
Een Iljoesjin-76 bij brandbestrijding in Servië | foto AFP
POËZIE
Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:
mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt
verdrietje, en het helpt niet;
zoals je een hand op haar hete voorhoofdje
legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,
en het helpt niet:
zo helpt poëzie
Herman de Coninck, Met een klank van hobo, 1980
_____
Opm.
Het vuur raast op dit continent, ook in De Hoge Venen. Herman de Coninck (Mechelen 1944 – Lissabon 1997) kende dat gebied. De precieze aanleiding voor het schrijven van dit gedicht en de hele bundel doet er nu even niet toe.
Het wonderlijke van goede poëzie is de universele toepasbaarheid. Misschien had zijn dochtertje toen inderdaad koorts, en had hij die zielsgraag willen wegnemen. Het gaat om die houding: de aandacht, de zorgzaamheid, de wens te helen. Het gedicht gaat over wat een gedicht niet kan. De paradox is dat het daardoor wél heelt.
Er is niet veel verbeelding nodig om het zieke dochtertje op te vatten als metafoor: de aarde zelf heeft koorts. De Coninck zal er niet mee bedoeld hebben dat hij wel brandweerman wilde spelen maar dat dat nu eenmaal niet ging. Maar toch.
Bij het bestrijden van die immense brand vlak onder Maastricht wordt de op gang gekomen internationale samenwerking geroemd. Dat is mooi. Vuur trekt zich niks aan van mensengrenzen.
Bij het bestrijden van een even immense brand in Servië wordt de hulp vanuit Rusland met argusogen bekeken. Ik ben niet naïef en ga heus niet beweren dat de piloot van dat blusvliegtuig thuis ook een ziek dochtertje heeft. Maar als we er politiek van maken begrijpen we slecht wat vuur is.
De aarde staat in de fik. Hoe verlichten we de koorts?
Een gedicht, of kunst, vermag de brand niet te blussen. En toch helpt het.
Plaats een reactie