Helemaal aan het einde van zijn regeerperiode heeft de 46e president van de Verenigde Staten, Joe Biden, nog even een wet ondertekend die de Amerikaanse zeearend, the bald eagle (Haliaeetus leucocephalus), officieel tot nationale vogel bestempelt. Vraag 1. Was ie dat dan niet al sinds de oprichting van de Verenigde Staten? Vraag 2. Heeft die vogel daar iets aan? Antwoorden 1 & 2: Welnee joh! Dat betekent he-le-maal niks! En wat mij betreft is het even idioot als dat de grutto in 2015 tot nationale vogel van Nederland gekozen is. Kéken presidenten maar wat meer naar de vogels.
Om de genialiteit van de 47e president van die Verenigde Staten kan niemand heen. Hij zegt het immers zelf? Wat hij van die adelaar vindt weet ik niet. Misschien zegt hij er vanmiddag bij zijn inauguratie nog iets over. Dat-ie Biden ’s wet subiet verscheurt en uit het oogpunt van nuttig-, mak- en smakelijkheid die kale adelaar met een uit de kluiten gewassen kalkoen als nationaal symbool onder luid trumpetgeschal op het Amerikaanse grootzegel gaat laten overschilderen. Dat dat veel beter past in zijn visie van eten of gegeten worden. Bij Trump is alleen zijn onvoorspelbaarheid voorspelbaar. Hij zou dus net zo goed kunnen gaan beweren dat de adelaar hem niet bevalt als proeve van presidentieel portret. Dat hij kiest voor de kanarie. Het blijft gissen. Vliegt de adelaar links of vliegt de adelaar rechts over zijn schouder?
In oude tijden, die van de Grieken en de Romeinen, speelden auguren een essentiële rol bij de installatie van een nieuwe machthebber. Vandaar: inauguratie. Zo’n augur was een vogelwichelaar die aan de hand van de vlucht van vogels voorspelde hoe gunstig de voortekenen voor een oogstrijke toekomst waren. Aan voorspellingen heeft het de laatste tijd niet ontbroken. Tjonge jonge, wat een zegen! Of tjonge jonge, wat een rampspoed! Ik waag mij niet aan wichelen – al ben ik niet gerust op het aanstaande klimaatbeleid van de United States of America- maar met de Amerikaanse adelaar gaat het ongeveer net zo besodemieterd slecht als met de Nederlandse grutto.
Zou Trump weten dat je naar de echte vogels moet kijken om je een ongeluk te schrikken van de erbarmelijke staat van onze planeet?
Alleen spreekwoordelijk hoor je nog wel eens van de kanarie in kolenmijn. De uitdrukking heeft zijn alarmerende werking verloren: te veel alarmbellen maakt mensen (v/m) murw. Of onverschillig. Of men (v/m) denkt het beter te weten Of men (v/m) discuzeurt over de kwaliteit van bel of klok. Dat overkwam een ecologe (Marianne Thieme) en een financieel geograaf (Ewald Engelen) die gezamenlijk een pamflettistisch boekje schreven onder die titel. Samengevat: Wij moeten de Juiste Politieke Keuzes maken om ons Bedreigde Ecosysteem te redden en de Aanstaande Apocalyps af te wenden. Grote woorden. Wie wil weten hoe het afliep met hun klemmend stemadvies beoordele de opmerkelijke samenstelling en daadkracht van de huidige regering. Hoop, Lef en Trots zijn ook grote woorden, maar deze stille zondagmorgen wou ik helemaal geen politiek preken. De rest van de week trouwens ook niet.
De merel, op wiens zang ik bijna niet kan wachten, heb ik hier intussen nog niet gehoord. Het blijft mistig en stil in de parkrand. Ja, af en toe hoor ik zijn alarmroep. Verder enkel roodborsten. Koolmeesjes. Terwijl hij in Wageningen, bijvoorbeeld, al wel luid zingend van de daken is gerapporteerd. Had ik al verteld dat ik daar stikjaloers van kan worden? ‘Zouden ze daar bij Wageningen University & Research . . .?’ Ja, in mijn hunkering ga ik door roeien en ruiten.
