
Beeld: Vincent Munier
Kraanvogels volgen
in het spiegelend water
volgen kraanvogels
_____
Slechts een rimpeling
in het spiegelend water
als de vogel vliegt

Beeld: Vincent Munier
Kraanvogels volgen
in het spiegelend water
volgen kraanvogels
_____
Slechts een rimpeling
in het spiegelend water
als de vogel vliegt

Vincent van Gogh (1853-1890) Korenveld met kraaien (1890)
In verband met de kraaien die ietwat ontheemd rondzwerven op de plek waar hun populieren zijn geveld, kwam mij de afgelopen dagen gedurig een van de laatste werken die Van Gogh schilderde voor de geest, Korenveld met kraaien. Dat had ik al eerder dit jaar toen we deze zomer door de rijpende korenvelden in Oost-Groningen fietsten. Het begint er waarachtig op te lijken dat ik daar nu iets mee moet. Iets wil er gezegd worden.
Het zetje kreeg ik afgelopen maandag toen we Dreams van Akiro Kurosawa in Eye zagen. In een van de acht miniaturen, Crows, laat Kurosawa zijn hoofdpersonage in juist dat schilderij verdwijnen:

Akiro Kurosawa (1910-1998): still uit Dreams (1990)
Het is opmerkelijk hoeveel moeite Kurosawa zich moet hebben getroost om precies dat landschap te herscheppen. Het bestaat namelijk niet, of in elk geval niet meer. Dit hebben wij vorig jaar deze tijd zelf vast kunnen stellen toen wij vanuit Arles in de streken rondzwiervan waar Van Gogh tot aan zijn dood verbleef. Hij schilderde een innerlijk landschap, het landschap van de ziel. Met coördinaten kom je dan niet ver. En als je dan bij Arles de Pont de Langlois denkt teruggevonden te hebben – ook die gebruikt Kurosawa; de wasvrouwen raden zijn hoofdpersonage aan om maar niet op op zoek te gaan naar Van Gogh, die is net uit het gekkenhuis ontslagen – heb je wel zekerheid omtrent de betrouwbaarheid van je gps maar niet omtrent de wonderlijke wegen van de ziel. En als je dan Kurosawa bewondert omdat-ie dat schilderij precies een eeuw na dato toch wel verrekte knap en realistisch op het filmdoek doet herleven, ontgaat je ook iets. Ook bij Kurosawa gaat het om het landschap van de ziel, en helemaal niet om de Pont de Langlois, die ze godbetert nu de Pont de Van Gogh noemen. Die staat niet eens op dezelfde plaats, die is er voor de toeristen neergezet. Of voor zelfverklaarde kunstkenners.
Weet ik het dan zo veel beter? Er is over het Korenveld met kraaien allemachtig veel gefilosofeerd. Over Kurosawa ook. Toen ik de film zag werd ik overrompeld door een bijna verblindend helder inzicht: zó bedoelt Kurosawa dat. Maar nu ik er woorden aan probeer te geven stokt het, sta ik met de mond vol tanden. ‘Met Dreams geeft de cineast zich rekenschap van zijn diepste esthetische en ethische drijfveren,’ zoiets. Wat een hol geklets, wat een armoe. Chopin’s prelude nummer 15 zegt dat zonder woorden veel eloquenter, zoveel klemmender. Kurosawa had geen passender muziek onder deze ‘droom’ kunnen zetten: steeds hetzelfde, net even anders. Spiegels in spiegels, in spiegels, in spiegels.
Goed. Mooi allemaal, met dat overweldigende inzicht enzo. Maar hoe moet het nu met de kraaien? Met Van Gogh, met Kurosawa? Mijn vrouw ziet mij weer aankomen met al die boeken die ik nu weer op mijn schrijftafel stapel. Maar ja, kan ik iets anders? En trouwens, ook zij draagt bij aan mijn lot. In de allerlaatste droom van Kurosawa’s cinematografische verbeelding van wat hem innerlijk drijft, portretteert hij zijn alterego in een bijna paradijselijk landschap: The village of the watermills. Zó zou je willen leven! Dat zouden die harrewarrige politici nu eens moeten zien!
Hoe realistisch dat allemaal is is een vraag voor wereldverbeteraars, dan wel politici of filosofen. Of kunstkenners. Feit is dat wij eind van de maand in Toscane hopen te verblijven alwaar mijn vrouw accommodatie heeft geboekt: in een heuse watermolen. De coördinaten daarvan zou ik gemakkelijk kunnen geven maar die geven geen enkele garantie voor de verblijfplaats van mijn ziel.

