
Slechtvalk (Falco Peregrinus) | foto Arie Ouwerkerk / Vogelbescherming
Ida Gerhardt heeft heel wat afgewandeld, alleen of samen met Marie van der Zeyde, haar levensgezellin. Die schrijft in De hand van de dichter over de periode dat Gerhardt haar eerste aanstelling in 1939 in Kampen heeft over de wandelingen langs de IJssel: “[ … ] de Zevenkolkjesweg, Zalk en de Zalkerdijk, Kamper-Nieuwstad met de hooilanden vol kievitsbloemen en morgenster, het Kampereiland, Genemuiden. Langs de IJssel was het in het voorjaar één gewemel van weidevogels, – niet alleen kieviten, maar ook grutto’s en tureluurs, dansend, kantelend met de zon op hun vleugels, roepend; je werd er haast duizelig van.”
Maar dit schrijft Van der Zeyde, en niet Gerhardt zelf. En ook nog eens dertig jaar later. En Ida was haar grote liefde. Die verdedigd moest worden tegen een onwelwillende wereld. Of somtijds kwaadwillende wereld. Gerhardt’ s biografe, Mieke Koenen, spreekt oud-leerlingen uit die tijd en tekent op: “Ze trok zich [ … ] nooit wat van het weer aan, fietste gerust met beestenweer naar het Kampereiland en terug. Ze wandelde ook veel: in een martiale houding, met krachtige pas, zwaaiende armbewegingen – het was meer marcheren dan wandelen.” Mij interesseert de vraag wat Gerhardt nu precies zag.
Volgens mij zag ze overal de schim van Leopold. Van hem had ze op het gymnasium Oude Talen gehad, samen gewandeld – wat heel bijzonder was – en de klassieken vertaald: Vergilius, de Georgica, Lucretius, De rerum naturum om er nog in de oorlogsjaren op te promoveren. Een heel gedoe, om al die elegante of gedragen klassieke metra in het bonkige Nederlands over te zetten. Volgens mij zag ze Roland Holst, met wie ze in de verte verwantschap gevoelde en die ze meermalen heeft gevraagd eens een keer iets aardigs te schrijven over haar nogal conservatief uitgevallen gedichten. Volgens mij zag Gerhardt in de natuur eerst een Platoons Idee en dan prutste ze net zo lang totdat het ding ambachtelijk samenviel met wat er zich in de buitenwereld voordeed.
De bundel De slechtvalk (1966) is grotendeels in Ierland ontstaan. Daar verbleven de dames een aantal jaren iedere zomer in een afgelegen boerderij. Er werd veel gewandeld. Ik ken de streek.
Om iets van de titel, en dus van de bundel, te begrijpen moeten we naar het laatste gedicht uit de eerste afdeling:
HET ONHERROEPELIJKE
Gij slechtvalk met het onyx oog,
gehouwen uit korrelig porfier,
weer keerde ik waar gij zijt. Gedoog
mijn nadering, zwijgend koningsdier.
Eeuwigheid, overstaar mij hier
die nauwelijks te ademen waag,
die in het hart mijn dode draag
in de gesloten sarkophaag.
Wat Gerhardt hier ook ziet, een levendige slechtvalk is het niet. Maar ja, de bundel vervolgt met een afdeling (‘Keltisch’, ‘geïnspireerd door een oud kerkhof met Keltische grafkruisen. Wales, 1800’). Staat ze op een kerkhof, aanschouwt ze een grafornament? Om welke dode het gaat blijft ongewis, er zijn te veel kandidaten als ik de biografie volg. Maar Gerhardt houdt de sarcofaag potdicht. Daarin heerst Egyptische duisternis. ‘En Ik Doe NIET Open!’ Jammer.
Uit de jaren zestig stamt een van de aangrijpendste boeken over vogels dat ik ken, The Peregrine van John A. Baker (De slechtvalk, Atlas / Contact vogelserie). Dat gaat over de slechtvalk. En over de dood, die Baker op de hielen zat.
Deze vergelijking geeft natuurlijk geen pas. Van vergelijken is niemand ooit gelukkig geworden. Als de schaduw van voorgangers over de wereld valt zie je de levende wereld niet.









