
Wateren rusten
in oneindige luchten –
zwanen gaan er voort

Beeld: Banksy
‘Nou,’ merkte mijn vrouw gisteren naar aanleiding van mijn referaat over Banksy ironisch op, ‘in de grotten van Lascaux is nog een schoon werk te verrichten!’ Zij houdt mij de spiegel van de ironie voor. Banksy zelf had die ook al bedacht: zie de foto hierboven. En waar blijf je dan, als je alles ironiseert?
Hierover zat ik vanmorgen op het balkon te tobben en mijn gedachten scheerden al gevaarlijk dicht langs de afgrondelijke vaststelling dat het Experiment Mensheid als mislukt moet worden beschouwd. Gelukkig slaat altijd de twijfel toe zodra ik merk dat ik op onwedersprekelijke redeneringen stuit. Zonder twijfel had ik geen vastigheid in dit wonderbaarlijke leven. Gelukkig ook woon ik op twee hoog; dit om mijn hoogtevrees niet verder te bevorderen.
Ik hoorde de halsbandparkieten langs ons balkon voorbij schetteren. Wat een leven zit daar in! De duiven doken verschrikt de bosjes in. De kraaien zwegen. Wat een oproerkraaiers, wat een wanorde! ‘Luister,’ zei mijn twijfel, ‘die parkieten zijn hier gewoon. Die duiven kunnen protesteren wat ze willen maar de natuur heeft z’n eigen loop.’
Maar Banksy had het helemaal niet over vogels, wierp ik tegen. Die tekening waar ik het gisteren over had gaat over mensenmigratie! ‘Joh, dat is politiek en da’s helemaal niks voor jou. Zit je vanavond nog te tobben en als je niet uitkijkt heb je vanavond al een blauwdruk voor de Nieuwe Wereld bij elkaar getheoretiseerd. Zijn we dan lekker klaar?! Luister, waar hebben die parkieten het vanmorgen over?!’
Ik luisterde.
En zoals dat dan gaat probeerde ik toch weer woorden te vinden voor wat ik hoorde: ze tsjilpen net als een mus van vijftig pond. En meer van dat soort onzin. En: schelden ze mij nou uit? En ook nog deze: ik wou dat het bijeneters waren, die babbelen tenminste gezellig! Ja, als je eenmaal met voorkeuren begint is het eind zoek. Ben je toch weer bezig met een blauwdruk.
‘Luister!’

Ja, als luisteraar heb ik nog een hoop te leren. En nee, politiek is niks gedaan.

Beeld: Banksy
Die vogel rechts moet opzouten van de duiven. Scheer je weg! Vreemdeling! De argumentatie is duidelijk. Het is een grappig plaatje. *)
Ene Banksy bracht zijn kunstwerk aan in 2014 in Clacton-on-Sea en daarom wilde ik daar dus alles van weten! Ik heb het indertijd niet gezien. En het was al verwijderd voordat hij zijn nieuwe kunstwerk op zijn website kon vermelden. Wist Banksy daar dan niet van? Het is namelijk zijn opvatting dat alleen de ongediertebestrijdingsdienst zulks vermag te doen. Iedereen mag zijn eigen opvatting hebben. Nou ja, ik haal nou geloof ik alles door elkaar.
Na wat speurwerk vond ik een foto waarop het werk in Clacton-on-Sea nog wel te zien is:

Dit is dus een bijzondere foto van een bijzonder moment van onze schone badplaats. Wie de man is stond er niet bij. Wel een van ons denk ik zo, met die pet en zo, maar ik ken hem niet. Ik had er zelf kunnen zitten, bij wijze van spreken. Had de foto wel opgefleurd. Dat hij met zijn rug naar het kunstwerk zit, zegt niets over wat hij van die Banksy vindt. Misschien geniet hij wel van het voordeel van een National Trust-jaarkaart.
Hieronder een later genomen foto van hetzelfde gebouwtje. Te zien is het poetswerk waar eerst de duiven demonstreerden. Broddelwerk. Een schoonmaker onwaardig. En dat in Clacton-on-Sea. De man is niet meer aanwezig. Natuurlijk niet weggepoetst, stel je voor. Misschien was hij naar het museum. Of bezocht hij net even het toilet om de hoek om naar zijn eigen gezeik te luisteren.

