
Beeld: Ruud van de Wint (1942-2006), De Tong (1993)
‘Er valt ook machtig goed over te zwijgen’

Beeld: Ruud van de Wint (1942-2006), De Tong (1993)
‘Er valt ook machtig goed over te zwijgen’

Slechtvalk (Falco Peregrinus) | foto Arie Ouwerkerk / Vogelbescherming
Ida Gerhardt heeft heel wat afgewandeld, alleen of samen met Marie van der Zeyde, haar levensgezellin. Die schrijft in De hand van de dichter over de periode dat Gerhardt haar eerste aanstelling in 1939 in Kampen heeft over de wandelingen langs de IJssel: “[ … ] de Zevenkolkjesweg, Zalk en de Zalkerdijk, Kamper-Nieuwstad met de hooilanden vol kievitsbloemen en morgenster, het Kampereiland, Genemuiden. Langs de IJssel was het in het voorjaar één gewemel van weidevogels, – niet alleen kieviten, maar ook grutto’s en tureluurs, dansend, kantelend met de zon op hun vleugels, roepend; je werd er haast duizelig van.”
Maar dit schrijft Van der Zeyde, en niet Gerhardt zelf. En ook nog eens dertig jaar later. En Ida was haar grote liefde. Die verdedigd moest worden tegen een onwelwillende wereld. Of somtijds kwaadwillende wereld. Gerhardt’ s biografe, Mieke Koenen, spreekt oud-leerlingen uit die tijd en tekent op: “Ze trok zich [ … ] nooit wat van het weer aan, fietste gerust met beestenweer naar het Kampereiland en terug. Ze wandelde ook veel: in een martiale houding, met krachtige pas, zwaaiende armbewegingen – het was meer marcheren dan wandelen.” Mij interesseert de vraag wat Gerhardt nu precies zag.
Volgens mij zag ze overal de schim van Leopold. Van hem had ze op het gymnasium Oude Talen gehad, samen gewandeld – wat heel bijzonder was – en de klassieken vertaald: Vergilius, de Georgica, Lucretius, De rerum naturum om er nog in de oorlogsjaren op te promoveren. Een heel gedoe, om al die elegante of gedragen klassieke metra in het bonkige Nederlands over te zetten. Volgens mij zag ze Roland Holst, met wie ze in de verte verwantschap gevoelde en die ze meermalen heeft gevraagd eens een keer iets aardigs te schrijven over haar nogal conservatief uitgevallen gedichten. Volgens mij zag Gerhardt in de natuur eerst een Platoons Idee en dan prutste ze net zo lang totdat het ding ambachtelijk samenviel met wat er zich in de buitenwereld voordeed.
De bundel De slechtvalk (1966) is grotendeels in Ierland ontstaan. Daar verbleven de dames een aantal jaren iedere zomer in een afgelegen boerderij. Er werd veel gewandeld. Ik ken de streek.
Om iets van de titel, en dus van de bundel, te begrijpen moeten we naar het laatste gedicht uit de eerste afdeling:
HET ONHERROEPELIJKE
Gij slechtvalk met het onyx oog,
gehouwen uit korrelig porfier,
weer keerde ik waar gij zijt. Gedoog
mijn nadering, zwijgend koningsdier.
Eeuwigheid, overstaar mij hier
die nauwelijks te ademen waag,
die in het hart mijn dode draag
in de gesloten sarkophaag.
Wat Gerhardt hier ook ziet, een levendige slechtvalk is het niet. Maar ja, de bundel vervolgt met een afdeling (‘Keltisch’, ‘geïnspireerd door een oud kerkhof met Keltische grafkruisen. Wales, 1800’). Staat ze op een kerkhof, aanschouwt ze een grafornament? Om welke dode het gaat blijft ongewis, er zijn te veel kandidaten als ik de biografie volg. Maar Gerhardt houdt de sarcofaag potdicht. Daarin heerst Egyptische duisternis. ‘En Ik Doe NIET Open!’ Jammer.
