
1.
De tijd is recht. Lineair. Kijk maar in je agenda en aan de onverbiddelijkheid van het verloop van de tijd is niet te ontkomen. Als je tijd zo opvat, is er sprake van vooruitgang: morgen wordt alles beter. Zo denken sommige politici. Of van achteruitgang: die tijd toen, herinner je je? die was goudomrand. Zo denken andere politici. Heimwee en verlangen, denkt de dichter. Beide zijn natuurlijk illusie. Zo denkt de dwaas.
2.
Tijd is krom. Cyclisch. Kijk maar naar de seizoenen en ervaar dat het weer zomer geworden is. In het rustpunt van je eigen natuur neem je waar welke verschijnselen zich allemaal in een jaar hebben voorgedaan. En hoe je in wezen, in het hart hetzelfde bent gebleven. ‘Ewige Wiederkehr des Gleichen.’ (Nietzsche). Ook een illusie. Zo denkt de wijze.
3.
Met 1 en 2 is het vaak wringen. “Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. ‘Het leven heeft me veel geleerd,’ zegt de oue sok.” (Nescio)
Of wisselen zich af. Je moet een evenwicht zien te vinden tussen Chronos en Kairos, zegt filosofe Joke Hermsen in Stil de tijd (2009). Tja. Hoe?
4.
Soms helpt een afbeelding iets ingewikkelds in een klap te verhelderen. De beroemde ring van Möbius bijvoorbeeld. Nog beter: niet de tekening maar een zelfgemaakte. Neem een lange strook papier, draai die een slag en plak de uiteinden aan elkaar. Volg dan met je vinger het lineaire verloop en verbaas je erover op hetzelfde punt uit te komen. De kleinkinderen waren verrukt toen ik die ring heel precies in tweeën knipte: het bleef één ring! En nog verrukter toen ik die ring nóg een keer in tweeën knipte: het werden twee ringen! Enzovoort. Ik ben weer kind. Soms zit ik aan de achterkant van de tijd.
5.
Nóg mooier vind ik de fles van Klein (geen kleine fles maar genoemd naar Felix Klein, 1849-1925). Denk je die eens heel groot in, bijvoorbeeld zo groot als Amsterdam. Of nog groter. Wat is binnenkant? Wat is buitenkant?
6.
En zo herbegin ik iedere dag hetzelfde gedicht. Het kan niet gezegd. Het woord stilte verbreekt diezelfde stilte. Zoiets. In mij huizen dwaas en wijze. Mijn dichten is een pogen. Het spelletje is dit: dichten opvatten als het vullen van een gemis, van een gat. Het is maar een spelletje.
7.
Binnenstebuiten
blijkt precies in het midden
buitenstebinnen
∞.
Een vermoeden van de eeuwige Tao.











