
Naar alle kanten
open gaan – en verwaaien
hazelt de hazelaar

Naar alle kanten
open gaan – en verwaaien
hazelt de hazelaar

Foto zwarte specht: Natuurmonumenten
Spaanders in het rond
als de specht uit z’n dak gaat:
wat een timmerman!
_____
Opm.
Al een week of twee zijn twee grote bonte spechten alle bomen hier aan de parkrand aan het afstropen: bijna de hele dag hoor je ze ergens roffelen, hameren of hakken. Af en toe zie je er een voorbij schichten met die kenmerkende spechtenvlucht. Al die geluiden hebben een specifieke betekenis. Vogels kijken is vooral vogels luisteren. Het hameren duidt op het toenemende aantal insecten – de temperatuur stijgt richting lentewaarden. De zangvogels zullen nu ook wel spoedig terugkeren. Alles is in beweging in de natuur.
Op de foto een zwarte specht. Die heeft voorkeur voor oud, hoogopgaand hout en die zie je hier dus niet vlak bij huis. De foto kan zo maar in de Kaapse Bossen bij Doorn gemaakt zijn. We zijn daar vorig jaar een hele dag naar die geheimzinnige, schuwe specht wezen zoeken. Je hoorde hem overal maar telkens zat hij net aan de andere kant van de boom. Zijn aanwezigheid bleek niet alleen uit die luide roffel en zijn spechtenlach. Overal in de bomen zaten gaatjes waar precies een eikel of hazelnoot in paste. Voorraad. Maar ze maken ook ieder jaar een nieuw onderkomen. Dit is de tijd.
Over de haiku nog dit. Die berust wel op een voor de hand liggende vergelijking maar is zelf geen metafoor voor iets anders, laten we zeggen de politiek. Dan kun je wel aan de gang blijven met al dat overmoedige vooruitgangsdenken. Zo werkt de natuur helemaal niet en mensen die op zo’n manier in de spiegel kijken zien vaak alleen wat ze zelf willen zien. Die spechten doen wat spechten nou eenmaal goed kunnen en als je daar aandachtig acht op slaat zie je dat heel veel andere dieren daarvan profiteren: boommarters, bosuilen, boomklevers. Geen uitgehakt hol blijft onbenut, geen eikeltje vergeten. Het weefsel van de natuur is veeldradig, veerkrachtig en uitermate precies

Ali Banisadr, Broken Land, 2015
zegt Li:
een pond veren
vliegt niet als
er geen vogel in zit
Bert Schierbeek, De tuinen van Suzhou, 1989

Ali Banisadr, Devine Wind, 2012

GENESIS
Het was de zesde dag. Adam stond klaar.
Hij zag de eiken met hun volle greep
in het niets. Macht is een kwestie van vertakkingen.
Hij had de bergen gezien, opbergruimtes van
alleen maar zichzelf, hoge leegstaande kelders.
En herten. Met poten zo dun als stethoscopen
stonden ze te luisteren aan de borst van de aarde,
en zodra ze iets hoorden, liepen ze weg,
de uitvinding van het pizzicato met zich meenemend,
verten in. Herten.
En hij had de zee gezien, het laden en lossen van drukte,
waar je rustig van werd. En de lege, hetzerige gebaren
van de wind, van kom mee, kom mee, en niemand volgde.
En diepte, afgronden waar je moeilijk van werd. En zwijgen,
want dat deed het allemaal, en te groot zijn.
En toen zei God: en nu jij. Nee, zei Adam.
Herman de Coninck, De hectaren van het geheugen, Proloog, 1985

Het zachtste ter wereld overwint het hardste.
Niet-zijn doordringt wat zonder tussenruimte is.
Ik weet daardoor de kracht van het niet-doen.
De leer zonder woorden,
De kracht van het niet-doen.
Weinigen onder de hemel zijn er aan toe.
Ik citeer hier hoofdstuk XLIII uit de Tau Teh Tsjing uit mijn exemplaar, de vertaling van ir. J. A. Blok (1984). Ik had ook de nieuwste vertaling kunnen geven, die van Kristofer Schipper (2010):
Het allerzachtste ter wereld overwint het allerhardste.
Wat leeg is kan doordringen in wat geen tussenruimte heeft.
Hierdoor weet ik waarom het nietsdoen de voorkeur verdient,
De leer zonder woorden,
Het voordeel van het nietsdoen:
In de hele wereld zijn er zeer weinigen die dit kunnen bereiken,
Wie wil zeuren over de beste vertaling moet dat vooral doen. Water gaat zoals het gaat. Kennis kun je overdragen. Hoe draag je wijsheid over?