Uit de jaren zestig stamt een van de aangrijpendste boeken over vogels dat ik ken, The Peregrine van John A. Baker (De slechtvalk, Atlas / Contact vogelserie). Dat gaat over de slechtvalk. En over de dood, die Baker op de hielen zat.
Deze vergelijking geeft natuurlijk geen pas. Van vergelijken is niemand ooit gelukkig geworden. Als de schaduw van voorgangers over de wereld valt zie je de levende wereld niet.

Gefossiliseerde varen
Die documentaire van Cherry Duyns (De wording, 1988) heb ik nog niet terug kunnen vinden en dat vind ik wel jammer. Langs omwegen vond ik het gedicht waaraan Ida Gerhardt lopende de opnamen heeft gewerkt. Ze was toen al 83 en behoorlijk blind aan het worden. Haar levensgezellin zou niet lang daarna overlijden. Tot aan haar eigen dood in 1997 heeft Gerhardt het met het innerlijk licht moeten doen. Of dat gelukt is weet ik niet.
In mijn editie van de Verzamelde Gedichten staat het gedicht nog niet, die is van 1980. Daarna heb ik kennelijk niets meer van Gerhardt gelezen. Zo gaan die dingen.
Het titelloze gedicht gaat over het ontstaan van een gedicht.
Langzaam opent zich het inzicht
dat een werkelijk vers iets levends
is, van stonden aan een wonder.
Langzaam opent zich het inzicht
dat het licht van binnenin is
wat die wisseling geeft van tinten.
Langzaam opent zich het inzicht
dat geen mensenkind kan weten
waar de herkomst van het vers ligt.
Ida Gerhardt, De adelaarsvarens, 1988
Ik zou het anders zeggen. Maar ja, ‘k ben Ida Gerhardt niet, ik zal wel moeten. Wat ik wel weet is dat je het gedicht de ruimte moet geven. Anders blijft het een fossiel.

Beeld Ida Gerhardt (1905-1997): Herma Schellingerhoudt | sinds 2018 op de IJsselkade in Zutphen
’t Werd toch weer bladeren in die meer dan zevenhonderd Verzamelde Gedichten, neuzen, verder lezen, terugbladeren, en af en toe geráákt worden als ik een gedicht beter las. Toen ik de biografie van Mieke Koenen erbij in de kast opzocht zat het prijsje er nog op. Nee, de helft van de prijs dus die moet ik in de ramsj hebben gekocht. Het was een duur boek. Wat is de waarde van de gedichten van Ida Gerhardt in deze tijd?
Het voelde ook aan als ongelezen, ofschoon mij veel vertrouwd voorkwam. Vertrouwd, en dat is toch weer heel iets anders dan bekend. Dat ze classicus was, en jarenlang voor de klas stond, dat ze nog les had gehad van Leopold, dat ze een liefdesrelatie met een vrouw had, een levenlang dezelfde vrouw en dat die ook heel geleerd was, iets met Hadewijch, iets met Psalmen, dat de verhouding tot haar moeder nogal ernstig verstoord was, dit doordien die moeder zelf niet vrij van stoornissen was, dat er een geheimzinnig verband was tussen al deze dingen die ze zelf ook niet begreep, dat ze bijna nooit interviews gaf en ‘verholen’ leefde maar dat Cherry Duyns toch eens een heel bijzonder portret van haar heeft gefilmd, De wording (1988). Ik heb die indertijd gezien maar mijn herinnering is wazig en welk gedicht er toen geboren moest worden weet ik niet meer.
Hoe kan iemand zo nabij komen met ‘achter het hart / der luiken luistert het’ (Zomeravond, in De Hovenier, 1961) en anderzijds zoveel afstand houden met ‘Hadden wij nimmer nog zwanen gezien, / zòuden wij hen op het water ontwaren, / o, wij zouden van vreugde vervaren – / lachen en schreien misschien.’ (De profundis, in Het sterreschip, 1979. En op het gemaaltje bij Monnickendam)?
