
zonder het vrouwelijke was de wereld onleefbaar
ik zou een rivier zonder bedding zijn, een zee zonder kust
ik zou de nacht zonder ochtend zijn, een berg zonder top
een weide zonder bloemen, beweging zonder rust

zonder het vrouwelijke was de wereld onleefbaar
ik zou een rivier zonder bedding zijn, een zee zonder kust
ik zou de nacht zonder ochtend zijn, een berg zonder top
een weide zonder bloemen, beweging zonder rust

Wilde narcissen | foto Daniël Mulder
HET GAAT GOED
Het gaat goed, het gaat zijn gang.
De eerste eenden zijn al uit het ei.
Er zijn ook hele gekke bij, gevlekte.
Honden lopen narcissen van de stelen.
Jongetje komt, raapt ze op, bij bossen.
Betrapt, zegt hij verlegen, verbazing –
wekkend snel: dit is geen stelen
ik neem alleen de losse.
Kan het niet vaker zo raar voorjaars –
achtig, wordend warmer, voller,
wordend groener zijn?
Ja het kan vaker.
Het is al veel vaker dan vroeger.
Judith Herzberg, Beemdgras, 1968
_____
Opm.
Ik zocht dit gedichtje van Judith Herzberg eigenlijk alleen maar op vanwege de vierde regel: ‘Honden lopen narcissen van de stelen.’
In mijn herinnering renden ze en juist dat uitgelatene wilde ik even teruglezen nu de lente is losgebarsten. Kleur, vreugde, geur, vogels kwinkeleren liefde en lust. Maar iedere lente is anders.
Waaraan dacht Herzberg toen ze de laatste regel schreef, ‘Het is al veel vaker dan vroeger’ ? Vast niet aan de klimaatverandering. Die had je in 1968 niet. Het moet iets kleiners zijn, het zijn kleine woorden. En tegelijk iets veel groters dan dat.
Waarom ik dat denk? Vanwege de eerste eendenkuikens die al wel heel donzig achter elkaar door de vijver peddelen. Vanwege wat ik vermoed van Herzberg. De geruststelling dat alles in de natuur, toch, zijn gang weer gaat. Vanwege het ongebroken verlangen naar voorjaar.
In mijn herinnering ging het vooral om die hond. Maar nu ik het gedichtje teruglees gaat het misschien meer om die jongen. Of komt dat door het kolossale morele dilemma waarmee Trump en Netanyahu ons dezer dagen hebben opgescheept? Hun haastig gefabriceerde zelfrechtvaardigingen zijn even stupide als die van de jongen: waarom de schijn van een internationale rechtsorde toch op willen houden?
Klimaat en wereldorde veranderen. Maar zoveel is óók zeker, het wordt weer voorjaar. Als dat niet zo zou zijn was er ook niemand meer om dat op te merken.

Monachivka | Foto Serhii Bolinov
V e r w o e s t e s t a d
Geen steen meer op een ander
en uit alle gaten walmt een gore rook
van verbrand hout en van huisraad
speelgoed, lijken van het laatste uur –
heel de stad werd graf
nadat zij belegerd werd als een in te nemen slot
dat eerst ingesloten wordt, afgesloten
van wat leven geeft, water, brood
wapens als een laatste hoop
nadat de bommen vielen, dag na dag
granaten het hart belaagden
honger dorst de mens wegvrat
nadat de laatste strijder de vlag streek
en zijn beide handen ten hemel hief
nadat er niets menselijks meer over was
nadat
de stenen weer op elkaar gelegd
de huizen weer beglaasd, straten nieuw benoemd
en mensen die betrekken in een ander licht
en stemmen kennismaken over heggen
die tuinen omgeven met bomen beplant
waarachter kinderen zich verstoppen
de bakker weer brood bakt voor de buurt
en appels aan elkaar gegeven kaas en wijn
en vliegers uitgepakt en opgelaten
in een wolkenloze lucht
Zal de pijn het bloed vergeten kunnen zijn
zullen mensen weer argeloos hun hart
laten ontdekken door een ander hart
zal er weer eenvoud kunnen zijn
en weer schuldeloos bemind?