Ik kan niet goed tegen smeerpoetserij. Wat moeten de mensen nu wel niet denken van Clacton-on-Sea? Maar als ik daar telkens iets van zeg heb ik er een dagtaak bij. Dit geval begon mij evenwel te interesseren. Hoe is het gesteld met de ongediertebestrijdingsdienst in Clacton-on-Sea? Hoe zijn de arbeidsvoorwaarden? Hoeveel personeel? Met welke uitrusting wordt men op pad gestuurd? Wie was ongediertebestrijder van dienst ten tijde van verwijdering? Wie stuurt die dienst aan? Welke protocollen werden gevolgd? Enzovoorts.
Ik kwam niet verder dan dat er in de gemeenteraad van Clacton-on-Sea danig over gesproken is. Nigel Brown, dat is de communicatiemanager van de raad, zei:
“The site was inspected by staff who agreed that it could be seen as offensive and it was removed this morning in line with our policy to remove this type of material within 48 hours.”
Ik durf vrijuit te citeren want ik heb het van de BBC: https://www.bbc.com/news/uk-england-essex-29446232. Op mijn opgeworpen vragen geeft dit evenwel geen antwoord. Van Banksy-bashen is nadrukkelijk geen sprake, dit onderstreep ik en zeg nou zelf, het is toch een mooie tekening, want: “We would obviously welcome an appropriate Banksy original on any of our seafronts and would be delighted if he returned in the future.” “On any of our seafronts”. Dat zegt toch genoeg?!
De BBC meldt ook nog dat er vóór Banksy zijn mooie tekening aanbracht sprake is van een tussentijdse verkiezing. Alweer en ook dat nog. Er schijnt namelijk een lokaal politicus overgelopen te zijn van de Torries naar UKIP. Ik ken die lui niet. Politiek is alleen maar gelul. Maar zoiets vind ik bedenkelijk suggestief van die BBC. Ik suggereer toch ook niet dat het broddelwerk verricht werd door een onderbetaalde immigrant die het Kanaal over is komen roeien?
Enough! Clacton-on-Sea is weer eens knap stom bezig geweest. Als ze die tekening hadden laten zitten had dat het toerisme een enorme boost kunnen geven. Nu vergrijst de boel. Alleen maar grijze duiven, so to speak. Hadden ze eindelijk eens geld om daar iets aan te doen. Een nieuw gebouwtje voor The Lottery of zo.
*)
Gezien in de NDSM-loods in Amsterdam, Holland. Daar hebben ze ook veel duiven. Raar gebouw trouwens, geen museum. Wat wel weer goed is want graffiti hoort niet in een museum. Graffiti hoort helemaal niet. Maar ja, er lagen wel overal rode lopers en de toegangsprijs was niet misselijk. Dat werk van die Banksy doet trouwens goeie prijzen.