De IJssel heeft twee oevers. Allicht, iedere rivier heeft twee oevers anders is het geen rivier maar een watervlakte. Ik kan de IJssel de mooiste en levendste rivier van Nederland vinden maar daar kan een ander het geheel oneens mee zijn. Ik heb nu geen zin om uit te leggen waarvoor dit allemaal een beeld kan zijn. En al zou die metafoor in een oogopslag het leven Gerhardt en het mijne, haar levensopvatting en de mijne, haar idee van poëzie en de mijne, haar kennis van de klassieken en mijn kennis van mijn klassieken, enzoverder enzovoorts – ik wou maar zeggen, ik heb veel herkend en veel was mij vertrouwd – al zou die metafoor in een oogwenk dat alles verduidelijken, dan nog zou je om de rivier te zien naar Zutphen moeten. Of naar Deventer want daar stroomt – ie ook. Of terug naar Lobith. Of de Alpen
Wateren rusten
in oneindige luchten –
zwanen gaan er voort

Jan Mankes, Maannacht bij Woudsterweg, 1914
Behalve als dichter van dat gedicht over de zwanen leek mij Ida Gerhardt nooit een natuurlyricus. De profundis zie ik regelmatig: de twee kwatrijnen staan als ‘straatpoezie’ afgebeeld op een gemaaltje in Waterland. Je komt er langs als je de Zeedijk neemt om van Monnickendam naar Amsterdam te komen. Wat natuurlijk de mooiste weg is.
Het lukt maar niet dat gedicht te memoriseren, iets hoekigs in het taalgebruik is mij vreemd. Maar misschien is er ook wel meer, ik vind Gerhardt altijd zo streng, vooral voor zichzelf. En bij dat gedicht vraag ik mij altijd weer af: welke diepe duisternis bedoelt Gerhardt hier toch ? Dat van die ‘ruisende slagen’ begrijp ik. Die zwanen zie je trouwens toch overal daar in het Waterland. Vooral nu in de winter verzamelen ze daar. Ga maar kijken. Luísteren.
Nu liep ik vorige week een boekje tegen het lijf dat ingaat op Gerhardt als voorvechtster van natuurbehoud. Daar keek ik van op. (Ida Gerhardt Plant, mens, dier. Proza over de kunsten en natuurbehoud; samengesteld en ingeleid door Mieke Koenen. Amsterdam 2025). Met dat voorvechten liep het wel zo’n vaart niet maar Gerhardt heeft bij tijd en wijlen toch wel eens in ’t publiek gezegd dat de verloedering van de natuur haar erg aan het hart ging. Ik heb het nog niet helemaal uitgelezen maar dit gedichtje bekoorde mij:
Z O M E R A V O N D
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Het gaat om de laatste twee regels. Toen Gerhardt bij het schrijven tot aan slaapt niet gevorderd was, stokte het. Nu was het hele vers, nu was alles mislukt. Zij vertelt veel later in een lezing over de ontstaansgeschiedenis van dit miniatuurtje iets opmerkelijks. Niet het technische raakt mij (al zit dat vernuftig in elkaar) maar het feit dat zij vijfentwintig jaar heeft moeten wachten voor zij voor die impressie uit haar studententijd de woorden kon vinden. Ze kan er nog niet over uit. Ze is weer die student, én dat kind, én de dichter “( . . . ) die , als ze zesenvijftig is, die onvergetelijke zomeravond eindelijk zal mogen beschrijven, als een dank aan de schepper aller dingen.”
Dat van die schepper laat ik nu maar even voor wat het is – Gerhardt was gelovig. En in dat geloven ook nogal weerbarstig, begrijp ik. Maar waarom droeg zij de herinnering aan die zomeravond vijfentwintig jaar mee?
Elders zegt zij: “Nog altijd betekent werkelijke omgang met poëzie [ . . . ] receptief durven zijn, zonder vrees, zonder preoccupatie, zonder bijgedachten. Dit geldt dan voor de lezer en voor de dichter gelijkelijk.”