Boetsja, iets ten noordoosten van Kyiv, nadat Russische troepen er hadden huisgehouden | Foto Felipe Dana / AP
B e l e g e r d e s t a d
De mensen eten sneeuw
en warmen zich door flessen te vullen
met de brandstof die hen nog rest
om de vijand te begroeten
die hun stad belaagt
terwijl aan het front nog haastig een huwelijk wordt
gesloten – hij proeft nog hun eerste huiverende kus
en zij ziet nog de hemel in zijn ogen
voor zij zich aan elkaar overgaven
terwijl de trillende soldaat aan zijn moeder
denkt, aan de gevulde broodtrommel,
die zij hem gaf toen hij vertrok, de te dunne sokken
terwijl de eindeloze stoet ontheemden
alleen nog zorg heeft voor het vege lijf
terwijl het kind ontredderd ouders zoekt
terwijl
de leiders dromen van een land dat hooguit in hun hoofd bestaat
de ratten knagen achter de vochtige wanden van gedachten
er geen draaiboek blijkt voor de wanhopige dienaar van het volk
de barbarij zich monotoon herhaalt:
van Antwerpen, ooit, London, Berlijn, Dresden
Moskou, Stalingrad, Grozny, Aleppo; van Kyiv?
de grimmige oorlog in hun hoofden woedt
en in die van allen die hun vaandels volgen
en die in die strijd aan kogels, aan vuur
als held, als voer ten onder gaan
Zullen er ooit weer, toch weer opnieuw
nadat de knallen van het slachtveld weggestorven zijn
lichamen geborgen, kruisen opgericht
uit de kraters, op de weiden onder de leeuweriken
zullen er ooit weer klaprozen bloeien?

M e r e l a a r
Met prevelen, met herbeginnen
een overwegen en voor zich uit
gefluit van tulen weefsels van
geluid van webbetjes van tonen
– schalen voor de schuwe stilte –
weet merel mij de schemer uit
het licht in te bewegen:
om middenin dit merelen
te komen wezen

[Recensie: Josephine Quinn: Het westen – Een 4000-jarige geschiedenis. Uit het Engels vertaald door Brenda Mudde en Maarten van der Werf. Thomas Rap; 624 pagina’s; € 44,99]
Ready Made, twee kleuters
Jij was de goeie en ik was de slechte.
Ik wil liever de slechte zijn.
Nee, ik ben de slechte. Jij bent de goeie.
Waarom moet ik altijd de goeie zijn?
Waarom wil jij niet de goeie zijn?
Twee goeien is niet spannend.
Mag ik dan straks de slechte zijn?
Straks. Maar nu ben jij de goeie.
Joke van Leeuwen, Wuif de mussen uit, 2006

