
Smoesjes
Ik hoor je wel maar
sta te rennen en dat
jij nu gooit en dat ik
maar nu waar blijf je nu
te staan te smoes je gooi
nou! en dan ren ik weer om
te klets niet zo het kriebelt
zo we gingen jij en ik we
gaan maar samen
maar nu

Smoesjes
Ik hoor je wel maar
sta te rennen en dat
jij nu gooit en dat ik
maar nu waar blijf je nu
te staan te smoes je gooi
nou! en dan ren ik weer om
te klets niet zo het kriebelt
zo we gingen jij en ik we
gaan maar samen
maar nu

Geluid van water
De zon rijpt de aren
korrels worden graan
Een wolk wordt van water
het water een beek
De beek drijft een rad aan
het rad draait de steen
De steen maalt het koren
en koren wordt meel
Een mens komt voorbij
en eet van het brood
Een mens gaat voorbij
en wordt weer van water –
Het is niet te zeggen
het stroomt in geluid
van het water

ZWAAN
Zijn zolen slepen door het kroos.
In natte stilte onder water
gaat het op dieper stilte in.
Chr. Van Geel, Dierenalfabet (1978)

De hemelboog is grijs
nog grijzer is de zee
met aan de einder blauw een vlek
en daarin zonverlicht een witte streep
en daarop weer een bollend zeil
daaronder weer een mens
die koers zet naar een ree

A f v a a r t
Of het wellicht de wind is die de zeilen bolt
of het zeil dat de wind doet waaien,
of toch de geest misschien:
kom toch aan boord en gooi de trossen los!
zet zeil, zet zeil! zeil voort! zeil voort!

Z e g e n i n g
Brood op tafel –
aleer het hier staat
het licht er over
nu het hier ligt
en ik er van eet
zó eenvoudig

Beeld: Caroline Lichthart
N I E T S C A D E A U
Niets cadeau gekregen, alles te leen.
Tot over mijn oren in de schulden
zal ik met mezelf
voor mezelf moeten betalen,
mijn leven voor mijn leven geven.
Het is nu eenmaal zo geregeld
dat het hart terug moet
en de lever terug moet
en elke vinger afzonderlijk.
Te laat om het contract te verbreken.
De schulden moeten worden geïnd,
het vel over de oren gehaald.
Op de wereld loop ik rond
in de menigte van andere schuldenaren.
Sommigen zijn verplicht
hun vleugels af te betalen.
Anderen moeten of ze willen of niet
hun blaadjes afrekenen.
Aan de debetzijde
staat elk weefsel in ons.
Geen wimpertje, geen steeltje
mogen we voorgoed behouden.
De lijst is uitputtend
en het ziet er naar uit
dat we niet zullen overhouden.
Ik kan me niet herinneren
waar, wanneer en waarom
ik zo’n rekening heb laten openen.
Het protest daartegen
noemen we de ziel.
En dat is het enige
wat niet op de lijst staat.
Wisława Szymborska, Einde en begin, 1993

J. C. van Schagen, Zelfportret (1946)
Ik wilde vanmorgen nog wel even doorgaan met mijn lied over de regen. Maar ’t gaat niet, de zon schijnt volop. In het hele blauwe hemelgewelf is geen wolkje te bekennen. En toen ik vanmorgen op het balkon mijn koffie dronk hoorde ik overal de duiven luidruchtig koeren van minnelust. Dat gaat het hele jaar door. Een zat op een tak in de esdoorn waar de zon net bij kon te roepen dat hij het mooiste plekje had. Je kon zijn veertjes tellen. De wind streelde die zachtjes en je kon bijna zien dat de wind daar pret in had.
Met die Gay Pride Canal Parade is het gisteren ook allemaal goed gegaan, las ik in de krant. Nu ja, ’t viel niet in het water en ‘er waren geen incidenten’. Pfff . . . Dat neemt niet weg dat die hele manifestatie, met al die honderdduizenden op al die bootjes door de grachten een schandvlek voor de samenleving is: niet voor die mensen, allicht niet en de hemelbewaarme, maar voor al die lui die niet willen hebben dat die mensen zijn wie zij zijn.
Wat mankeert mij toch, dacht ik toen ik mijn koffiebeker bijschonk, dat ik aan zo’n feestelijke dag toch nog iets lelijks ontwaar? Ik bladerde door mijn bundeltje Narrenwijsheid dat ik speciaal uit de kast had genomen. J. C. van Schagen opent die bundel met een lofzang op de regen en die had ik wel weer helemaal over willen schrijven. En aanvullen. Met nog meer druppels. Maar het zonlicht bereikte inmiddels door het zijraam ook mijn schrijftafel, en scheen op dat bundeltje, dat door de gele omslag nog meer zon reflecteerde. De duiven koerden.
En ik denk aan die dag dat ik dat bundeltje kocht, ik zal zeventien geweest zijn. En hoe die poëzie mij mijn hele leven heeft begeleid. Hoe ik aan al die buitenissige boekjes met onmogelijke formaten was gekomen. Aan die keer dat ik Van Schagen had opgezocht, in zijn appartement aan de IJssel. Hij woonde ook in Domburg maar in de winter toch het liefst in Deventer. Het regende toen een beetje, niet veel maar toch. De overkant van de IJssel werd wazig. En hoe ik hem bedankte voor die poëzie en voor al het andere dat hij daarna nog had gemaakt. Niet lang daarna overleed hij, 93 was hij toen, zo oud zou mijn moeder worden. Nee, er was geen oorzakelijk verband, het was gewoon tijd.
En ik denk eraan dat er precies honderd jaar is verstreken nadat dat bundeltje is verschenen. Een eeuw! Een ogenblik.
En ik herlees:
Niets is dat niet goddelijk is
daarom wil ik niets uitzonderen
ik geef geen namen
ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
recht, ik blijf niet staan bij slecht en lelijk
goed en deugdzaam gaan mij niet aan
[ . . . ]
zo regent de regen
daarom geef ik geen namen
ik ga maar en ben
J. C. van Schagen, Narrenwijsheid, 1925

V I E T N A M
‘Vrouw, hoe heet je? ‘Weet ik niet.’
‘Hoe oud ben je, waar kom je vandaan? ‘Weet ik niet.’
‘Waarom heb je zo’n diep hol gegraven?’ ‘Weet ik niet.’
‘Hoe lang zit je hier al verstopt?’ ‘Weet ik niet.’
‘Waarom heb je in mijn ringvinger gebeten?’ ‘Weet ik niet.’
‘Weet je dat we je geen kwaad willen doen?’ ‘Weet ik niet.’
‘Aan wiens kant sta je?’ ‘Weet ik niet.’
‘Het is nu oorlog, je moet kiezen.’ ‘Weet ik niet.’
‘Bestaat je dorp nog?’ ‘Weet ik niet.’
‘Zijn dit jouw kinderen?’ ‘Ja.’
Wisława Szymborska, Grote pret, 1967
_____
Opm.
Hoeveel moet je van dit gedichtje afpellen om het te begrijpen?

Z o m e r w a t e r
Riemen in het water
Druppels op het water
Riemen in het water
Druppels in het water
Kringen in het water