Ik kwam onlangs een artikel tegen van een gerespecteerd ornitholoog die met droge verrekijker beweerde dat de merel de spreekwoordelijke kanarie in de kolenmijn was. Om hem niet verder in verlegenheid te brengen zal ik zijn naam niet noemen. Bespottelijk, een merel die op een kanarie lijkt! Maar dat het aantal merels keldert kan iedereen opmerken. De argumentatie van voornoemde vogelaar leek overigens te deugen, al wist iedereen natuurlijk al lang dat er is veels te weinig groen in onze steden is en dat het daar ook veels te droog wordt. Hoe vindt een merel dan wormpjes?
Er is veel meer aan de hand maar ik hunker zo naar merelzang dat ik uit ongeduld alle oorzaken en redenen maar even oversla. Het probleem van het probleem is dat we het allemaal al lang weten. En dat dat niet meer verontrust. We moeten iets anders doen. En we doen het niet. Al die boeken en studies die sinds Rachel Carson ’s Silent Spring (1962) zijn geschreven hebben niet geholpen. Ik houd mijn hart vast als in Amerika gedaan wordt wat de aanstaande president al tijden roeptoetert: “Drill, baby, drill!” Het zou uitermate flauw zijn de kleur van diens haardos nu ergens mee te vergelijken. Of de gedachtegangen onder die kuif fossiel noemen.
Het gedichtje M e r e l a a r dat ik gisteren deelde schreef ik al weer een tijdje geleden – het moet maar voor zich spreken. Uitleggen doe ik het daarom niet, al valt er wel nog iets over te zeggen.
Op deze mistige ochtenden zet ik nog voor het licht wordt iedere morgen mijn oren wijd open. Hoor ik al een merel? Het kan ieder moment gebeuren! Mensen (m/v) elders in het land rapporteren al baltsende en zingende merels, leer ik van de meldingen op http://www.Vogelbescherming.nl en http://www.Waarneming.nl. Geluksvogels! Bofkonten!
M e r e l a a r ontstond in een periode dat ik mij erg afvroeg wat ik met mijn leven zou aanvangen. In media vita, zogezegd, en inderdaad erg mistig. Hoe zo’n gedichtje dan ontstaat is een groot mirakel. In zekere zin was het er al: ik hoefde alleen de woorden te vinden die bij elkaar wilden horen.
De ervaring intussen ging veel verder terug in mijn leven, tot een indrukwekkende belevenis die ik als vierjarige had toen ik in de tuin achter mijn ouderlijk huis ronddwaalde. Er was die merel, die hoog in de sering zijn lied door het lentelicht in de geurende lentelucht uitstrooide. Het was van een onuitsprekelijke schoonheid waar die merel de taal voor had. En dat ging recht mijn hart in. De hemel kierde open. Hier moet ik maar bij laten, straks bazel ik nog over mijn particulier ongelovige beleving van de hof van Eden. Laat ik het er maar op houden dat dat een numineuze ervaring was. Leg maar eens uit wat hart is. Of ziel. Of hemel. Ik begin er niet aan.
Zo’n bewustwording maak je niet iedere dag mee. Héél soms gaat die deur weer op een kier, nog zeldener helemaal open. De beeldspraak is gebrekkig. We moeten het er maar mee doen. Maar ik herinner mij soms die ervaring. In de grote gang der seizoenen is de eerste merelzang de bode van een waarachtig mooiere wereld.
Dat ik gisteren behoefte voelde dat gedichtje weer eens te laten klinken heeft dus alleszins met mijn verlangen te maken. Een hunkering naar schoonheid die verder niet uitgelegd hoeft te worden. En die nogal contrasteert met, laten we zeggen, de gebeurtenissen in Gaza. Of het gedonder der kanonnen in Oekraïne. De onheilspellende bombast uit Mar-a-Lago of Washington.
Waar dat verlangen vandaan komt weet geen mens. Maar zolang de merels hun liederen weer beginnen te zingen zal ik aan dat intense verlangen herinnerd worden.
Met prevelen, met herbeginnen een overwegen en voor zich uit gefluit van tulen weefsels van geluid van webbetjes van tonen – schalen voor de schuwe stilte – weet merel mij de schemer uit het licht in te bewegen: om midden in dit merelen te komen wezen
“Immers, een vervuilde omgeving duidt op een vervuilde geest.”
Zo motiveerde ik mijn overstap van Instagram naar dit blog. ‘Vervuiling’, zeg je? Ja, dat schreef ik. Wacht,
neem een leeg vel papier. Blanco. Onbeschreven, nog maagdelijk, zogezegd. Leg het voor je. Kijk ernaar. Hou dat even vol. Zolang je het er bij kunt uithouden.
