
Jan Mankes (1889-1920) Woudsterweg bij Oranjewoud,1912
Het zou aardig zijn te weten waarom de inrichters van de overzichtstentoonstelling van Mankes’ werken in Belvédère ervoor kozen om Woudsterweg bij Oranjewoud (uit 1912) in de centrale zaal samen met Bomenrij (1915) en Avondschemering Woudsterweg (1915) op te hangen. Er klopt iets niet. Misschien was Maannacht bij Woudsterweg (ook uit 1915) op even gelukkige gronden te verdedigen. Nou ja, míjn geluk dan: die drie schilderijen uit de eerste twee maanden van het jaar 1915 op een rij. Bingo! Of is dat weer een ander spelletje?
Dat was zijn wereld, toen. Europa daverde op haar grondvesten. En Mankes zou die zomer trouwen met zijn geliefde. Liefde, oorlog en olieverf. Puimsteen. Met die bomenrijen liet hij zien hoe hij zich tot die wereld verhield. Wat ging er toen allemaal door Mankes heen?
In 1912 lag alles helemaal anders dan in 1915. Hij zou schilder zijn: ‘Ik wil zo lang een doekje koesterend bewerken en me er in denken, dat het een stukje ziel wordt.’ Zijn Zelfportret met kerkuil (1911) getuigt in alles van dat zelfbewustzijn.
Het schilderij Woudsterweg is zijn eerste grote ‘landschap’ van zijn omgeving. Van de bomenrij steken de eerste twee nogal hoog uit. Triomfantelijk, zeggen sommigen. Koddig, zeggen anderen. ‘Als een ereboog voor de weg die hij zou gaan,’ zou ik willen zeggen. Maar ja, achteraf is het mooi wonen.
Pas in de zomer van 1913 zou hij kennismaken Anna Zernike. Die was niet toevallig uit Amsterdam in De Knipe terecht gekomen. Die hoek van Friesland was geen verbanningsoord waar men ten einde godsdienstige raad dan maar een vrouw als predikant benoemde. Zij koos overtuigd én zij was een overtuigde keuze: de eerste predikante in het land. Vrijzinnig, ook nog. Twijfelen mocht. Behalve aan Domela Nieuwenhuis want die zagen de arbeiders daar als ‘ús ferlosser’. Om maar wat te noemen.
Ja ja, alweer, achteraf gluur je in de kont van de geit. Maar toch, er was veel niet orde in deze wereld. Of stuk.
Kijk, ongemerkt sla ik nu ik toch weer aan het redeneren. Straks eindig ik nog als Richard Roland Holst. Die had het al over de tegenstelling tussen het westers en het oosters denken en duwde Mankes zonder mankeren in het hok van het Taoisme. Omdat de westerse wereld Roland Holst niet beviel. Verrekte gelijkhebber. Mankes was toen al drie jaar dood en kon niks terugzeggen.
De zaak is dat ik Maannacht bij Woudsterweg gewoon mis. In m’n hoofd krijgen mijn gedachten mijn verhaaltje zo niet rond. ‘Die drie schilderijen,’ zou ik willen kunnen zeggen ‘vormen Mankes’ vergeestelijkte statement over een verscheurde wereld.’ En daar zou ik dan troost uit proberen te putten omdat ik zelf wanhopig een antwoord zoek op een wereld die mijn hart dagelijks verscheurt.
Het gemis is ook bijna lichamelijk. Toen ik nog lesgaf had ik een afbeelding van Maannacht in mijn lokaal hangen. Dat schilderij steunde mijn rug als ik iets moest vertellen over die oneindige ontroering die je kan overvallen als je helemaal stil bent, bij een gedichtje van Gorter bijvoorbeeld. ‘Ik wou het helemaal zeggen – maar ik kan het toch niet zeggen.’ Daar kletsten leerlingen dan gewoon doorheen.
Of deze:
De stille weg
de maannachtlichte weg –
de boomen
de zoo stil oudgeworden boomen –
het water
het zachtbespannen tevreeë water.
En daar achter in ’t ver de neergezonken hemel
met ’t sterrengefemel.

Jan Mankes (1889-1920), Maannacht bij Woudsterweg, 1915








