Wie fluit toch het sein onder al die smientjes om op te breken?
_____
Opm.
Het fluitende roepen van de smientjes hoort bij de winter, de jodelende roep van de grutto bij het voorjaar. Er is geen moment afgesproken waarop de wisseling plaatsvindt. Toch weten smient en grutto van het wanneer.
Eindelijk, eindelijk is de merel gaan zingen. Niet als een beloning voor het lange wachten dit jaar maar ‘gewoon’, omdat merels dat nu eenmaal doen als de temperatuur oploopt en het langer licht is. Maar er is niks gewoon.
Op https://waarneming.nl/species/150/observations/?page=1 kun je mooi zien hoe er vooral in de avondschemering een sluier van geluid over het hele land trekt. ’s Ochtends wordt er ook wel gezongen maar dan vindt-ie het kennelijk nog te koud.
Deze haiku ontstond ergens in de jaren negentig toen ik op een fraaie zomeravond weer eens een roerdomp hoorde op Wieringen. Het onmiskenbare geluid brengt mij altijd meteen terug naar de allereerste keer dat ik hem heb gehoord. Dat was twintig jaar daarvoor, met mijn eerste grote liefde. We roeiden over het stille Waardkanaal, niemand kwam daar, ’t was zomeravond. De wereld was van ons. Zo zou het altijd blijven.
Zo bleef het niet natuurlijk.
Maar ergens in mijn bewustzijn leeft die stille zomeravond voort. En weet ik dat wat we toen in elkaars ogen zagen er nog altijd is. Nee, niet meer met elkaar natuurlijk, die kans hebben we gehad. Maar dat wonder. Die vraag en dat antwoord ineen.
Dat alomtegenwoordige heeft niks met god te maken. Van god weet ik niks. Wie daarover begint vergeet dat je ’t zelf moet doen. Ik herlees de haiku om me daaraan te herinneren. Steeds opnieuw.
Om een levende roerdomp weer in het riet te kunnen horen hoempen zullen we een paar maanden geduld moeten hebben. Alleen ongeduld maakt dat wachten naar.
Afgelopen week waren we in Zuid-Limburg. Het heuvelland. Nee, het dalenland zeggen geologen, die er toch weer anders naar kijken. Het Mergelland dan. De Geul, de Gulp, al die beekjes. Een landschap waar je in bent, waar je mijmerend kunt gaan. Of fietsen, want die hadden we deze keer mee. De holle wegen, de stegelkes, de kruuskes, de kapelletjes langs de weg. De maretakken in de populieren.
Waar we verbleven keken we vrij uit op de tuin, daarachter ging een pad omhoog. Verderop, onzichtbaar achter een bocht, lag de Sousberg. Dat bleek nog een hele klim. De jaren beginnen te tellen.
Aan de tuinvogeltelling zouden we niet meedoen. Dit was onze tuin niet, we hebben niet eens een tuin. Dat vond ik zelf ook wel een flauwekulargument en naar de vogels kijken deden we toch. Er kwamen vooral koolmeesjes op de voederplek aangestoven, vinken en enkele pimpeltjes. Was het erg dat die nu niet meegeteld werden?
Terwijl ik zo in die tuin kijkend stond te peinzen over de relevantie van deze prachtige vorm van burgerwetenschap – er kunnen niet genoeg mensen mee bezig zijn! – merkte ik dat mijn oren vooral gespitst waren op het horen van de eerste merel dit jaar. Dan zou alles weer goed zijn. Het onbarmhartige knarsen van de raderen van deze krankzinnige tijd zou tot stilstand kunnen komen. De omstandigheden waren goed, de mezen buitelden al over elkaar met het voorjaar in hun kop. Het was misschien alleen nog wat vroeg in het jaar.
Toen weerklonken in de ochtendstilte opeens de repeterende strofen van een zanglijster. Hij zat ergens voorbij de bocht, je kon ‘m niet zien maar zijn roep vulde het hele dal, tot waar ik achter het venster stond, boven de tuin. Vogels vinden in de smidse van hun geluid, viel mij in, naar het gedicht van Herman de Coninck. En, je kunt verlangen wat je wilt, het leven zelf tovert altijd weer iets anders.
Tegen de wind kun je natuurlijk moeilijk zeggen ‘ga nou maar weer liggen’. Wat dan?
Wie wil, kan deze haiku (en die van gisteren) overdrachtelijk opvatten – op het wereldtoneel razen genoeg stormen. Maar het punt is dat je dan vanzelf in een andere storm terecht komt: bijvoorbeeld wat concreet te doen tegen het geloei en gebulder van iemand als Trump?
Mijn punt is dat ik bij het maken van een haiku eerst uit de storm van mijn persoonlijke gedachten en gevoelens moet zien te geraken. Wat is er te zien op het strand? Als zand weer zand is, en water weer water, wind wind, kan ik om mij heen kijken. En het wonder is: ook naar binnen.
Trouwens, ik wil ook niet in de gevoelens of gedachten van een ander terechtkomen want dan blijft het ook maar razen. Mijn haiku bieden daarom geen aanbeveling, zijn geen advies, bevatten geen panacee.
Bij iedere haiku zoek ik grond waar ik niet kan staan.