Hoe gaat alles vanzelf? Oeps! dacht ik, toen ik die vraag van gisteren teruglas. Die ging over de smienten. Maar natuurlijk ook over alle vogels met trekgedrag. En over mijn verwondering daarover – en mijn gevoel deel uit te maken van bewegingen in de natuur die ontzagwekkend veel groter zijn dan mijn particuliere leventje. De eerste keer dat die vraag hoe gaat alles vanzelf? zich in alle verpletterende eenvoud aan mij voordeed, was toen ik aan het Wad woonde en de miljoenen en miljoenen bewegingen van al die vogels gadesloeg. Dag na dag, eb na vloed, de seizoenen in en uit, jaar na jaar, getijde na getijde. Wat doen die strandlopertjes híer? Wat doen de wulpen dáár? Wat roepen de tureluurtjes? Waarom houden de eidereenden zich elders op? De vraag opende een poort naar een totaal ander dimensie, één die veel belangrijker was dan wat op dat moment persoonlijk voor mij van belang was.
‘Het gaat vanzelf’ betekent vooral: het gaat moeiteloos. Weerstand, tegenstand wordt harmonieus opgelost omdat er een harmonie is die groter is dan het individuele belang. Je kunt ook zeggen dat ego geen rol speelt. Er is geen Super Smient. Vergelijk daar de ontmoeting gisteren tussen de president van Oekraïne en die van de Verenigde Staten eens mee.
Hoeveel wonderlijker dan die der smienten is de werkelijkheid van de mensen. Wu wei, dacht ik steeds maar toen deze horror tot mij kwam. Wu wei.

Foto: Belterman / BNNVara Vroege Vogels
Wie fluit toch het sein
onder al die smientjes
om op te breken?
_____
Opm.
Een smient snatert niet maar hij fluit. Ook dát is een reden om ‘m een bijzondere eend te vinden. Ze zijn hier alleen in de winter: overal waar open water is met veel vluchtmogelijkheid dobberen ze dan in grote aantallen rond, in de Gouwzee bij Monnickendam bijvoorbeeld, of op de Ouwerkerkerplas. Langs het hele kustgebied. Broeden doen ze in Scandinavië.
De winter is de tijd om ganzen en eenden in de lucht te horen. Hun roepen maakt het verder zo zangloze seizoen spannend. Dat doen ze niet om een territorium af te bakenen of om te baltsen, wel om te waarschuwen als er onheil nadert. Een vos! Een mens! In één beweging is dan een hele groep op de wieken, soms met tienduizend tegelijk.
Zo ergens eind februari, begin maart vertrekken de smienten weer naar het noorden. Opeens ontdek je dan dat ze weg zijn. Niemand weet hoe die smienten nou weten dat ze in hun arctische broedgebieden weer welkom zijn. Die smientjes wel. Alles lijkt vanzelf te gaan. Hoe?
De geluiden van de winter zijn al aan het versterven. De weidevogels zullen de luchten weer gaan bevolken. Alles lijkt vanzelf te gaan. Hoe gaat alles vanzelf?

Beeld: Laura Groenhart, landschap van de ziel, 2013
Ik houd erg van gedichten. Ik houd ook erg van deze lage landen bij de zee. Maar nu dit weer: vanaf deze week zal de eretitel ‘Dichter des Vaderlands’ worden vervangen door ‘Dichter der Nederlanden’. Had ik dan een vaderland?
Toen Gerrit Komrij (1944-2012) in het jaar 2000 van onze jaartelling deze titel aanvaardde was ik bedacht op ironie. Met die stijlfiguur gevoelde ik mij wel thuis dus ik sloeg er onbekommerd verder geen acht op. Komrij ’s vaderland kon voor mijn part ook het mijne zijn: “Er is een fabeldier dat ‘Komrij’ heet, / een wonderlijke naam voor zoiets aardigs / ( . . . ) / Hij is een hond, niets meer. Zijn hele leven / zal hij een wezen zijn ‘dat steeds begrijpt’. / Alleen diep in de nacht jankt hij soms even, / daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt.” Kijk, zo’n dichter die ook zichzelf op de korrel neemt, die mag ironisch spreken namens mij. Terwijl er héél veel dingen nu net niet namens mij gedaan of gezegd mogen worden. Maar ik beperk mij nu even tot de poëzie.
Het lachen is mij op het vlak van de ironie wel vergaan. Kom nou niet aan met ‘dat is de tol van de democratisering van het poëtisch instrumentarium’, want voordat we er erg in hebben zitten we dan in een dobberend debat over de culturele elite. Daar is geen enkel land mee te bezeilen. Satirici klagen steen en been dat de huidige politici hen het brood uit de mond stoten: het clowneske van hun gedrag is dermate geprofessionaliseerd dat een parodie het niet háált bij het origineel
.
Het epitheton des Vaderlands vervangen door der Nederlanden laat misschien zien dat het de huidige dichteres Babs Gons (én met haar de Fotograaf, Theoloog, Componist, Denker, Stripmaker der Nederlanden) ernst is. Weg met die ironie! Oprekken die grenzen! Inclusiviteit! Ik vraag mij af of het helpt. Zolang er staatsgrenzen in het geding zijn blijft het aanmodderen, of je moet al politiek willen bedrijven. Maar volgens mij is dat nou net ironie in ’t kwadraat.
Ik liep in mijn geheugen de dichters na die mij lief zijn. Van wie heugde mij nog een gedicht waarvan ik het gevoel had dat dat iets zei over deze lage landen bij de zee, waar ik toch intens van houd en waarvan ik de taal nu al aardig spreek? Natuurlijk gaat het dan om het landschap van de ziel. Ik kwam op deze:
D E V O O R P O S T
Mijn belegerd leven lijkt soms een voorloopige
Vestiging voor een toekomstig rijk;
Ik moet het houden, doe vaak wanhopige
Pogingen om ontijdig op te breken,
Als ik lijd aan ’t heimwee naar de zalige streken
Die ik verdedig en zelf nooit bereik.
J. J. Slauerhoff, Serenade, 1930