En dit: “Is dichten slechts aandachtigheid?” (In NA DE DAG, Kosmos 1940). Ik denk het wel. En dat luisteren houdt niet op. De ruis eruit filteren, dat is het lastige.

Sergei Rachmaninov, Vsénoshchnoye bdéniye, 1915
Uit Kyyiv las ik gisteren het Bericht uit de schuilkelder in de Volkskrant: “Het was in tijden niet zo’n koude winter geweest, ’s nachts had het steeds zo’n 15 graden gevroren en ook overdag bleef het vaak zo’n 10 graden onder nul.” Elena (70) en haar van oorsprong Hongaarse man Akos verlaten Kyyiv nadat de Oekraïense hoofdstad opnieuw doelwit was van Russische aanvallen. Burgemeester Klitsjko had de bevolking gemaand de stad te verlaten. Enfin, ’t was allemaal op het Journaal. En wegkijken kan niet.
Ik probeer mij een voorstelling te maken. Dat valt niet mee. Van de kou lukt dat nog wel maar van de opzettelijke, onmenselijke wreedheid van Poetin en zijn gevolg niet. Al bijna vier jaar duurt deze waanzin, die in de Donbas nog veel langer. Die kleine berichten, dáár gaat het om. Wegkijken kan ik niet. De verhalen van heel gewone mensen, hoe ze vermorzeld worden door de zieke denkbeelden van hun leiders, door de zieke systemen die door die denkbeelden opgetuigd zijn en in stand gehouden worden. Brrr.
Ik zou iets ter vertroosting willen kunnen zeggen. Iets ter bemoediging in deze bittere tijd.
Hoe die opname van Rachmaninovs Nachtwake in mijn bezit kwam is een lang verhaal dat er nu niet toe doet. De bizarre lotgevallen van die opname al evenmin. Of dat ik juist die opname prefereer. Pfff.
Hoe Rachmaninov er met zijn zeer geringe religieuze overtuiging toe kwam dit werk in 1915 te schrijven doet er al iets meer toe. Rusland raakte betrokken in de Eerste Wereldoorlog en hij wilde de soldaten iets mee kunnen geven. Maar in 1917 brak de ellende in Rusland pas goed uit en Rachmaninov moest zijn land ontvluchten. Zelfs vertroosting werd de bevolking ontzegd. Die hele bittere, waanzinnige twintigste eeuw. De wrede waanzin die in de onze nog niet is uitgewoed, en niet alleen in die streken.
Ik zat nog op de lagere school toen ik die Russische liederen voor het eerst hoorde. De teksten begreep ik allicht niet maar de oneindige compassie die uit de muziek klinkt wel. Nog weer later leerde ik begrijpen dat het uiteindelijk ook helemaal niet om die teksten gaat maar om wat voorbij de woorden ligt. Rachmaninov gebruikte die oude teksten alleen maar, het gaat om de compassie.
Je hoeft niet gelovig te zijn om die te ervaren. Velichit dusha moya Gospoda. Magnificat, het elfde gezang. Chestneyshuyu heruvim. De oneindige zachtheid die op deze aarde zo moeilijk te vinden is. Moge die over allen neerdalen. Over hen die de koude moeten ontvluchten. Maar moge die ook vooral de harten ontdooien van alle onderdrukkers.

https://www.youtube.com/watch?v=GjnM4ujeUPM&list=RDGjnM4ujeUPM&start_radio=1

Zilverreiger | foto Brigitte van Krimpen
Nu de sneeuw al weer weg is zie je weer hoeveel zilverreigers er wel niet in dit land zijn. Is dit goed of slecht nieuws?
Soms lijken het er wel meer te zijn dan blauwe reigers. In de jaren ’90 was dit onvoorstelbaar. Maar er is wel meer onvoorstelbaar in deze wereld. Als je beter kijkt, had je het misschien eerder kunnen zien aankomen.