Om de imponerende balletten van de kraanvogel te kunnen zien moet je naar het oosten van het land maar de reigers kunnen er ook wat van. Iedere keer als ik er langs fiets vind ik het verbazingwekkend dat reigers in bomen kunnen nestelen. Toch is het zo en ook nog eens gewoon in de stad. Er zit zo’n kolonie in het Baanakkerspark hier vlakbij. Ik ben gistermiddag even wezen kijken, ’t was lenteachtig en ze waren al volop met takken in de weer. Waren ze nou waarachtig al aan het broeden? Dat is ook nog zoiets wonderlijks: ze broeden in kolonies, hier met wel zo’n vijfentwintig bij elkaar. Biologen vinden daar geen sluitende verklaring voor, reigers zijn helemaal niet zulke aaibare of sociale dieren. Maar wat een elegantie als ze aan komen zeilen en dan met de vleugels breed uitwaaierend op de lucht rustend proberen de zwaartekracht te overwinnen. Die lange poten die er maar wat onder lijken te zwabberen maar precies op het juiste moment in die schijnbaar ordeloze hoop takken die het nest moet voorstellen naar houvast grijpen. Evenwicht. Gratie.
Nee, niet ‘net kraanvogels’, want als je gaat vergelijken blijf je bezig. En de vergelijking valt dan altijd beroerd uit voor degene aan wie je om heel andere redenen al even ongegrond een pest had.
Een heel andere karakterstudie toont de documentaire Schoffies (Marc van Fucht, 2006; https://npo.nl/start/afspelen/schoffies_1 ). Daarin wordt de reiger geportretteerd als echte Amsterdammer. Dan hangt ‘t er maar van af wie je vindt een ‘echte’ Amsterdammer te zijn. Een levend en af en toe vermakelijk portret levert het wel op, óók van de mensen die zich om de reigers bekommeren. Of zich daar weer gruwelijk aan ergeren vanwege de kostprijs ener koikarper. Goudvis of koikarper is hen om het even zolang er in de vijver maar vis glinstert.
De reiger een stadsbewoner? Jazeker, en dat al vanaf de dertiende eeuw. Nou ja, Amsterdam was toen nog lang geen stad maar ‘de rheygers’ zijn de eerste vogels die in het stadsarchief van de stad genoemd worden. Door Ghysbrecht van Aemstel, jawel, dezelfde. Dat is niet zo gek als je bedenkt dat de Amstel een veenrivier is en dat Amsterdam uit een moerasgebied zou verrijzen. En als je ook alle bebouwing van na 1300 even wegdenkt. Wat geen onplezierige gedachtengang is.
Naar verluidt is Amsterdam de enige hoofdstad ter wereld met zoveel reigers en reigerkolonies. De stad is daarom zelfs ‘vermaard’ beweren sommige kringen, al moet ik de toerist nog tegenkomen die deswegen de stad bezoekt. Misschien beweeg ik mij in andere kringen; ook mijd ik gewoonlijk de binnenstad. Hoe dan ook, er zijn meerdere kolonies midden in de stad (Artis, Frankeldaal) en dat lijkt nog al strijdig met bijvoorbeeld ook Thijsse’s observatie dat je een reiger niet makkelijk van nabij kunt leren kennen: “Ze zijn geen al te beste bejegening gewoon, noch van mensen, noch van dieren en zien daarom in ieder bewegend wezen een vijand, in iedere ongewone omstandigheid een gevaar.” (Jac. P. Thijsse, Het Vogeljaar, 1903). Maar toen werden reigers nog allerwegen bejaagd: als welkom boutje voor op tafel, de sierveren voor op dameshoedjes of gewoon uit broodnijd door de vissers.
Als je je er toch aan waagt natuur en cultuur te overdenken, of de scheidslijn tussen die twee tracht te tekenen, dan ben je van gisteren nog niet klaar. Ook vanmorgen laat ik het onbeslist. Het volgende gedicht gaat wel over een echte reiger die Chr. van Geel in de weilanden rond het Noord-Hollandse Groet zag rondstappen. Maar het is natuurlijk vooral een zelfportret als dichter. In meerdere opzichten herken ik mij.
REIGER
Een reiger loopt voorzichtig
op hoge poten door
de sloot en brengt zijn spieden,
ook als het donker is,
als witvis aan het licht.
Chr. van Geel, Dierenalfabet, Amsterdam 1978