HEMEL
Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel.
Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.
Een opening en niets daarbuiten,
maar wijd open.
Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht,
noch mijn hoofd in de nek te leggen,
om de hemel te beschouwen.
Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden.
De hemel omwindt me strak
en tilt me van onderen op.
Zelfs de hoogste bergen
zijn niet dichter bij de hemel
dan de diepste dalen.
Op geen enkele plaats is meer hemel
dan op enige andere.
De hemel drukt even absoluut
op een wolk als op een graf.
De mol kan zich even hemels voelen
als de uil die zijn vleugels wiegt.
Een ding dat in de afgrond valt
valt van hemel in hemel.
Korrelige en rotsachtige,
vloeibare, vlammende en vluchtige
lappen hemel, kruimels hemel,
vlagen hemel, stapels.
De hemel is alomtegenwoordig
zelfs in het onderhuidse duister.
Ik neem hemel op, scheid hemel af.
Ik ben een val in een val,
een bewoonde bewoner
een omhelsde omhelzing,
een vraag in antwoord op een vraag.
De scheiding tussen aarde en hemel
is niet de juiste manier
om aan dit geheel te denken.
Ik kan er alleen mee overleven
op een preciezer adres
dat sneller is te vinden,
als ik gezocht zou worden.
Mijn bijzondere kenmerken zijn
geestdrift en vertwijfeling.
Wisława Szymborska, Einde en begin, 1993

PSALM
O, hoe gebrekkig sluiten de grenzen van de mensenstaten!
Hoeveel wolken drijven straffeloos over,
hoeveel woestijnzand sijpelt niet van land tot land
hoeveel steentjes rollen in provocerende sprongetjes
bergafwaarts naar vreemde landouwen.
Moet ik hier elke vogel noemen, zeggen hoe hij vliegt
of uitgerekend neerstrijkt op de slagboom aan de grens
al is het maar een mus –zijn staart hangt buitenslands,
terwijl zijn snavel thuis is. En stilzitten is er niet bij!
Van de ontelbare insecten beperk ik me tot de mier
die zich tussen de linker- en de rechterschoen van de grenswacht
niet geroepen voelt te antwoorden op diens ‘waarvandaan? waarheen?’
Ach, als je heel die chaos precies kon overzien,
op alle continenten tegelijk!
Smokkelt de liguster van de overkant niet net
blaadje nummer honderdduizend over de rivier?
Wie anders dan de inktvis met zijn brutaal lange armen
schendt de heilige zone van de territoriale wateren?
Kunnen we eigenlijk wel van enige orde spreken,
als zelfs de sterren niet uit elkaar te schuiven zijn
en we dus nooit zullen weten welke voor wie schijnt?
En dan nog dat verfoeilijke neerdalen van mist overal!
En dat stuiven van de steppe waar je ook maar kijkt.
alsof hij nergens recht doormidden wordt gesneden!
En die stemmen die op gedienstige luchtgolven weerklinken:
dat gepiep dat om iets roept, gepruttel dat niets betekent!
Waarlijk vreemd vermag alleen te zijn wat menselijk is,
De rest is gemengd bos, mollenwerk, wind.
Wisława Szymborska, Grote getallen (1976)