Beeld: Mama Luca (Agnes Licht), waar woorden en wol inspireren
Zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op
Wim Hussem (1900-1974), Steltlopen op zee (1961)
_____
Opm.
Het kunstwerk van Mama Luca had mij al eens eerder getroffen – ik weet niet meer waarom, of hoe, of wat. Het gedichtje van Wim Hussem ken ik ook al heel lang, misschien kwam ik dat eens tegen als muurgedicht. Pas vanochtend kwam ik erachter dat Mama Luca, die eigenlijk Agnes Licht heet, het gedicht van Hussem als inspiratiebron voor haar ‘beeld’ had gebruikt. Op haar website legt ze uit hoe dat zit, maar daar gaat het mij nu niet om.
Van Hussem weet ik niks, dacht ik. Afgezien van een plintpostertekst van hem die ik jarenlang ter bemoediging van mijzelf en ter uitnodiging van mijn leerlingen in mijn lokaal had hangen (Wat weet ik van de vogel | als ik zijn zingen niet versta) was dat inderdaad echt niet veel. Maar, alweer vanochtend, kwam ik erachter dat ik al veel van zijn werk had gezien. Dat zit zo.
In de jaren ’70 struinde ik antiquariaten af. Als ik een deeltje tegenkwam van Meesters der Vertelkunst, van Meulenhoff, kon ik dat niet laten liggen. Zo kreeg ik toegang tot de hele wereldliteratuur. Gretigheid, dat was het. De omslagjes herkende ik meteen: die getuigden van eenzelfde signatuur, herkenbaar als van één hand en toch precies passend bij het land van herkomst van die verzamelde verhalen, Chinees, Jiddisch, Hongaars, Iers. Enzovoorts, meer dan twintig. Die boekomslagen waren van Wim Hussem. Natuurlijk ging het me om de inhoud, maar die minimalistische stijl verbond alles. En daarmee voelde ik mij weer verbonden, als in een geheimzinnig verband. De reeks stuwde mij als het ware voort de verhalen van de mensheid te leren kennen. Die gaf wind in mijn bollende zeilen.
Vanochtend zocht ik een beeld voor ‘inspiratie’. Vandaar Hussem. Van Hussem naar Mama Luca. Die hoorden al bij elkaar. Dat is geluk. Waar komt die wind vandaan?

1.
De tijd is recht. Lineair. Kijk maar in je agenda en aan de onverbiddelijkheid van het verloop van de tijd is niet te ontkomen. Als je tijd zo opvat, is er sprake van vooruitgang: morgen wordt alles beter. Zo denken sommige politici. Of van achteruitgang: die tijd toen, herinner je je? die was goudomrand. Zo denken andere politici. Heimwee en verlangen, denkt de dichter. Beide zijn natuurlijk illusie. Zo denkt de dwaas.
2.
Tijd is krom. Cyclisch. Kijk maar naar de seizoenen en ervaar dat het weer zomer geworden is. In het rustpunt van je eigen natuur neem je waar welke verschijnselen zich allemaal in een jaar hebben voorgedaan. En hoe je in wezen, in het hart hetzelfde bent gebleven. ‘Ewige Wiederkehr des Gleichen.’ (Nietzsche). Ook een illusie. Zo denkt de wijze.
3.
Met 1 en 2 is het vaak wringen. “Het leven heeft mij, Goddank, bijna niets geleerd. ‘Het leven heeft me veel geleerd,’ zegt de oue sok.” (Nescio)
Of wisselen zich af. Je moet een evenwicht zien te vinden tussen Chronos en Kairos, zegt filosofe Joke Hermsen in Stil de tijd (2009). Tja. Hoe?
4.
Soms helpt een afbeelding iets ingewikkelds in een klap te verhelderen. De beroemde ring van Möbius bijvoorbeeld. Nog beter: niet de tekening maar een zelfgemaakte. Neem een lange strook papier, draai die een slag en plak de uiteinden aan elkaar. Volg dan met je vinger het lineaire verloop en verbaas je erover op hetzelfde punt uit te komen. De kleinkinderen waren verrukt toen ik die ring heel precies in tweeën knipte: het bleef één ring! En nog verrukter toen ik die ring nóg een keer in tweeën knipte: het werden twee ringen! Enzovoort. Ik ben weer kind. Soms zit ik aan de achterkant van de tijd.
5.
Nóg mooier vind ik de fles van Klein (geen kleine fles maar genoemd naar Felix Klein, 1849-1925). Denk je die eens heel groot in, bijvoorbeeld zo groot als Amsterdam. Of nog groter. Wat is binnenkant? Wat is buitenkant?
6.
En zo herbegin ik iedere dag hetzelfde gedicht. Het kan niet gezegd. Het woord stilte verbreekt diezelfde stilte. Zoiets. In mij huizen dwaas en wijze. Mijn dichten is een pogen. Het spelletje is dit: dichten opvatten als het vullen van een gemis, van een gat. Het is maar een spelletje.
7.
Binnenstebuiten
blijkt precies in het midden
buitenstebinnen
∞.
Een vermoeden van de eeuwige Tao.

