
‘Minder wreedheid’, zou de Amerikaanse filosoof Richard Rorty hebben geantwoord op de vraag wat hij de mensheid ten diepste en het meeste toewenste. Het schoot de laatste dagen steeds door mij heen, ik herinnerde me dit ooit eens opgekrabbeld te hebben, (Less cruelty! Rorty! ), had me ooit voorgenomen eens uitzoeken in welke context Rorty dit zei, uit welke overwegingen en langs welke gedachtelijnen dit voortkwam. Vanmorgen vroeg vond ik het krabbeltje terug, het stak uit Varlam Sjalamov’s verhalenbundel Kolyma; verhalen uit de Goelag Archipel (1982).
Sneeuw jaagt langs de straten, vlokken kleven aan de ramen, de parkrand is nog nauwelijks zichtbaar, geen mens waagt zich buiten. Ja toch, een enkeling durft het aan, moeizaam vorderend, gebogen tegen de gure wind, fiets aan de hand. Het voorwiel glijdt steeds weg. Geen doorkomen aan.
Ik kan heel nauwkeurig duiden waarom ik juist in Sjalamov vond wat ik vanmorgen zocht. Maar het vergt een boek om dat uit te leggen, een eeuw om dat te schrijven, vermoedelijk nog ettelijke meer om dat te begrijpen. Ik volsta er nu maar even mee dat Lisa Weeda’s verhaal over haar grootmoeder (Aleksandra, 2021) de aanzet gaf. De gruwelen die in de jaren dertig werden begaan in dat deel van Europa dat door een andere Amerikaan, Timothy Snyder, Bloodlands heeft genoemd. De holodomor. De waanzin van de nazi’s die daarop volgde. De repressie van alle jaren daarvoor en daarna. Solzjenitsyn’s documentatie Goelag Archipel, die pas in de jaren ’70 het Westen bereikte. Al die beschrijvingen van onvoorstelbaar leed. Vasili Grossman. Primo Levi. Imre Kertész. Al die anderen. Over Auschwitz. Over Sobibor. Maar vooral Sjalamov. Over Kolyma. Dat is geen plaats. Dat is de gesteldheid van ultieme wreedheid.
In het verhaal Een “makkie” beschrijft Sjalamov hoe hij eens als taak kreeg de naalden van een dwergden te verzamelen, de stlanik. Volgens de raadselachtigheid van sovjetwetenschap kon daar vitamine C uit worden gewonnen. Ofschoon daar geen enkel bewijs voor was gold de Moskouse doctrine dat het extract dat uit de naalden werd gebrouwen in die omstandigheden levensreddend zou zijn. Iedereen doorzag het bedrog maar toch was het verzamelen van die dennennaalden in de sneeuwwoestenij als een zegen te verkiezen boven het moeten afdalen in de ijskoude mijnschachten om daar goud te delven. Eigenlijk was dat vakantie. Ook al kreeg je na een dag ploeteren in de sneeuw alleen waterige soep: “Voor licht werk als dit kreeg je alleen soep.”
Ik herlas het verhaal, rillend. Maar dat ik het weer opzocht was vooral omdat ik mij herinnerde dat Sjalamov nog meer over die den vermeldt. Die stlanik voorspelde het weer. Als niets er nog op wees ging hij liggen. Dan kwam er sneeuw en grotere narigheid. Als hij zich in de oneindige poolwinter opeens oprichtte was er lente op komst. De bergroos, ‘de enige bloem hier die ook als bloem rook’, zou dan spoedig verschijnen in die arctische leegte.
Sjalamov zal niet zonder opzet zijn schetsen over Kolyma met dit verhaal zijn begonnen. En al helemaal niet om te suggereren dat achter de wolken de zon schijnt. Van mensen verwachtte hij niets meer, niet veel tenminste, en als je zijn verhalen leest ontzinkt je de moed dat wel te doen. Hoe hij in zichzelf veerkracht vond om na 17 jaar mensontering dit op te tekenen, en waarom, is bijkans onbevattelijk.
Op de radio hoor ik berichten over gestrande reizigers. Er is iets met de-icing fuel. Er is veel leed, begrijp ik. Treinverkeer komt niet op gang. In Kramatorsk sneeuwt het aanhoudend, de temperaturen dalen de komende week tot ver onder nul. In het Moskouse Kremlin blijft het grimmig stil. Trump bespreekt ijzig de optie zich Greenland gewapenderhand toe te eigenen.
Over heel de wereld lijkt eigen leed wreder.