Still uit The village of the watermills, Dreams

Hun populieren zijn omvergehaald, hun nesten zijn verwoest – het is de vraag hoe de kraaien daarmee omgaan. Eén zag ik gisteren en eergisteren weer rondscharrelen op de plek des onheils. Vanochtend was hij er weer, duidelijk herkenbaar aan enkele witte veren aan zijn staarteinde; hij zal dit voorjaar hier uit het ei gekropen zijn, ik heb ‘m in voorgaande jaren nog nooit gezien. Dat ik hem daarom ook ken, is te veel gezegd. Wat gaat er in hem om?
Gisteravond cirkelde voor het donker werd een hele groep rond de boomloze plek. Hun gemeenschappelijk krassen klonk opgewonden, niet geruststellend. Of was dat mijn plaatsvervangend schuldgevoel? Zochten zij hun nest? Wáren zij het wel? Anders dan die ene met die witte staartveren herkende ik ze niet. Zwarte kraaien zijn . . . nu ja, nogal zwart. Al die nuances in hun zwarte kleed kan ik niet benoemen, al zie ik die soms wel als ze de drinkbak aandoen. Daarin individuen herkennen vergt heel erg veel geduld. De nuances in hun krassen hoor ik duidelijk, maar begrijpen?
Het heeft allemachtig lang geduurd voor bij de mens het besef indaalde dat kraaien erg intelligent zijn. Dat ze in staat zijn ingewikkelde puzzels op te lossen is overal op internet na te gaan, bijvoorbeeld hier: https://www.youtube.com/watch?v=Gui3IswQ0DI.
Maar hebben kraaien ook een binnenwereld? Hoe ziet die er dan uit? Vanmorgen stuitte ik op een artikel met een interessant onderzoek: https://royalsocietypublishing.org/doi/abs/10.1098/rspb.2011.0957
Als je kraaien onheus of onrechtvaardig bejegent herinneren ze zich dat niet alleen maar brengen ze ook hun opgeroepen gevoelens tot uitdrukking. Noem het wrok, noem het wraak. Het meest curieuze is misschien dat ze die gevoelens ook op andere kraaien kunnen overbrengen die met het voorval niks van doen hebben. Zelfs na jaren. Dat geeft te denken.
Dit soort onderzoek is lastig want wat is dan ‘onheus’ of ‘onrechtvaardig’? Wat is ‘wrok’? Voor je het weet leg je menselijke maatstaven in je observaties. Hoed je dan maar. Frans de Waal zou zo maar eens heel erg gelijk gehad kunnen hebben toen hij retorisch de vraag opwierp of de mens wel intelligent genoeg is om de intelligentie van dieren te snappen (Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? (2016)). En het zoogdier mens?
Een bericht uit de krant van vanochtend: de heer Trump wil het Amerikaanse Ministry of Defense omdopen tot Ministry of War. Dit geeft zijn intenties beter weer, meent hij. Over wrok en rechtvaardiging van geweld zal wel weer eindeloos worden geouwehoerd in het deze week weer opgetuigde circus van de talkshows. Ook de berichtgeving uit Gaza, Moskou en Beijing geeft daar aanleiding toe. Zal dat wezenlijk meer opleveren dan gespeculeer over de vraag (bijvoorbeeld) hoe Hitchcock aan zijn idee kwam voor The Birds (1963)? Ach, de televisie, al die films. Voor je er erg in hebt ga je denken dat dát de werkelijkheid is.
Als ik iets wil begrijpen van het gedrag van de kraaien voor ons huis zal ik mijn eigen binnenwereld dieper moeten onderzoeken: wat is mijn gevoel van rechtvaardigheid? Hoe zit het met mijn wrokgevoelens?

Herfstsuite in haiku
Wat fluistert er toch,
bewogen door de herfstwind,
en woordenloos licht?
‘Wat wil je nu toch
met die wolk aan de hemel,
vastspijkeren soms?’
‘Wat wil je nu toch
met die populierengeur,
in je zak stoppen?’
‘Wat wil je nu toch
met dat getik van regen,
je klok aanleren?’
‘Wat wil je nu toch
met dat herfstlicht overal,
in een fles vangen?’
‘Wat wil je nu toch
met dat ritselend blad,
je kussen vullen?’
‘Wat wil je nu toch
met dat almaar dwarrelen,
almaar vasthouden?’
‘Alles komt en keert
alle blaadjes, hun geuren –
niets gaat verloren’
Wie fluistert er toch,
bewogen door de herfstwind,
en woordenloos licht?

