiezingen wat aantrekkelijker te maken. Hoe dat precies zit weet ik niet. Ik vind politiek maar saai.
Nu ben ik benieuwd of dat beeld in Gilze of in Rijen komt te staan. Zoals gezegd ken ik geen enkele inwoner van Gilze, noch van Rijen, maar gelet op de Nederlandse volksaard moeten we rekening houden met wedijver. Als de vlam maar niet in de pan slaat! Heb je nog hogere temperaturen.
Rechtsboven op de kaart staat ‘Synd’dorp’ te lezen. Dat is Zunderdorp: hier de straat uit, even onder de A-10 door en je bent er. Boven de weilanden klinkt nu de roep van grutto’s en kieviten en daarom kom ik er zo graag.
Maar afgelopen vrijdag fietsten we de andere kant op: via Nieuwendam en Schellingwoude over de Oranjesluizen die Binnen- en Buiten-IJ scheiden, zilt en zoet, langs IJburg en Diemen, het paadje langs het Amsterdam-Rijnkanaal dat natuurlijk niet op de kaart staat en dan zo de Diemerzeedijk op, tot aan Muiderberg toe. Je fietst dan af en toe hoog over de dijk en kunt Pampus zien liggen. De Zuiderzee! kan ik dan nooit nalaten koppig te denken. En de Waddenzee erbij. Mijn hele bewuste leven cirkelt rond dat water.
Gedachtengangen uit het boek van Ghosh omzwierven nog mijn hoofd. Maar toch hoorden wij duidelijk twee keer een blauwborst keihard de lente verkondigen toen we langs het Diemerpark kwamen. Op de oude dijk lagen de schapen; lammetjes van maar een paar dagen, nog helemaal rimpelig, aangeschurkt tegen hun moeder. Ze keken alsof ze er altijd al waren geweest, de wereld nooit anders was, en niets hen kon overkomen.
Had ik niet al gezegd dat de geschiedenis om de hoek ligt? Dat historisch besef begint al bij Nieuwendam, waar in 1916 een watersnood de hele boel wegvaagde. En meer. Die Zuiderzeevloed vormde de directe aanleiding voor de aanleg van de Afsluitdijk. ‘Een volk dat leeft bouwt aan zijn toekomst.’ Dan de Oranjesluizen waarmee koning Willem III in 1870 de ganse natie de toekomst in wilde stuwen. Ach, zoveel goeie bedoelingen, zoveel kwalijke gevolgen.
Op de dijk zag ik in mijn verbeelding de VOC-schepen van Jan Pieterszoon Coen richting IJ gaan, met klapperende zeilen, de scheepsjongens in het want, modderend ter hoogte van de ondiepte van Pampus. Voor een handvol muskaatnoten kon je een huis kopen, naar men zegt. Wat zag Coen van de haven, van de stad? Hoe zou hij zich uit zijn wandaden kletsen bij de Heeren XVII? Het Centraal Station was er toen natuurlijk nog niet, misschien losten ze de kostbare lading ook wel op de rede van Texel . . .
‘Waar zit jij met je gedachten?’ riep mijn vrouw toen ik naar haar oordeel niet snel genoeg in lycra gehulde mannetjes moest ontwijken. ’t Zijn bijna altijd alleen maar mannen en van het snelheidsrecord dat doorbroken moet worden ben ik nooit op de hoogte. ‘Het probleem van deze wereld is masculien van gedaante en intrinsiek masculien naar aard,’ improviseerde ik maar, in de hoop dat zij dat zou opvatten als een allesmaskerende zelfbespotting. ‘O,’ zei mijn vrouw, ‘nog steeds Coen?’
De rampzalige ontwikkelingen die zich vanaf 1492 in deze wereld voordeden hebben niet één oorzaak. Maar we zitten maar mooi met de gevolgen van de catastrofale roofbouw op deze planeet. In een van de laatste hoofdstukken van The Curse of the Nutmeg doet Ghosh een oproep aan schrijvers, dichters, kunstenaars, filmmakers en ieder ander wiens of wier vak het is verhalen te vertellen het verhaal van de natuur zelf te vertellen. ‘As with all the most important endeavours in human history, this is a task that is at once aesthetic and political – and because of the magnitude of the crisis that besets the planet, it is now freighted with the most pressing moral urgency.’
De natuur is niet stom, maar zij spreekt in een andere taal. Haar verhaal gaat niet van er was eens, en toen, en toen, en nu . . . Maar de bergen, de rivieren, onze delta aan de Noordzee, alle dieren, de vogels in de bomen en de vissen in het water hebben wel degelijk een verhaal. Hoe dat te vertellen?
Bij het Rechthuis in Muiderberg gebruikten we de lunch. Er waren al tafels met zon, het vest kon uit. De waardin kent ons en begroette ons hartelijk, we strijken er vaak neer. Zo, zeiden we, en dan verklaren we nu de lente voor geopend.
Op de terugweg hoopten we de blauwborsten te spotten. Nee, nu echt te zíen. Of een koekoek! We weten één boom in het Diemerpark waar we die altijd het eerst in de lente horen. Maar de blauwborsten zwegen nu en de koekoek liet zich nog niet horen, nog te vroeg.
In weinig keukens zal de muskaatnoot ontbreken. De alomtegenwoordige beschikbaarheid maakt dat je makkelijk het bijzondere van die noot over het hoofd ziet. Over de culinaire toepassingsmogelijkheden laat Ghosh zich in The Curse of the Nutmeg niet uit. Dan kun je beter de Allerhande raadplegen. Maar, leg zo’n noot op je hand. Voel het gewicht op je handpalm. Ruik eraan. Volg het geribbelde oppervlak. Realiseer je dat je die noot maar van één kant tegelijk kunt zien. Ghosh gaat het om die achterkant. Hoe komt dit specerij hier? Wat is het verhaal van die noot?
Dat kun je letterlijk nemen maar dan moet je de hele handelsketen van de producent naar het schap in de Albert Hein volgen. Follow the Money levert ongetwijfeld verrassende inzichten op. Kijk maar naar de huidige prijsontwikkeling van koffie en vooral de oorzaken daarvan. Die weg onderzoekt Ghosh niet.
Met de achterkant van de noot onderzoekt hij evenmin de gekende hallucinogene werking van nootmuskaat. Dat zou ook maar het pseudo-spirituele gezwatel opleveren dat je wel hoort uit de kringen waar men de noot roemt om de veronderstelde geestverruimende werking.
Ghosh doet zijdelings uit de doeken hoe hij aan The Curse of the Nutmeg begon te schrijven. Dat was in 2020. Het coronavirus legde toen de bedrijvigheid van de wereld even plat, men vroeg zich verbijsterd af hoe dit kon, de sterftecijfers waren duizelingwekkend hoog en hij zat vast in Brooklyn, zijn woonplaats. Daar legde hij zo’n noot op zijn handpalm en vroeg zich af welk verhaal die hem had te vertellen. Ergens tijdens het schrijfproces moet hem ingevallen zijn dat de vorm van de muskaatnoot gelijkenis vertoont met die van de aarde. Maar meer en verder dan een oppervlakkige overeenkomst. De manier waarop je naar de noot in je hand kunt kijken, als een ding met massa met interessante gebruiksmogelijkheden weerspiegelt de manier waarop we vaak naar de aarde als geheel kijken. Als een inert object, willoos en zonder mogelijkheid zelf te handelen. Eindeloos te exploiteren. Als een ding. Je hebt het dan over het nut – dat is de kant van de noot die je kunt zien en vaak hebben we het alleen dáárover. De achterkant van de noot gaat over zin. En daarover gaat deze parabel voor een planeet in crisis in het bijzonder.
Vermoedelijk was Ghosh zich al wel bewust van de herkomst van de naam Brooklyn, Breukelen. Het is immers ook algemeen bekend dat New York gesticht is als Nieuw Amsterdam. Manhattan werd in 1624 ‘gekocht’ voor de prijs van 60 gulden van de Lenape-bevolking, een nomadische indianenstam. Later in die eeuw, naar verluidt, weer geruild tegen Suriname. Sommige mensen hebben daar nog pijn van: ‘Als we toen niet zo stom waren geweest, was het Nederlands nu voertaal van de wereld geweest, en niet dat Engels.’ Maar ja, zo ging de geschiedenis niet en die boeit Ghosh ook helemaal niet. Hem interesseert de vraag hoe het komt dat juist in die 17e eeuw expansieve naties in de beide Amerika ’s maar ook in Afrika plaatsen een naam geven met ‘Nieuw’. Coen deed dat ook. Hij wilde het belangrijkste hoofdkwartier van VOC Nieu-Hoorn noemen, naar zijn geboorteplaats. Waarom het in 1619 Batavia kwam te heten, naar de volstrekt verzonnen voorvaderen der Nederlanders, de Bataven, is een andere kwestie.
Als je eenmaal op zo’n gedachtespoor bent gezet is het niet moeilijk om parallellen met huidige tijd te trekken. Op 11 februari van dit jaar tekende Trump een decreet dat de Golf van Mexico vanaf dat moment de Golf van Amerika moest heten. Dat is een imperialistische daad die voortkomt uit dezelfde kolonistenmentaliteit die al rond 1600 deze planeet geselt. De berg Denali moet met ‘Mount McKinley’ worden aangeduid. ‘Mount Trump’ was transparanter geweest. Wat de oorspronkelijke bewoners daarvan vinden hoeft niet uitgelegd. Die waren overigens al ten tijde van McKinley volstrekt gemarginaliseerd. Als ze al niet waren uitgemoord.
Trump ’s Drill, drill, drill! en vooral zijn begerige op Groenland gerichte ogen zijn een regelrechte echo van Coen ’s nietsontziendheid voor de VOC het monopolie van de nootmuskaat in handen te krijgen en de alleenheerschappij over de hele Indonesische archipel: ‘Ende dispereert niet (…), daer can in Indiën wat groots verricht worden’.
Omslag van de eerste druk van ‘Jan Pietersz. Coen’, 1931. Houtsnede: J. Franken Pzn.
Iedereen heeft wel eens de situatie meegemaakt waarin een verhaal verteld wordt. Niet voorgelezen, maar verteld, uit het blote hoofd. De avond valt, de dingen van de dag zijn besproken, rond het kamp verstillen de geluiden van het bos, het kampvuur knappert en licht alle gezichten op, de kruik wordt doorgegeven. Iemand vraagt of iemand nog een goed verhaal weet. En iemand begint: Er was eens . . .
In de dageraad van de menselijke beschaving begon zo de literatuur. Nou ja, de opgetekende geschiedenis van de mensheid. Zo begon Homeros: Vertel Muze, vertel van de wrok van Achilles. Daar kwam voor de Grieken grote ellende uit voort . . . Of het epos over Gilgamesj. De verhalen over Adam en Eva, Kaïn en Abel.
De toehoorders kennen het verhaal. Het gaat erom hoe de verteller het vertelt. Het is bekend en nieuw tegelijk. Ieder van de toehoorders heeft een versie van het verhaal in het hoofd, sommigen uitgebreid, sommigen fragmentarisch. ‘Nu komt de scene Oma, wat heb je grote ogen! ‘ Of: ‘de wolf werd toch met een steen in de vijver gegooid?’ Gezamenlijk, elkaar aanvullend, zouden ze er best in slagen het hele verhaal te reproduceren. Wat overigens allerminst garandeert dat iedereen het dan met die versie eens zou zijn.
The Nutmeg’s Curse is een parabel en Amitav Ghosh is een begenadigd verteller. Ik luister naar hem, geniet van het timbre van zijn stem, bewonder zijn fijnzinnige gevoel voor details, zijn timing. En betrap mij erop te willen vragen wat er ook al weer in dat mandje voor grootmoeder zat. Daarom duurt het lezen van zijn boek zo lang.
Het verhaal over Coen is bekend. De Heeren XVII keken al bedenkelijk toen hun ter ore kwam wat Coen in hun naam op de Banda-eilanden geflikt had. Maar ja, ‘we kunnen geen handel drijven zonder oorlog, of oorlog drijven zonder handel’ had Coen laten weten. Daar zat dan ook wel wat in. . .
Al sinds 1621 zitten mensen rond een vuur naar het verhaal over Coen te luisteren. Er zijn steeds andere vertellers. Ik luister nu naar Ghosh. Af en toe wil ik een detail rechtzetten: het gaat niet om de 30-jarige oorlog maar om de 80-jarige. Ach, het stoort het verhaal niet, het is een parabel. Af en toe heb ik lust het verhaal aan willen vullen: wist je wel, Ghosh, dat Slauerhoff al in 1931 Coen neerzette als een uiterst benepen burgermannetje met een beklemmend bekrompen moraal? En dat hem dat niet in dank werd afgenomen? Het is niet eens een slecht stuk maar Slauerhoff’s dramatisering mocht pas vijftig jaar later opgevoerd worden. Nota bene! En dan nog. Die Hoornse raadsleden die maar niet kunnen besluiten wat met dat beeld op de Rode Steen te doen . . . Wat zegt dit over de ‘Nederlandse mentaliteit’?
Mijn leesavontuur van de parabel over de nootmuskaat duurt zo lang omdat ik dan toch weer even wil uitzoeken hoe het ook al weer zat met Slauerhoff. En vooral met die streng Calvinistische moraal waarmee alle geweld werd gelegitimeerd: jegens vrouwen, jegens iedereen die niet wit was, jegens beschavingen die als inferieur werden weggezet en dientengevolge tot slaaf gemaakt of omwille van de handel gewoonweg uitgeroeid.
Mijn leesavontuur duurt zo lang omdat ik steeds weer op nieuwe uitvluchten stuit om Coen’ s genocidale misdaden maar te vergoelijken. Ghosh heeft het niet over de Nederlandse beeldvorming van zogenoemde nationale helden. Hem gaat het om onze misdadige houding ten opzichte van de natuur. En die is nog vele malen ingewikkelder. De uitvluchten nog talrijker. Toch moet alles weerlegd.
Mijn leesavontuur duurt zo lang omdat ik in de vlammen kijk.
Lopend vanaf het Centraal Station richting de Dam is het eerste wat opvalt aan de Beurs van Berlage het beeld van Jan Pieterszoon Coen. Op het schild dat hij vasthoudt is zijn lijfspreuk uitgehakt: ‘Dispereert niet’. Die Beurs is een Rijksmonument. Er schijnt dus collectief belang mee gemoeid te zijn. Maar ik schaam mij altijd de ogen uit mijn kop als ik er langs kom als ik weer eens de schoonheid van Amsterdam aan onze gasten wil laten zien. En geraak de wanhoop zeer nabij. Hebben we nou nog niet geleerd dat daar ergens de heilloze dwaalweg van het kapitalistisch en kolonialistisch denken begon? Jan Pieterszoon Coen, júist Coen als gouverneur-generaal van de VOC, belichaamt zo ongeveer het begin van die perfide mentaliteit. De achter Berlage ’s Beurs gelegen Effectenbeurs vormt niet meer dan de hedendaagse voortzetting ervan. Onze hele samenleving is ermee doordrenkt. En dat vind ik allerminst iets om trots op te zijn.
Als je wilt kun je in Amsterdam iedere dag wel aan een demonstratie deelnemen. Dan kom je geheid over het Damrak en kun je omhoog blikkend Coen zien poortwachteren op die tempel van het geld. Twaalf paar schoenen verslijt je makkelijk in een jaar als je opkomt voor de rechten van vrouwen, van lhbti-ers, voor een vrije en onafhankelijke pers, voor onafhankelijke rechtspraak, voor een vrije wetenschapsbeoefening, voor de verdrukten, de vermorzelden, de verworpenen der aarde, voor de rechten van de aarde zelf, die stemloos is maar die zieltoogt en kermt. Ik ben onvolledig, helaas, er is zoveel onrecht.
Dagelijks bereiken ons berichten uit bijvoorbeeld Washington – maar niet alleen daarvandaan – die weinig hoopvol stemmen. Zei ik twaalf paar schoenen? Maak er het dubbele van. Er zijn nog steeds machthebbers die menen boven alle wet te staan, die mensen die toevallig niet wit en man zijn als inferieur beschouwen, die macht boven recht stellen, spierballen boven stemloze weerloosheid, die er geen been in zien de kluit te belazeren, medemensen te beliegen en te bedriegen om er uitsluitend zelf beter van te worden, die de aarde alleen maar zien als een wingewest en hun ogen al op een andere planeet hebben gericht als hier alles verkloot is. Uitgewoond. Uitgezogen. Verkracht. Ontheiligd.
Wat heeft dit alles te maken met dat boek van Ghosh waarmee ik nu al dagenlang bezig ben? De ondertitel van het boek van Ghosh over de nootmuskaat, The Nutmeg’s Curse, is een nadrukkelijke uitnodiging aan de lezer om zelf met het aangereikte materiaal en de ontvouwde inzichten aan de slag te gaan: ‘Parables for a Planet in Crisis’. Het is een parabel, een metafoor. Op welke bodem vallen de zaadjes van Ghosh’ rijke gedachtegoed? Wie oren heeft, die hore, zegt een andere gelijkenis. Zal dit boek de oorlozen bereiken?
De oorloze hoort niet hoe onze kleine, kwetsbare planeet zieltoogt en kermt. Naai hem oren aan! Dit is een metafoor. Ik wou dat ik wist hoe je zoiets doet.
Het standbeeld van J.P. Coen in Hoorn, achterzijde
Gisteren sloop ik even rond het vraagstuk van de erkenning van een individuele schuld. Wat is het moeilijk om toe te geven een dwaalweg te hebben begaan! Met mijn vrouw is het gelukkig weer goed gekomen, de boete is betaald. Maar als het gaat om wat voor ellendigs we het Wad allemaal hebben aangedaan gaat het om een collectieve schuld en dat maakt het nogal ingewikkelder. Vul voor het Wad de hele natuur in en de dimensie van het probleem wordt duidelijk. Als iedereen verantwoordelijk is, wie spreek je daar dan op aan?
Waar te beginnen? Bij de nootmuskaat! Pel die uit de vrucht van de nootmuskaatboom en je hebt de kern te pakken: die noot lijkt namelijk verrassend veel op onze planeet. Dat dacht Amitav Ghosh die er een confronterend boek over schreef: The nutmeg’s curse (2022). Afgelopen najaar was Ghosh in Nederland om uit handen van zijne majesteit en onze koning de Erasmusprijs in ontvangst te nemen. Zo’n onderscheiding zegt misschien niet zoveel. Of misschien toch: het is een zaak van nationaal belang. Wat zeg ik? Van mondiaal belang. De ondertitel, Parables for a Planet in Crisis, is wat dat betreft helder genoeg.
Bij het verschijnen van de Nederlandse vertaling, De vloek van de nootmuskaat; Boodschap aan een planeet in crisis, verzuchtte een recensent dat het boek nogal wijdlopig is. Dat klopt niet hoor! Ik ben er al enige dagen in verdiept en inderdaad, Ghosh haalt er nogal veel bij. Om tot de kern te geraken, alles er af te pellen, moet je dat allemaal laten bezinken en rustig overdenken – ik ben dus nog wel even bezig. Vandaag een paar opmerkingen over het eerste hoofdstuk.
Ik mag hopen dat iedereen de geschiedenis van Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) en de Banda-eilanden kent. Zeker ben ik daar niet van want nog in het zeer recente verleden beweerde de toenmalige minister-president J.P. Balkenende dat we ons vooral ‘de VOC-mentaliteit’ moesten herinneren en meer optimisme en dadendrang moesten tonen. Make Holland Great Again, zoiets. In het Amerika van vandaag kunnen we zien waar zo’n oproep toe leidt. De club van Hoop, Lef & Trots heeft nog te weinig laten zien om het politieke beleid op haar merites te beoordelen. Dat is dan weer een geluk bij een ongeluk.
Enfin, voor dat wij in Amsterdam domicilie zochten, woonden wij in Hoorn, de geboorteplaats van Coen. En als we dan bij mooi weer na schooltijd wel eens het terras van d’ Oude Waegh opzochten, dat was om de hoek, de geschiedenis is altijd om de hoek, dan keken we op de geweldige kont van deze nationale held. Dat heb ik altijd ongemakkelijk gevonden. Niet de kont maar dat van die ‘held’. Iemand die in een paar dagen tijd een paar duizend mensen over kling joeg en die in tien dagen tijd ten eigen bate een complete beschaving uitroeide vereren met een standbeeld? Voor wie die geschiedenis niet kent: lees Ghosh. Om het monopolie op de zeer lucratieve nootmuskaathandel te verkrijgen ging men over lijken. En meer. En gruwelijker.
Nederland heeft niet zo veel op met standbeelden. Met dit beeld was er al in 1893 gedonder toen het op de Rode Steen geplaatst werd. We wéten dus al heel lang dat er aan die VOC gitzwarte randen zitten die de Gouden Eeuw lelijk ontsieren. Coen was bij uitstek de vertegenwoordiger van die genadeloze roofmentaliteit en dat mensonterende kolonialisme. Onze nog altijd tamelijk moeizame relatie met Indonesië laat zien dat onrecht dat in het verleden is begaan is niet zomaar in de nevelen van de geschiedenis opgelost.
