
T e r u g n a a r d e n a t u u r
Er was een man, ik zeg niet wie
hij was, die hield van de natuur,
althans dat dacht hij, want hij had
gehoord dat daar zoveel te vinden was,
de stilte, vrijheid, blijheid en jezelf
en zo. Genoeg in elk geval om daar
eens heen te gaan. Hij ging en kwam
behouden aan.
En toen hij zijn boterhammen op had?
Stilte. Wie stilte wil beschrijven moet
zijn mond maar houden. Wie niets hoort
luistert niet en heeft niets te vertellen.
Vrijheid. Het zou een heel leuke boel
worden als de vrijheid eens een beetje
doorzette, ja jezelf zijn, eindelijk
zou niemand ons begrijpen. Maar wij
begrijpen elkaar helaas uitstekend.
Ook in de meest luxueuze bittertaal
van dichters spreekt alles vanzelf.
Blijheid. De blijheid waar wij naar verlangen
is er gelukkig niet. We zouden dodelijk
getroffen worden door een herfstblad,
tegen de aarde gesmakt door de wiekslag
van een duif, verbrand door de zon.
Wie niet sterk is moet bedroefd zijn.
Nee, toen hij zijn boterhammen op had
hoorde hij de regen die zijn hele leven
door gevallen was, rook hij het gras
waar hij zijn hele leven koekhappend
en zaklopend door heen gestrompeld was
onder het gelach van grote mensen,
hoorde de regen en de stem van moeder
uil die in de olmen huilde en riep
om hem.
Rutger Kopland, Alles op de fiets, 1969
_____
Misschien niet het sterkste gedicht van Kopland, maar ja, hij moest zichzelf toen als dichter nog uitvinden. Midden dertig was hij toen hij het schreef, en nog volop bezig zich als psychiater te ontwikkelen. Toch zit in de kiem al alles waar hij later betere woorden voor vond: de beloften van die grazige weiden, die maar niet ingelost leken te kunnen worden.
Ik fietste vaak langs waar hij woonde, het stroomdal van de Drentse Aa. Ach, wat zijn woorden als je het over stilte wilt hebben.
Geluk is, schrijft Kopland ergens later, als twee woorden bij elkaar willen horen. Daar spreekt de dichter. In dit gedicht lijkt meer de psychiater te spreken. Soms vallen die samen. Soms ook niet.
Maar wie niet elk dag in zijn ziel roert, zegt een andere schrijver (Gerrit Krol), bevriest.
Vandaag raakt mij het beeld van het strompelend koekhappen en zaklopen. Wat een leven!
Maar dit blijft toch: die uil in de olmen.