Het donkerder gedeelte iets links van het midden: kraaiennest
Nog voor de zon gisterochtend op was, arriveerde een dieplader langs ons huis met daarop een ‘verreiker’ van het merk Manitou. De werkzaamheden vingen aan om half acht precies. Om twee uur in de voormiddag was de klus geklaard. De drie vijfentwintig meter hoge populieren lagen gecompartimentaliseerd in delen van zo’n tweeeneenhalve meter gereed om afgevoerd te worden voor verdere verwerking. Zelfs het zaagsel had men zorgvuldig van de straat geveegd. Het was gedaan met onze populieren.
Niet iedereen van Parkflat I bleek op de hoogte van de kap, getuige de discussie die zich in de ochtend op de flatapp ontspon. Er was ‘ach’. Er was ‘wee’. Er was een medebewoner die er het schrijnende gedicht van Vasalis bijhaalde waarin zij de kap van een boom in het Vondelpark vergelijkt met de smadelijke ondergang van de Trojaanse held Hector: ‘hij viel, nog vol van zomerwind. Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.’ Dat vond ik wel mooi, zo’n poëtisch commentaar. Troje is wel erg lang geleden maar gelet op de militaire precisie van die hele speciale operatie waren ook bij mij gedachten opgekomen die het midden hielden tussen standrechtelijke executie, slachtofferen en volkerenmoord. Toch leek mij de vergelijking pathetisch, zélfs als je weet dat Vasalis vermoedelijk een andere, diepere pijn bedoelde te bedwingen. Dit waren maar bomen. En de veiligheid van de burgers was immers in het geding.
Over die veiligheid ging iemand uit de buurt met de uitvoerders in gesprek. ‘Kijk dan toch!’ riep ze almaar luider en haar arm wees driftig naar de stomp van de populier die als eerste geveld was. ‘Die boom is nog kerngezond!’ Ik keek ook naar waar zij wees en zag inderdaad dat er van rot van binnenuit geen enkele enkele sprake was. ‘U moet bij de gemeente zijn, mevrouw,’ zei de man die met een losse kettingzaag doende was uitstekende delen van de stam te ontdoen,‘wij voeren slechts uit.’ Misschien had die vrouw alle schrijvens van de gemeente omtrent het lot van de populieren gemist. Of had ze de mogelijkheid schriftelijk bezwaar aan te tekenen, zulks met redenen omkleed, niet opgemerkt. Of misschien wel opgemerkt maar verworpen, in de hoop wellicht dat een contact van mens tot mens meer op zou leveren. Maar nu vul ik in. Al wordt alles behoorlijk kansloos als iemand zich achter hogere instanties gaat beroepen. Of dingen begint te zeggen als als ‘Er is besloten.’
Ik worstelde de hele dag met mijn gevoelens. Met mijn gedachten ook. Als het leven mij niks geleerd had zou ik bijna zeggen zoals Jacob worstelde met de engel. Dit zou gemakkelijk verkeerd kunnen worden opgevat, als blasfemisch zelfs. Maar praat me niet over god. Wie over de heiligheid van de natuur begint wordt eerst op de ziel getrapt met risicoanalytische prietpraat en daarna bedolven met kubieke meters zeer bruikbaar hout.
Dat hout zal inderdaad wel een bestemming vinden: lucifers, meubelplaat. Klompen misschien. En in die lucifers en die klompen zal een ruis te horen zijn, héél zachtjes. Mijn vrouw vindt dat het lichter in huis is geworden, je kunt nu veel meer lucht zien. Dat merk ik ook wel. Ik ben blij voor de bovenbuurvrouw die bijna blind is.
De wind trok vanmorgen vroeg hard aan boven het grasveld zonder de populieren. Ook in de platanen verderop in het parkje kun je hem horen waaien maar zoals de populieren ruisen ruisen zij niet.
De wind zal wel blijven waaien. Van de kraaien is verder geen bericht.

Wat rest. Niet op de foto: populierenruis. De kraaien.