Er gaat iets voorbij –
populieren luisteren
in voornaam ruisen
_____

Piet Mondriaan (1872-1944), Het Gein: bomen langs het water (1906)
Het Gein meandert van Driemond naar Abcoude; we fietsen graag langs dat water. Mondriaan schilderde het in 1906, 34 was hij toen en nog onberoemd. Het zal toen aan het eind van dag geweest zijn, misschien ook aan het eind van de zomer. Mondriaan was in die tijd bezig met de ‘tragiek van de natuur’, schrijft een biograaf. Het realisme liet hij steeds meer los, de kern der dingen zocht hij en iedereen weet waar dat op uit liep.
“Die dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: ‘dan moet ’t ook maar gebeuren’, dan wilden ze weer niet.” merkt Nescio in Titaantjes over Bavinks schilderkunst op. Bavinks strijd liep toen al op ’t eind. Nescio kende het Gein ook en zwierf daar tezelfdertijd als Mondriaan rond. Wie wil weten hoe het met Nescio afliep leze zijn verhalen. Of zijn biografie.
Er staan nu andere bomen langs het Gein dan aan het begin van de vorige eeuw. Allicht, zelfs bomen hebben niet het eeuwige leven. Ze ruisen als de wind hen beroert en doen helemaal niet tragisch.
Wij fietsen daar, stappen af, kijken hoe het water voorbij stroomt, luisteren. En ik denk aan Mondriaan en aan Nescio. En ook wij gaan voorbij.

Piet Mondriaan, Bomen aan het Gein (1907-1908)

Piet Mondriaan, Bomen aan het Gein (1902)

Miles Davis [1926-1991] in 1985 | foto Anton Corbijn
[ . . . ]
De scheiding tussen aarde en hemel
is niet de juiste manier
om aan het geheel te denken.
Ik kan er alleen mee overleven
op een preciezer adres
dat sneller is te vinden,
als ik gezocht zou worden.
Mijn bijzondere kenmerken zijn
geestdrift en vertwijfeling.
Wisława Szymborska, Hemel, Einde en begin (1993)