Neem dan een pen, een potlood is ook goed. En bedenk dan eens wat er op dat papier geschreven kan worden. Of opgeschreven kan worden. Of moet worden, want er zal toch iets zijn wat je te zeggen hebt.
Laten we nou es aannemen dat het woord ‘natuur’ komt opwellen. Geen idee of dat zo is maar bij mij gebeurt dat dikwijls. Ik hou namelijk erg van de natuur. Van vogels vooral, ik kan bijna niet wachten tot de merels weer hun eerste liederen beginnen te zingen.
Met het woordje ‘natuur’ begint het gedonder meteen al. Ik denk aan merelzang. ‘Een koe is puur natuur,’ meent de boer. Of kip, varken dan wel geit als het om een kippen-, varkens- of geitenboer gaat. En hij vindt de natuur maar een aanslag op zijn verdienmodel.
Daar denkt de natuurbeschermer dan weer heel anders over. Maar zet twee van die natuurbeschermers bij elkaar en je hebt een twistgesprek. Drie van die lui, en je hebt gekrakeel. Tien, en je hebt een volksoproer. Ik zal verder zwijgen over boswachters, hondenuitlaters, recreanten, verliefde stelletjes, natuurfilosofen, lyrici en andere natuurdichters. Zet er de Minister bij van Natuur, die ook nog minister is van Landbouw, Visserij en Voedselzekerheid en je hebt een onbestuurbaar land.
Het woordje ‘natuur’ kan hier niets aan doen. De natuur zelf ook niet. Die is gewoon. Hoor ik al een merel? En nou ben ik nog niet eens begonnen aan het vraagstuk of het mogelijk is in mensentaal iets zinnigs over het zingen van een merel te schrijven. Het ingewikkelde moet nog komen.
Ander woordje: ‘wolk’. Ik denk dan aan wat je wel eens in de lucht ziet. Die op de foto van vandaag zie ik het liefst: dat vluchtige, dat even verschijnen, en dan weer stil verdwijnen. Noem het een windveer. Mij best, ik hou van windveren. Een ander mag van regenwolken houden, van plenzen, van kringetjes in het water, van de geur van de aarde als het net geregend heeft. Allemaal wolken en heel schoon.
Maar nu de baas van Instagram. Die denkt bij ‘wolk’ aan ‘cloud’ en houdt het erop hij daar de baas van is. Hoe meer wolkjes hoe meer baas, meent hij. Dus hij aan ’t roeren in die cloud. Bliksems! Onheilspellende luchten! Onweren zal het!
Wie de gedachtesprong durft te maken snapt hoe moeilijk het is om het precies uit te leggen. Vermoedelijk net zo moeilijk als voor de baas van Instagram om te snappen dat zijn cloud niks met een echte wolk te maken heeft. Of dat de mensen die hun eigenste wolkje op hun maagdelijk papiertje hebben geschreven echte mensen van vlees en bloed zijn.
Kijk, die gedachtegang noem ik vervuild. Opschoning duurt vermoedelijk net zo lang als nodig is om er achter te komen dat centjes niks met waarde te maken hebben. Over al het andere onfatsoenlijks dat opgeruimd moet worden zal ik het vandaag maar niet hebben. Iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Zoals iedere dag ook aan zijn eigen schoons genoeg kan hebben.
Hij leunt met meeuwen op de wind. Met wulpen fluit hij liederen de nachten door; tussen de wolken goochelt hij met golven licht. Lichtzinnig schept hij overvloed de hemel uit en rimpelt met het zand. Hij scharrelt met de krabbetjes en ligt bemosseld als het strand. Hij waaiert met plevieren en plooit met horizonnen; hij murmelt ebbelijnen voor en moermelt met de vissen.
Hier rust hij met de wateren en deint met het getij dat heel en al bevat.
Hier waart en wemelt hij en mijmert zomaar wat: de Alom-Onbegonnene.
De overstap van Instagram naar Zinrijk was snel gezet: liever een omgeving die schoon blijft. Immers, een vervuilde omgeving duidt op een vervuilde geest.
Ik stapel stenen, woorden. Dat is mijn spel. Soms blijft het staan, even. Of wat langer. Dan heb ik geluk.
En altijd is er dan de wind. Zijn er de golven. Zijn er de wolken. Is er regen. En de zon, die er mee speelt. Spel in spel.