Still uit de documentaire De lepelaar in een roerige wereld, Hilco Jansma, 2025
Héél zachtjes klinkt het
wat lepelaars mee-delen:
oek, oek, oek. En: oek
_____
Opm.
Lang gold de lepelaar als de zwijgzaamste van alle vogels. Ik had die prachtige vogel wel al vaak gezien op Wieringen waar ze vaak rondscharrelen in het natuurgebiedje bij Vatrop. En op het wad als het ebt. Maar ik had ze inderdaad nog nooit iets horen zeggen.
Een terloopse opmerking van de trekvogelprofessor Theunis Piersma in één van zijn boeken trof mij: ze zeggen ‘oek’, maar zó zachtjes dat bijna niemand het hoort. Ik aan het luisteren, maar misschien kwam ik niet dichtbij genoeg.
Piersma kwam ook even in beeld in de documentaire die de bioloog en filmmaker Hilco Jansma over de lepelaar maakte. Daar keken wij gisteravond naar.
Over de documentaire geen kwaad woord. Maar die muziek. Ooit langs het Wad gezworven met een compleet symfonieorkest op de achtergrond? Nou dan. We hebben ‘m maar uitgezet.
Oek.

Vanaf dat we hier zijn komen wonen begint mijn dag op het balkon. Ik zie het dan dageraad worden, luister naar de vogels, de houtduiven, de kraaien, de specht, ik luister naar de wind in de populieren. Wat de wind in de bomen fluistert is heel wat belangwekkender dan de verhaaltjes die uit mijn binnenste opwellen – populierenruis verveelt nooit. Als de geluiden van de ontwakende stad het overstemmen breek ik op.
Toen we bij de notaris de sleutel van ons appartement hadden gekregen en we voor het eerst zelf de deur openden overheerste onzekerheid: was dit het echt? En ook: er moest nog zoveel aan gebeuren. Maar toen ik de deur van het balkon opende viel die twijfeling meteen weg. Ik hoorde de populieren voor ons huis ruisen, de laatste dag van april was het, vijf jaar geleden. De populieren stonden al volop in blad maar eind april zijn die nog zacht en ritselen amper. Babystemmetjes. Nu, na de zomer, zijn ze hard, ze knisperen en vertellen al van de herfst. Af en toe laten blaadjes los. Ze vormen lichtvlekjes op het gras als de zon er op schijnt.
Het moet met mijn vroegste jeugd te maken hebben. Voor het huis waar ik opgroeide was een groot gazon en dat gazon was omzoomd met hoge populieren. Aan onze zijde waren de winkels, aan de overkant woonden de ambtenaren. Tussen kerk en domeinenkantoor speelde alle kinderen tussen die populieren boompje wisselen. En ’s avonds viel ik onder de zoldering in slaap terwijl ik die bomen door het openstaande raam buiten hoorde ruisen. Of hoorde jammeren als de najaarswinden er doorheen joegen. Langs alle wegen van de Wieringermeer stonden ze, ik mat hun onderlinge afstand met het tellen van de keren dat ik mijn pedalen rond trapte. Dat gaf het ritme die de eindeloosheid van die wegen overzichtelijk leek te maken. Het ruisen van de populieren gaf de klank, de toon, de melodie. Zo ontstond poëzie.
Vorige week hoorde ik van de onderbuurman dat de populieren gekapt zullen worden, misschien morgen al. Die buurman heeft connecties bij de gemeente; ook heeft hij zonnepanelen op zijn terras. De nagenoeg blinde bovenbuurvrouw verheugt zich op een lichter huis. Over de strijd die voor het verlenen van de kapvergunning geleverd is valt een grimmig boek te schrijven. En dat in een tijd dat de wereld in brand staat, kinderen in Gaza verhongeren, de mensen in Oekraïne moedeloos raken, vrouwen hun rechtmatige veiligheid opeisen als ze ’s nachts eens door de bosjes fietsen.
Ik zou pas een populist zijn als ik dat deed, viel me vanmorgen in toen ik met die opkomende grimmigheid mijn verdriet om het gemis van de populierenruis poogde te bestrijden. Op dat komende verdriet had ik al een onbekrompen voorschot genomen.
En toch – ik zou willen dat iedere burgemeester, iedere volksvertegenwoordiger, iedere leider van willekeurig welk land populieren voor het huis had staan waar – ie ’s ochtends vroeg even naar luisterde.

Meeuwen kantelen,
jagen spoorloos op de wind
hun roep achterna

ZWAAN
Zijn zolen slepen door het kroos.
In natte stilte onder water
gaat het op dieper stilte in.
Chr. Van Geel, Dierenalfabet (1978)