Al tien jaar geleden stuitten mijn vrouw en ik langs de kant van de straat op een bundeltje stukken hout waarvan we meteen wisten dat die samen een beeld vormden. Zonder verder overleg laadden we die in de auto. Thuis lijmde ik alle stukke dingen aan elkaar, schuurde het geheel wat bij, pakte de verfbus. Het beeld begon te glimmen als ebbenhout. Een Afrikaanse krijger? Zijn ellebogen steunen op zijn knieën, zijn blik houdt het midden tussen verbijstering en contemplatie. Misschien vind ik ‘m daarom zo mooi. Herkenning? Hij kijkt nu op het balkon uit over het park, manshoog. Een wachter. Ik zie hem graag. Met geloken ogen slaat hij gade: hij kijkt naar buiten én naar binnen. Misschien neem ik daarom steeds de moeite om hem op te lappen als hem door de wind iets overkomt. Met ijzerdraad heb ik hem nu maar aan de muur vastgezet.
We struinden afgelopen vrijdag rond in een rommelige kringloopwinkel die we nog nooit hadden bezocht. Zoiets is een feestje. Vinden wat je niet zocht. In een schemerig hoekje trof ik het beeldje op de foto. ‘Wat hebben wij nog niet in onze verzameling?’ vroeg ik mijn vrouw terwijl ik het beeldje achter mijn rug hield. Mijn vrouw kon met geen mogelijkheid bedenken wat wij verzamelden maar erkende stomverbaasd dat wij dat wel doen toen ik haar het beeldje liet zien. ‘Hij is het!’ bracht ze uit. ‘Zo sprekend als een beeld maar kan zijn!’
2.
Terwijl ik op het balkon wat slordig aangebrachte verfresten van het waaibomenhouten beeldje zat te pulken en het verder opkalefaterde dacht ik aan een Afrikaanse man die ergens in een dorpje zijn schamele broodwinning had gevonden in het snijden van die beelden. Wat waren zijn gedachten? Wat was zijn hoop? Misschien was het wel een heel dorp. Hoe zagen zij daar de wereld? En ik dacht aan de weg die die beelden hadden gemaakt om bij ons op het balkon te geraken. En hoe wij daar tenslotte waren geraakt.
3.
Amor fati. Amor fati.
4.
Terwijl ik zo doende was kwamen herinneringen boven aan mijn eerste liefde. Wij zwierven daar aan de rand van Wieringermeer rond om onze verliefdheid te beleven. Een van die plekken was het voormalig Joods Werkdorp, haar ouderlijk huis keek daar op uit. Haar vader was daar brugwachter van de brug waarover mijn ouders op 17 april 1945 de polder moesten ontvluchten omdat die door de bezetter onder water was gezet. Nou ja, het was een andere brug en haar vader was daar toen ook geen brugwachter maar ‘er was iets met de oorlog’. En een ander kamp. Daarover werd niet gesproken. Hij had bepleit het oude brugwachtershuis te laten staan toen er een paar honderd meter verderop een nieuwe brug werd gelegd. Dat was zijn uitkijkpost. Hij knutselde er en toonde zijn bedrevenheid met gutsen en beitels. Hij leerde mij alles wat hij wist over hout en gereedschap.
5.
Abel Herzberg was de laatste directeur van dat werkkamp. Daar werden vanaf 1934 tot de ontruiming in 1941 joodse kolonisten agrarisch geschoold om zich in het nieuwe Zion te kunnen vestigen. Met de plaatselijke bevolking mocht men geen contacten aangaan, verordonneerde de toenmalige Nederlandse regering. Dat is een verdrietig verhaal en dat verhaal wekt geenszins trots op. Mijn ouders hulden zich in stilzwijgen als het in mijn vroege jeugd terloops ter sprake kwam. ‘Die onderwaterzetting’ kwam wel steeds terug. Toen zij op die zonnige aprildag met paard en wagen, waarop hun hele hebben en houden, langs die brug de polder verlieten, Het Nieuwe Land, was het lot van die joodse kolonisten al bezegeld.
6.
Of mijn herinnering mij bedriegt weet ik niet maar ik bewaar beelden dat ik daar met mijn eerste lief op het terrein rondsloop. Er hing een geheimzinnige sfeer, alsof we iets verbodens deden. Achter het hoofdgebouw stonden houten barakken. We bliezen het spinrag weg om te zien wat er binnen was. Niets. Tenminste niet veel. Er waren alleen vage verhalen omheen. De geschiedenis was vaag, nevelig. Spinrag. En wij zouden in Groningen gaan studeren.
7.
Een halve eeuw later zit ik aan dat beeldje te prutsen. Alles komt terug. Mijn vrouw ziet mijn gedachten dwalen. ‘Amor fati?’ raadt ze. Ze weet dat ik met Herzberg een weg zoek naar het heden.
‘Kringloop,’ zegt ze dan.

