
Om mijn warhoofd tot rust te brengen was ik gaan fietsen. Er gebeurt tenslotte van alles in de wereld en een burenruzie is het niet. Hoe mij daartoe te verhouden?
Overal is de herfst al gaande. Ik hoopte mijn boosheid over de wereld eruit te trappen, ik hoopte dat al mijn wraakzucht mij zou verlaten, mij los zou laten zoals de boom zijn blaadjes los moet laten.
“Tuig!” drukte mijn gemoed te netjes uit. Zelfs als keurige politici er ‘van de richel’ achter persen krijgt mijn boosheid geen lucht. Dat zeggen sommigen ook van de journalisten die de wandaden van de demonstratie afgelopen zaterdag poogden te verslaan. Je moet zo uitkijken met taal tegenwoordig, voor je het weet kwets je een hele bevolkingsgroep. ‘Onderkruipsels!’ dan maar, ‘Uitschot! Satansgebroed!’ Zo tierde ik door, almaar verwoeder trappend. Het hele Groot Scheldwoordenboek werkte ik af en nochtans bekoelde ik niet. De blaadjes bleven vallen.
In het volgende bos bedacht ik straffen. Dat zou ze leren! Het hele repertoire van moderne en antieke martelmethoden dacht ik in te zetten. Uit de krant doe je genoeg ideeën op. Maar toen viel mij in dat er in dit land een cellentekort is. ‘Hersencellentekort zullen ze bedoelen!’ corrigeerde mijn rechterbrein. En mijn woede kreeg een nieuwe impuls. De blaadjes bleven vallen toen ik in buitenlandse talen mijn scheldlust de vrije loop liet. ‘Scum! Rapaille! Wildschweinhunde!’
Nog geenszins afgemat kwam ik in het derde bos. Ik laat ze zelf nieuwe cellen bouwen! Met die blote handen waarmee ze zich vergrepen hebben aan onze dienders! Eigen cellen eerst! Ik zag de producten van mijn wraakzuchtige verbeelding voor mij. Ik bedacht de grootte hunner kooien en paste die aan op de toekomstige lengte van hun verblijf, die gelet op de ernst van hun vergrijp of misdaad zouden variëren, alles nog net in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daar waren algoritmes voor op te stellen. En ik zag de blaadjes vallen.
Enzoverder enzovoorts. Na een bos of zeven geraakte ik toch weer thuis. ‘En?’ vroeg mijn vrouw, ‘waar ben je geweest?’ ‘Ga maar kijken op de Utrechtse Heuvelrug,’ hijgde ik uit, ‘en volg het spoor van vernielingen. Daar ben ik geweest.’
Mijn vrouw keek mij in de ogen. ‘Zo,’ zei ze, ‘je bent het nog niet kwijt hè?’
En na een tijdje: ‘Hang die blaadjes dan nu maar weer terug.’