Sovon veronderstelt dat twee factoren vooral van belang zijn voor het ‘succes’ van deze reigersoort: de klimaatverandering en het moerasbeheer, in het bijzonder in de Oostvaardersplassen. Voor de eerste zijn we wel verantwoordelijk maar we kunnen er weinig concreets aan doen om de schade te beperken, althans niet op korte termijn. Hadden we in Belém maar beter ons best moeten doen. Er zullen zich wel meer soorten gaan vestigen die onze streken nu nog onaantrekkelijk vinden. Met de krokodillen zal het overigens wel niet zo’n vaart lopen.
Bij weloverwogen waterbeheer is al op heel korte termijn effect te zien. Maar ja, de een ziet liever het ene effect en de ander het andere. Aan het welzijn van bijvoorbeeld de grutto kun je aflezen hoe eigenbelangelijkheid het ‘succes’ van die soort beïnvloedt.
Het verhaal is bekend. Het was de hoedjesmode aan het einde van de 19e eeuw die enkele invloedrijkere dames de wenkbrauwen deed fronsen: moesten die veren van de zilverreiger daar nu echt op? Hoeveel reigers waren er wel niet nodig voor één hoed? Die geschiedenis is boeiend genoeg. Samengevat: er kwam gelukkig wetgeving. Voor gekke hoedjes moet je de derde dinsdag van september in Den Haag zijn en bij mijn weten worden daar geen vogels voor geslacht, althans de laatste decennia niet. Toch kan ik mij maar moeilijk aan de indruk onttrekken dat men zich er daar meer om bekommert of het hoedje wel goed zit dan om wat er door onze landerijen en moerassen rondstapt of -sluipt.

Qeqertarsuup tunua, Ilulissat (Groenland)
Afgelopen vrijdag vergeleek de oprichter van de Correspondent, Rob Wijnberg, in een column de huidige president van de Verenigde Staten van Amerika, Donald J. Trump, met de voormalige Rijkskanselier van het Derde Rijk, Adolf Hitler. Dat is nogal ongebruikelijk. Ik bedoel niet de vergelijking maar wel dat de hoofdredacteur zijn standpunt zo fel uitdraagt.
Of Trump dat stuk te lezen krijgt weet ik niet. Voor de zekerheid deel ik maar even de link:
Met Google Translate moet hier toch uit te komen zijn. En anders kan iemand hem dit voorlezen. Want of Trump zelf leest weet ik niet.
Als – ie even tijd kan vrijmaken, tenminste. Als je zo in je spel opgaat vergeet je natuurlijk de wereld. Misschien kan iemand hem ook uitleggen wie die Adolf Hitler ook al weer was.

László Krasznahorkai, De melancholie van het verzet (1989)
Het was of de duvel gistermiddag met mij wilde dansen. Ik was ruimschoots op tijd voor mijn wekelijkse koffie-afspraak met de Syrische vluchteling die ik wegwijs probeer te maken in het Nederlands toen ik er bij de IJ-pont achter kwam dat hij mij intussen had gewhatsappt dat – ie verstek moest laten gaan wegens oplopende snotterigheid. Dan maar even doorgefietst naar Scheltema, besloot ik, om te zien wat daar van László Krasznahorkai in vertaling te verkrijgen was. Béla Tarr’s beelden van Sátántangó (het boek is van 1985, de film van 1994; Tarr en Krasznahorkai werkten heel veel samen) dwarrelden mij nog voor ogen. Het regende. Nu ja, na een week van sneeuwige kledderzooi was het gaan regenen. Het mocht ook dooi heten.
Op de pont schuilde ik huiverend onder de brug. Een jonge vrouw wrong zich tussen de fietsers naar het voordek, een geplastificeerd A-viertje voor zich uit strekkend: Jesus loves you. Haar beate glimlach verried haar verdere bedoelingen. Toen zij geen aanspraak kreeg hield zij haar boodschap omhoog naar het IJ, ofschoon er geen andere schepen voeren vanwaaraf dit bericht gelezen zou kunnen worden. Misschien ook verwachtte zij dat de Verlosser zelf over het water lopend haar blijdschap zou komen bevestigen.