De herinnering is geen archiefkast en mijn persoonlijke geschiedenis staat niet geordend als de boeken in mijn kast. Zelfs het zoeken zelf is een ordeloos proces. ’t Is een soepzootje. Is dit mijn zelfverkozen lot? Ik zocht naar mijn exemplaar van Herzbergs Amor Fati (1946) maar vond het niet. Waar, o waar gebleven?
Dat ik het nog even wilde inzien, kwam omdat mij gisteren een titel voor de haiku inviel. Niet dat haiku titels behoeven, maar deze kon toch zonder context licht worden misverstaan, al valt dat bij alle ophef over de Asielnoodmaatregelenwet misschien ook nog wel mee. Niettemin, als politici zelf al niet meer weten tot welk besluit te geraken is het uitkijken geblazen. De vijf lettergrepen ( om een le – pel soep ) voldeden. Maar waar kwam die lepel soep vandaan? Toen ik eerst ging zoeken bij Frans Pointl bleek het bij hem een kip te zijn die over de soep vloog (De kip die over de soep vloog, 1989). Dat is ook een bruikbaar beeld voor volstrekt ontoereikende voedselverstrekking, inclusief de schijnheiligheid van de zelfverklaarde weldoener, net iets om weer eens te willen lezen in deze tijden van genocidale uithongering, vermeend of onverholen antisemitisme, vreemdelingenhaat, politieke hypocrisie en andere uitgeroepen crises, maar niet wat ik zocht. Herzberg dus. En ’t zat anders. Over het creatieve proces maar een andere keer. Waar vond ik Amor Fati?
Toen hij overleed zette zijn uitgever een grote advertentie in de NRC met daarin alleen de tekst: Abel Herzberg (1893-1989), Een wijze ging voorbij. Dat van die wijsheid was natuurlijk om de eigen kachel harder te laten roken, dacht ik gemelijk, een uitgeverij is tenslotte geen weggever van wijsheden, maar toen ik het bundeltje opstellen Om een lepel soep te pakken had, verslikte ik mij danig in het opgediende. In het titelverhaal verhaalt Herzberg summier hoe hij en zijn lotgenoten tijdens hun geheel onvrijwillig verblijf in het concentratiekamp Bergen-Belsen ertoe kwamen een rechtbank in te richten. Dat leek absurd. De nazi-kampleiding, zelf zeer bedreven in ongerijmde wreedheden, aanschouwde met genoegen hoe het uitschot nu zelf nog onderscheid leek te moeten maken in de gradaties van uitschotterigheid. ‘Jedem das Seine, moeten ze welwillend gedacht hebben. O nee, dat was weer het cynische opschrift van een ander kamp.
Herzberg, en degenen die hetzelfde gruwelijke lot ondergingen, hadden geen enkele illusie. Maar, zo schrijft hij in dat opstel: “Wij hadden uit de verloren vrijheid het gevoel meegebracht de dragers te zijn van een beschavingsfactor. Die juist onder de meest barbaarse omstandigheden en juist te midden der mensen die vochten om een lepel soep, gehandhaafd moest worden.” Het ging er helemaal niet om de daders te straffen, hoe zou dat ook nog kunnen onder die volledig ontmenselijkte omstandigheden, maar om het beschermen van de slachtoffers, om de menselijkheid. Iedereen was er ellendig aan toe, maar een enkeling maakte misschien nog een kans die hel te overleven. Ook daarover koesterden ze trouwens weinig illusie. En dan nog, wie? Onderscheid naar de idiote reden van hun detentie (jood, ideologie, geaardheid of een ander nazi-onwelgevallig kenmerk) werd principieel niet gemaakt. Boven alle wetten die ervoor moeten zorgen dat we elkaar niet uit eigenbelang de hersens inslaan, staat iets anders, de mede-menselijkheid. De lepel soep. Herzberg overleefde.
Dat verhaal van die rechtbank te midden van een rechteloze barbarij kende ik. Ik had gewoon niet meteen aan Herzberg gedacht. Mijn herinnering bewaarde een schrijnend tafereel, verlucht met de beelden van concentratiekampen die mij ooit onder ogen zijn gekomen, compleet met een rechter, een officier van justitie, een advocaat. Had ik die dan verzonnen? Misschien beschrijft Herzberg een en ander uitvoeriger in zijn opstellen over zijn gevangenschap, dacht ik, in Amor Fati dus. Dáárom wilde ik dat checken. Als ik het boekje ooit eens aan iemand uitgeleend heb, keert het ook wel weer eens terug. Of niet. Met de wijsheid is het anders gesteld.

Drijvende groente,
vroeg de illegale gast,
mag dat dan weer wel?
_____
Leesaanwijzingen: