
Gewone vink; foto René de Waal
Het was afgelopen woensdag al zo alomlenteachtig lenteweer dat het me niet eens opviel dat het wel de allereerste keer dit jaar was dat ik de vinkenslag weer hoorde. Gek, op de komst van andere vogels kan ik mij eindeloos hunkerend verheugen. We zágen ze ook, duikelend van de ene bomenrij in het laantje naar de andere. Ze volgden elkaar, en ons. Op een of andere manier sprak dat allemaal vanzelf. Nu is alles in de natuur ook wel vanzelfsprekend – tot je erover na gaat denken.
Alle omstandigheden moeten in orde zijn: licht, temperatuur, beschikbaarheid van voedsel. Kleine veranderingen doen ertoe. Maar een grote verandering zoals die van afgelopen woensdag – en opeens was het geen grijze winter meer maar een uit z’n voegen barstende lente – is kennelijk té groot, er gebeurt te veel om allemaal te registreren. Alles stond open als bij liefde op het eerste gezicht. Een ongekend weldadig en intens thuiskomen. Alleen diepe meditatie vermag dat ook op te roepen.
We hoorden woensdag alleen de vinkjes, en dan ook alleen omdat ik mij er nu bewust over verwonder, maar misschien roerden zich al veel meer vogels. Dan heb ik die niet gehoord, niet kúnnen horen. Mijn gehoor ‘slijt’. Van alle natuurlijke dingen vind ik dat een van de moeilijkste dingen om te aanvaarden. En ik ben er nog niet aan toe me met spijtige gelatenheid dan maar te werpen op de zeevogels, die zich zoveel kenbaarder maken dan kbv-tjes. (‘Een wat?!‘ wil mijn vrouw weten als ik op haar vragen welke vogel daar voorbijvloog ‘een kbv-tje’ suggereer, een klein bruin vogeltje. Dat worden er steeds meer. Ook komen er gbv’s bij, al kan ik van de grote de kleur vaak nog goed onderscheiden.)
Het ging vanmorgen eigenlijk nog anders. Gisteravond las ik in een interview met Koos van Zomeren in De Groene Amsterdammer dat hij nog steeds nadenkt hoe hij het geluid van een vogel in taal kan vangen. Dat kan natuurlijk niet, maar toch. Bij de zilvermeeuw kwam hij uit op ‘smalende keelklanken’ en dat vond hij uiteindelijk toch goed gevonden. Soit. Van Zomeren heeft mooiere omschrijvingen bedacht, bijvoorbeeld die over het foerageergedrag van de kanoeten: ‘ze naaiden modder aan het wad.’
Maar over de mooi- of lelijkheid van de vergelijking gaat het me niet. Over goed en kwaad gaat het in de natuur evenmin, en nee, de natuur is geen spiegel. Misschien is dat ook wel het bevrijdende van in de natuur rond banjeren. Je kunt er thuis komen.
Ik ging slapen met de gedachte dat Van Zomeren zich nu hij eerdaags tachtig wordt ook is gaan toeleggen op de zeevogels. Het is dan gewoon moeilijker om de staartmezen of de goudhaantjes nog te horen. Over de hinderlijk toenemende beperkingen met het vorderen der jaren heeft hij uitvoerig verteld in We gaan zo (Privé-domein nr. 335, 2025). Dat aanvaarden is trouwens ook een vorm van thuiskomen.
Vanmorgen zag ik dat interview weer geopend terug op mijn schrijftafel. En nu bedenk ik dus dat we woensdag die vinkjes ook gehóórd moeten hebben. Ik weet het zeker. Ik hoor ze eigenlijk nu pas, met mijn innerlijk gehoor.