Bij Scheltema was een klein hoekje op een tafel voor Krasznahorkai ingericht. Het portret van de auteur was erboven geplaatst, pontificaal, bijna een zerk, alsof niet Béla Tarr maar hij naar een andere wereld was afgereisd. Oorlog en oorlog (2022) liet ik wachten tot een andere keer, voor nu even te veel oorlog. Maar De melancholie van het verzet (1989) wenkte onweerstaanbaar. Het is nu eenmaal zo dat ik mij in melancholie beter tot deze absurde wereld verhoud dan in naïeve devotie.
Terwijl ik mij verbaasde over de Van Ostaijen-aandoende achterflap dacht ik aan Mari Alföldy. Die heb ik ontmoet, mijmerde ik, vaak zelfs. Zij studeerde ook in Groningen toen ik Hongaars als bijvak deed. En zij sloeg later aan ’t vertalen, talloze Hongaarse schrijvers vertaalde zij die hier vanwege de nogal ontoegankelijke taal volstrekt onbekend waren. Daaronder dus alle boeken van Krasznahorkai. Haar vertalingen worden zeer geprezen. Zo niet te eniger tijd met die van Nobel dan toch wel met de Nijhoffprijs.
In die tijd, toen Mari nog geen faam als vertaalster had gemaakt, verdiepte ik mij in de Hongaarse volksmuziek. Zij wist mij de geheimen van de herlevende Táncház te ontsluieren, kende de achtergronden, doorgrondde de code en de gebruiken, begreep hoe Hongaarse jongeren zich door de muziek eind jaren ’70 uit de naargeestige beklemming van een zich dood marcherend ideologisch experiment konden bevrijden en zichzelf daarin konden uitvinden. Met patriottisme had dit niets van doen. Orbán begon pas later vals te zingen.
Mari tolkte levendig als Muzsikás Együttes weer eens in Nederland was, in Stad, dan wel in Warffum bij Op Roalkeldais. Of Kolinda Együttes, tot mijn onuitsprekelijke vreugde. Szerelem zongen die op de langspeelplaat die ik had weten te bemachtigen, in Hongarije zelf was die niet verkrijgbaar. Ik draaide die grijs. In een meerstemmige versie met een onpeilbare droef- en schoonheid: ‘Szerelem, Szerelem, átkozott gyötrelem’, liefde, liefde, vervloekte pijn. Dát was het verzet.
Nog weer veel later ontmoette ik haar nog zo maar eens toevallig in Budapest. Daar kende zij de weg en wist ook de onduidelijke gelegenheid te vinden waar een Táncház werd georganiseerd. Sátántangó had ze toen nog niet vertaald en Tarr had die roman nog niet verfilmd. Nagyon jól éreztük magunkat, we hadden veel lol samen.
Die wonderwarme avond kwam weer even boven borrelen toen ik door de verkleumende stad naar huis fietste. De regen was weer natte sneeuw geworden. Het deerde niet. In het Noorderpark zag ik hoe de narcisjes zich al geel boven de oude en de nieuwe sneeuw naar de hemel uitstrekten. Van Ostaijen is toch ook al meer dan een eeuw dood, viel mij in. En wat voor een eeuw. En wat voor een circus.

Paul van Ostaijen, Bezette stad, 1921

Still uit Sátántangó van Béla Tarr, 1994
In de openingsscène van de film Sátántangó sjokken koeien door de prut. Het moet heel vroeg zijn, de wereld is nog kleurloos. Mensen komen niet in beeld, die koeien lijken doel en weg te weten. Of niet, af en toe keert een om. De gebouwen waar zij langs komen zijn van een mistroostig stemmende functionaliteit. Liefdeloos, haveloos. De modder zuigt. Dat is het enige geluid: het zuigen van die modder als zo’n koe haar poot eruit trekt. Na een minuut of tien realiseer je je dat de film zwart-wit is; dat zal – ie 7 uur blijven.