Ergens in mijn hoofd huist een fenologische agenda: week 6, merels! Daar trekken die merels zich natuurlijk niks van aan. Die numerieke agenda is ook maar iets uit de tijd toen ik nog voor de klas stond en het schoolleven daardoor gedicteerd werd. Maar: mijn alert zijn op het eerste merelgezang – en het échte moment dat-ie daadwerkelijk begint te zingen. Iedereen voelt de veranderingen die al een zweem van voorjaar aankondigen.
Het komt allemaal heel precies in de natuur. Er zijn buiten geheimzinnige processen gaande waarover je niet nadenkt als je een boterham smeert of de post doorneemt. Die gaan over schimmels, zaadjes en eitjes, beestjes die je niet kunt zien maar die toch heel belangwekkend zijn. Die gaan over temperatuur en licht, beschikbaarheid, ontvankelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid, een verbijsterend aantal zaken die allemaal voor elkaar moeten zijn aleer die merel weet: Nu! En losbarst.
Lijster en merel horen tot dezelfde familie, net als trouwens de koperwiek en de kramsvogel. Waarom zingt de lijster als eerste? Waarom vertrekken de koperwiek en de kramsvogel weer richting het noordoosten als je hier weer in je hemdje buiten kunt zitten?
Het gedicht van Herman de Coninck dat ik gisteren aanhaalde kwam spontaan opwellen. Dat ligt ook ergens diep verborgen in mij, ook daar zijn geheimzinnige processen gaande. Wie dat denkt te kunnen verklaren met ‘Kunst, associaties!’ verklaart helemaal niks. De kunst niet, de mentale processen niet en het verlangen al helemaal niet.
Verlangen is de herinnering aan iets dat komen zou. Verlangen is een beekje dat met een ander beekje samen verder gaat, dat een riviertje wordt en op weg gaat naar zee. Ze hebben het geruis van de zilverfabriek van de zee gehoord. Dit alles was weer zeer nabij toen we vorige week in Zuid-Limburg rondzwierven. En het onderscheid tussen het murmelen van het beekje en de zang van de lijster weg viel.
Verlangen is de herinnering aan iets dat vertrouwd is als de hartslag, intiem als de ademhaling, als iets dat zich steeds herhaalt en nooit hetzelfde is.
Ik dacht aan een keer dat we het gedicht in de klas bespraken. Dat ‘Vingerafdrukken op het venster’ wel een heel erg treffend beeld is voor een gedichtje: dóór het taalspel, de klanken en het ritme, de stuwing van het gedicht, kijk je naar de werkelijkheid. Als door een venster, waarachter een kind vol ongeduld wacht tot de dageraad de dingen zichtbaar maakt, de wereld kleur en geluid geeft, gestalte geeft, en kracht en duur, de wereld wakker en levend wordt.
‘Moeten we bij Nederlands nou ook nog weten hoe een lijster klinkt?’ was het wederstrevende commentaar bij de laatste regel. Ja, juist bij poëzie moet je de vogels leren verstaan. Zonder poëzie is het leven een agenda.
Vingerafdrukken op het venster
Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken
op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen
te wachten staat op dag. Uit aarde komt nevel,
uit verdriet een soort ach. Wolken
zorgen voor vijfentwintig soorten licht.
Eigenlijk houden ze het tegen. Tegenlicht.
Het is nog te vroeg om nu te zijn. Maar de rivieren
vertrekken alvast. Ze hebben het geruis
uit de zilverfabriek van de zee gehoord.
Dochter naast me voor het raam. Van haar houden
is de gemakkelijkste manier om dit alles te onthouden.
Vogels vinden in de smidse van hun geluid
uit, uit, uit.
(Herman de Coninck, Vingerafdrukken, Amsterdam 1997).