‘Dispereert niet!’ luidde Coens lijfspreuk maar dat doe ik juist wel. De huidige gemeenteraad van Hoorn tobt nog steeds besluiteloos wat met dat beeld van die genocidepleger aan te vangen. Het is een studie waard om te zien van welke vluchtroutes men zich collectief bedient om Coen maar op z’n sokkel te laten staan. Een op instigatie van een groot deel van de Hoornse bevolking haastig toegevoegd bordje met de informatie dat Coens gewelddadige optreden op die Banda-eilanden in 1621 ‘niet onomstreden’ is, vermag de schaamte niet te bedekken. Ongeïnformeerdheid, Vooringenomenheid, Onverschilligheid. Maar het meeste van deze drie de onverschilligheid.
Toegegeven, Coen zomaar van z’n sokkel trekken is ook niet zo’n goed idee. Hij representeert namelijk een mentaliteit die in zijn tijd dominant was. Nu vrees ik niet alleen toen maar ook in de huidige tijd. Hoe onthul je de ware gedaante van een roofzuchtige mentaliteit? Dat is wel even wat anders dan het betalen van een opgelopen boete.
Beeld: satelietopname van het Waddengebied, links onderin het Balgzand
‘Droegjij toen een sweater?’ vroeg mijn vrouw bevreemd toen zij mijn notitie van gisteren had gelezen. ‘Met een boodschap?’ Dat klonk nog onthutster. ‘Wees wijs met de Waddenzee? En, hoe staat het nu met jouw fietsende wijsheid?’ In het kwart van die halve eeuw dat wij nu met elkaar gaan had zij mij nooit anders gezien dan in een overhemd met een jasje. Wel met spijkerbroek, want ik wilde voor onze leerlingen wel natuurlijk benaderbaar blijven. Tegenwoordig draag ik onopvallende vesten. Langs het Wad zwerf ik nog even graag.
Kennis en wijsheid onderhouden een bijzondere betrekking. De kennisgeving van het Centraal Justitieel Incasso Bureau, bijvoorbeeld, dat je toen en toen daar en daar de snelheidslimiet hebt overtreden kan leiden tot het zelfinzicht watstom van mij. Dat is nog lang geen wijsheid maar zou daartoe kunnen leiden. Het is overigens flauwekul dat wijsheid met de jaren komt. Mijn vrouw, bijvoorbeeld, lijkt van oordeel dat bonnen tot de vaste lasten behoren. Dat is helemaal niet zo maar niettemin blijft zij dat van oordeel. Ik laat nu maar in het midden bij wie de wijsheid haperde. Ik wou het alleen maar even over een makkelijk voorbeeld hebben om dan te accelereren naar een hoger niveau.
De volgende scenario’s zijn denkbaar.
Ontkenning (ik houd mij altijd aan de toegestane snelheid)
De schuld bij de ander leggen (jij reed toen en toen en daar en daar)
Vergoelijking (we dreigden te laat te komen; iedereen reed daar te hard)
De meting ongeldig verklaren (ik reed op cruisecontrol; die camera deugt niet)
Het verkeersreglement ter discussie stellen (30? Dáár?!)
De eerste drie reflexen blijven binnenskamers en iedereen kan naar aard en gedrag één naar voorkeur inkleuren. Als je daar eenmaal mee begint is er geen houden meer aan! Niettemin, betaald zal er moeten worden.
Bij 4. moet er een bezwaarschrift aan het CJIB worden opgesteld: de feiten worden ter discussie gesteld. Huur een goeie tekstschrijver in. Succes! Overigens, wél eerst betalen.
Bij 5. zijn er verschillende voortzettingen mogelijk. De parlementaire weg is hobbelig en tijdrovend maar voorkomt in elk geval het Siciliaanse verkeersbeeld van wie er het eerst is heeft voorrang. Dat geeft maar ander ongemak.
Kinderachtig allemaal, hè? Dan nu de accelaratie. Het Wad is natuurlijk geen verkeersplein, al lijken sommigen daar wel zo over te denken. De vergelijking betreft hier de reactiepatronen. ‘Hoe kan ik met mijn garnalenkottertje de Waddenzee nou leegvissen?’ (1) ‘Dat doen alleen die Urkers natuurlijk met hun verwoestend grote sleepnetten.’ (2) ‘Iedereen wil op vrijdag toch z’n sliptongetje op het bord?’(3) ‘Wat weten die pennenlikkers nou van vis?’(4). ‘Dat maken wij als beroepsvissers zelf wel uit.’ (5).