Afgelopen dinsdag overleed Béla Tarr (1955-2025). Allerwegen wordt breed uitgemeten wat zijn betekenis voor de cinematografie was. Ik recenseer geen films. Ik kan alleen maar zeggen dat ik zeven uur steeds stiller wordend naar Sátántangó heb zitten kijken. En naar de andere acht films van Tarr. Mijn bespreking houd ik kort: in Het paard van Turijn (A torinói ló / The Turin Horse, 2011) onderzoekt Tarr wat er met het paard gebeurde nadat Friedrich Nietzsche dat dier op 3 januari 1889 in Turijn om de hals vloog omdat hij niet kon aanzien dat de eigenaar het beest afranselde. Vermoedelijk is dat verhaal apocrief maar Nietzsche’s geestelijke ineenstorting was wel een feit. En dat net nadat hij God dood had verklaard. Wat nu?
Het einde van de wereld breekt niet aan omdat God zulks behaagde (een dooie God?!) maar omdat de mens het verkloot heeft, lijkt Tarr te zeggen. Of misschien toch beide als God niet helemaal dood is. Interpreten bakkeleien daar nog steeds over. Tja, als je er de filosofie bij haalt, of de theologie, of de politiek, dan ben je nog wel even bezig.
In het land dat Tarr laat zien heb ik zelf rondgereisd. Ik heb er zelfs gewoond. Ofschoon ik wat Hongaars heb leren spreken kan ik niet zeggen dat dat hielp de mensen te begrijpen. Kennis van het land en haar geschiedenis dan? Hmmm, matig. Maar deze ervaring kwam boven drijven:
Ergens in de vroege jaren ’80 fietste ik met mijn lief van toen in het oosten van Hongarije, tegen de Russische grens aan. Oekraïne was toen nog de Oekraïne. De zegeningen van het communisme drukten zwaar boven het land. Het geval wilde dat ik in die verlatenheid iets met mijn fiets kreeg: een remkabel brak. Wat te doen?
Een fietsenmaker was er allicht niet, maar die kolchoz daar had toch wel zeker een werkplaats? De boel lag er verlaten bij, een kettinghond sloeg aan. Achter een openstaande deur klonken wat hamerslagen. ‘Hallo?’ Een man verscheen. In ons gebrekkig Hongaars legden wij onze nood uit. Hij bleef maar niets zeggen. En naar onze fietsen kijken. Die zag je daar niet zo.
Toen blies hij op z’n vingers. Van overal kwamen opeens mannen vandaan, zeker twintig. Ze dromden om ons heen, raakten de fiets aan, de tassen die daar aan hingen. Er werd gelachen en we voelden ons geenszins bedreigd. Zouden ze ons nog helpen?
Iemand kwam met een kratje aanzetten. En daarin bier. Er kwam meer kratjes, en meer bier. Het was ochtendkoffietijd maar om ons heen zat de hele kolchoz te toosten en te kletsen. Iemand moet de fietsen de werkplaats binnen hebben gebracht. En wij maar vertellen, over het leven in ‘Het Westen’. Net twintig waren we. Aan het einde van de middag reden we het pad weer af. De remmen deden het weer.
Nog voor ik de film Sátántangó in de bioscoop had gezien kende ik daar een fragment van. Een goede ziel uit een of ander land had het Salve Regina van Arvo Pärt daaronder gezet. Dat harmonieerde wonderwel.
Ik vermoed dat Tarr het misschien maar niks vind misschien maar dan had hij die film maar niet Sátántangó moeten noemen. Wellicht vond hij Pärt een gelovig dwaallicht. Ik wil hem hiermee vanochtend alleen maar even eren. En Tarr heeft daar niks meer over te zeggen. Over de geloofwaardigheid van een duivel die zou bestaan doe ik ook geen uitspraken.