O v e r h e t w a d
De ochtend wordt
op weergaloze wijze.
Er zijn geen woorden voor
dit wad. En dan:
Hoe zou ik sprakeloos
nog namen kunnen geven?
De wind, de wind
hij fluistert, vat mij aan
hij voert mij door dit al

Slechtvalk (Falco Peregrinus) | foto Arie Ouwerkerk / Vogelbescherming
Ida Gerhardt heeft heel wat afgewandeld, alleen of samen met Marie van der Zeyde, haar levensgezellin. Die schrijft in De hand van de dichter over de periode dat Gerhardt haar eerste aanstelling in 1939 in Kampen heeft over de wandelingen langs de IJssel: “[ … ] de Zevenkolkjesweg, Zalk en de Zalkerdijk, Kamper-Nieuwstad met de hooilanden vol kievitsbloemen en morgenster, het Kampereiland, Genemuiden. Langs de IJssel was het in het voorjaar één gewemel van weidevogels, – niet alleen kieviten, maar ook grutto’s en tureluurs, dansend, kantelend met de zon op hun vleugels, roepend; je werd er haast duizelig van.”
Maar dit schrijft Van der Zeyde, en niet Gerhardt zelf. En ook nog eens dertig jaar later. En Ida was haar grote liefde. Die verdedigd moest worden tegen een onwelwillende wereld. Of somtijds kwaadwillende wereld. Gerhardt’ s biografe, Mieke Koenen, spreekt oud-leerlingen uit die tijd en tekent op: “Ze trok zich [ … ] nooit wat van het weer aan, fietste gerust met beestenweer naar het Kampereiland en terug. Ze wandelde ook veel: in een martiale houding, met krachtige pas, zwaaiende armbewegingen – het was meer marcheren dan wandelen.” Mij interesseert de vraag wat Gerhardt nu precies zag.
Volgens mij zag ze overal de schim van Leopold. Van hem had ze op het gymnasium Oude Talen gehad, samen gewandeld – wat heel bijzonder was – en de klassieken vertaald: Vergilius, de Georgica, Lucretius, De rerum naturum om er nog in de oorlogsjaren op te promoveren. Een heel gedoe, om al die elegante of gedragen klassieke metra in het bonkige Nederlands over te zetten. Volgens mij zag ze Roland Holst, met wie ze in de verte verwantschap gevoelde en die ze meermalen heeft gevraagd eens een keer iets aardigs te schrijven over haar nogal conservatief uitgevallen gedichten. Volgens mij zag Gerhardt in de natuur eerst een Platoons Idee en dan prutste ze net zo lang totdat het ding ambachtelijk samenviel met wat er zich in de buitenwereld voordeed.
De bundel De slechtvalk (1966) is grotendeels in Ierland ontstaan. Daar verbleven de dames een aantal jaren iedere zomer in een afgelegen boerderij. Er werd veel gewandeld. Ik ken de streek.
Om iets van de titel, en dus van de bundel, te begrijpen moeten we naar het laatste gedicht uit de eerste afdeling:
HET ONHERROEPELIJKE
Gij slechtvalk met het onyx oog,
gehouwen uit korrelig porfier,
weer keerde ik waar gij zijt. Gedoog
mijn nadering, zwijgend koningsdier.
Eeuwigheid, overstaar mij hier
die nauwelijks te ademen waag,
die in het hart mijn dode draag
in de gesloten sarkophaag.
Wat Gerhardt hier ook ziet, een levendige slechtvalk is het niet. Maar ja, de bundel vervolgt met een afdeling (‘Keltisch’, ‘geïnspireerd door een oud kerkhof met Keltische grafkruisen. Wales, 1800’). Staat ze op een kerkhof, aanschouwt ze een grafornament? Om welke dode het gaat blijft ongewis, er zijn te veel kandidaten als ik de biografie volg. Maar Gerhardt houdt de sarcofaag potdicht. Daarin heerst Egyptische duisternis. ‘En Ik Doe NIET Open!’ Jammer.
Uit de jaren zestig stamt een van de aangrijpendste boeken over vogels dat ik ken, The Peregrine van John A. Baker (De slechtvalk, Atlas / Contact vogelserie). Dat gaat over de slechtvalk. En over de dood, die Baker op de hielen zat.
Deze vergelijking geeft natuurlijk geen pas. Van vergelijken is niemand ooit gelukkig geworden. Als de schaduw van voorgangers over de wereld valt zie je de levende wereld niet.