Alweer toegegeven, de vergelijking is krom. De vele malen desastreuzere klimaatverandering en de almaar stijgende waterspiegel krijg ik er niet goed in geprutst. Over de vogels heb ik het nog niet eens gehad en evenmin over de schaamteloze ontkenning van klimaatverandering. De werkelijkheid is altijd weerbarstiger, grimmiger en nog onontkoombaarder. Maar als ik nou eens goed mijn best zou doen dan lukt het vast wel om het eindeloze gesodemieter om (bijvoorbeeld) het traineren van verbod op de kokkelvisserij of het schaamteloze gekronkel om toch in de Waddenzee naar gas te boren ergens in het schema onder te brengen. ‘Het is niet erin, maar eronder’, beweert de NAM met droge ogen. En: ‘de Nederlander wil in de winter toch een brandende kachel?’ Let op dat ‘de’. Ik draag een vest bij kil weer.
Eén fundamenteel verschil met een opgelopen verkeersbon moet benoemd: het Wad kent helemaal geen CJIB. Dat wezenlijke verschil maakt de situatie alleen maar verdrietiger. Als wij niks doen verdwijnt zij gewoon. Tja, dan is dat probleem ook opgelost.
Zullen we de komende vakantie op de fiets naar Schiermonnikoog? stel ik mijn vrouw voor, zwetend op mijn beproeving van wijsheid. En zal ik bij de Waddenvereniging eens informeren of ze die sweaters nog hebben?
Vanuit Nederland gezien begint de Waddenzee bij het Balgzand: die enorme wadplaat tussen Wieringen, Den Helder en Texel. Jarenlang was dat het uitzicht van mijn kleine huis op de hoogte van Oosterland, vlak naast het kerkje. Van daaruit zwierf ik langs het wad. Daar leerde ik de bewegingen van de vogels te volgen, de beweging van de getijden. Als mensen mij daar dan eindelijk gevonden hadden hoorde ik niet zelden dat ik aan het einde van de wereld woonde. Ik liet hen hartelijk in die waan want ik was gesteld op de rust. Over mijn bijna dagelijkse ervaringen dat we het begin van de wereld aanschouwden deed ik er het zwijgen toe. Het woord epifanie meed ik helemaal als de pest. Maar toch was het zo. De hemel zij geprezen dat het Balgzand niet vrij toegankelijk is.
De Waddenzee met haar eilanden strekt zich langs de Duitse en Deense kust helemaal uit tot Esbjerg. Bijna al die eilanden heb ik ooit wel eens bezocht. Op de fiets, hoe anders, als je student bent, en ook nog getalenteerd idealist? De Vereniging tot behoud van de Waddenzee bestond toen nog niet zo lang maar ik adverteerde al fietsend met de sweater met het logo: Wees wijs met de Waddenzee. Ach. Veel herinneringen aan die ontdekkingsreizen kwamen afgelopen week weer bovendrijven toen ik de documentaire As the tide comes in (2023) zag. Die had ik indertijd gemist bij de IDFA / Movies That Matter maar gelukkig bleek De Groene Amsterdammer die nog uit te zenden. Er zijn, ook gelukkig, nog idealisten.
De film volgt het dagelijks leven op Mandø, een van de laatste Waddeneilanden van die parelketting van kwetsbare schoonheid. Ik ruik weer het zilt van de schorren, zie het water weer opspatten voor mijn voorwiel toen ik over de dam naar het eiland fietste, het zonlicht maakte er zilver van. Ik moest vaart maken, alleen bij eb was het eiland bereikbaar. Ik hoor weer de sterntjes, de tureluurtjes, zie weer de vluchten strandlopertjes boven het water zwenken.
De documentaire volgt vooral de bezigheden van de laatste boer van het eiland, Gregers. Die is vooral doende zijn land droog te houden voor het stijgende water. Ja, een vrouw om het leven mee te delen, dat zou hij ook wel willen. Maar wat heeft hij dan te bieden? vraagt de Deense variant van Boer zoekt Vrouw hem. Gregers is lang stil. De natuur, bedenkt hij dan eindelijk. Leven op dat eiland is al eeuwen lang rekening houden met de getijden. Dat ging in het verleden wel eens mis. Maar nu is er een dreiging bijgekomen: door de klimaatsverandering komt dat water steeds hoger. En vaker. Het is niet langer de vraag of het verkeerd af zal lopen. Maar wanneer.
Je hoort en ziet de laatste tijd steeds vaker beelden van eilanden in de Stille Oceaan die ten gevolge van de stijgende zeewaterspiegel ten onder dreigen te gaan, Tuvalu bijvoorbeeld. Dat is ver weg. Maar gefortuneerden boeken een vliegreis om dat eens met eigen ogen te aanschouwen. En er daarna bevlogen (zegt u dat wel) over te ouwehoeren in een of ander mondiaal forum ter bevordering van het ecobewustzijn. Idealisme, zegt u dat wel. Pfff . . .
Vijftig jaar geleden wisten we al dat het mis ging met de Waddenzee. Het getijdegebied uitroepen tot werelderfgoed heeft daar geen spatje aan veranderd. Dit is geen oproep met z’n allen nu maar naar Mandø af te reizen. Ze hebben daar al genoeg last van de gesel van het toerisme en het adverteren heb ik afgeleerd. Maar die documentaire bekijken zou toch moeten kunnen. As the tide comes in laat in al z’n lulligheid akelig scherp zien hoe we er voor staan. En hoe dichtbij het is. En hoe precair.
De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) koos dit jaar voor het thema Je moerstaal. Nu is taal zeg maar echt mijn ding, om het in het Paulien Cornelisses te zeggen, dus ik aan het zoeken naar excuses om naar de boekhandel te mogen gaan om dat essay te bemachtigen dat Cornelisse in het kader van de Boekenweek schreef: hè hè; over wat we zeggen zonder dat we het doorhebben. Ik had het in een uurtje uit. Dit is geen kwalitatieve beoordeling want het essay is rijk aan hilarische maar vooral liefdevolle observaties van alledaags taalgebruik. De kern: met woordjes als hè hè vertellen we veel meer over onszelf dan in de boodschap waarin we die woordjes frommelen, zonder daar erg in te hebben.
Hoe misleidend taal kan zijn moet inmiddels toch wel iedereen zijn gaan dagen die zich eens ernstig afvroeg wat ‘Hoop’ nu precies betekent in de drieslag Hoop, Lef en Trots. De verantwoordelijk politici zullen er inmiddels ook wel achter zijn: dat is niet veel meer dan op een hoop gegooide mooie beloften van eigenbelangetjes. Het huidige rollebollen om besluiteloosheid te maskeren is daar een regelrecht gevolg van. Een volgende keer over de woordjes lef en trots.
Ik heb mij plechtig voorgenomen niet als misantroop door dit leven te gaan dus ik zal ook de CPNB maar niet fileren op het ‘catchy’ thema ‘Je moerstaal’. Allicht moet de kachel roken. Nou, ik heb gisteren in de boekhandel mijn best wel weer gedaan. Boeken zijn zeg maar echt mijn ding. En met de verrassende invallen van Paulien Cornelisse kan ik weer jaren vooruit, vooral met haar houding van je laten verrassen. Wat zit er ónder taal?
Wat mensen beweegt is zelden eenduidig. Wat groepen van mensen beweegt is nog veelduidiger. Waarom de CPNB koos voor een Boekenweekgedicht van een van oorsprong helemaal niet Nederlands sprekende dichter is daarom giswerk. Geen beginnen aan. Maar o, wat kun je soms op mooie dingen stuiten, verrast worden, als je niet precies je reisdoel bepaald hebt en nog niet weet waarheen je eigenlijk beweegt. Wie van te voren al wat vindt, heeft slecht gezocht, zegt Kopland daarover. Omdat ‘de natuur’ zeg maar echt mijn ding is citeer ik hier het hele gedicht:
in welke taal zal ik je woorden geven zodat we elkaar opnieuw kunnen vinden in welke blik, welke stilte gaan we elkaar weer verstaan?
in welke regel moet ik het stotteren van de zon uitleggen laag na laag, wolk na wolk als we van elkaar slechts schaduwen herkennen
in welke taal kan ik je omarmen zodat je blijft in welke taal moet ik de zee oproepen, naar de bladeren luisteren in de spiegels van rivieren of met de oren van rotsen?
zie je, om begrepen te worden heb ik mijn taal achter de bergen gelaten mijn accent aan de golven geknoopt de taal van bomen en wolken geleerd de taal van treinen en seconden
en mijn taal klopt sterker dan mijn hart grijpt vaster dan mijn handen gaat verder dan mijn voeten en brengt jou dichterbij