Nergens om

,

Over Zeeland valt veel te vertellen, wat ik nochtans niet zal doen. Het beproefdste recept voor volkstoeloop is een roffelende brochure met de belofte dat hier de stilte nog te beleven is. Of een reisgids die voor je bewegwijzert welke weg je moet bewandelen om een notie van de oneindige ruimte op te doen.

Ik graaf in mijn herinnering om te achterhalen wanneer in mijn leven Zeeland begon te wenken. Door Nescio misschien, die Bavink Japi, de uitvreter, laat leren kennen op de boot naar de Zeeuwse eilanden. Dat was lang voor de Deltawerken, zo rond vóórvorige eeuwwisseling. Nescio is daar niet erg precies in, ofschoon hij zelf graag in Veere logeerde. Maar deze kennismakingsvraag: ‘is u niet die heer uit Amsterdam die altijd maar aan den waterkant zit?’ Dat valt nogal mee, Japi moet ook nog slapen. Ik was nog geen zeventien toen ik dit voor het eerst las en het doordrong mij alleszins van het besef dat je geen lid van een hengelsportvereniging hoefde te zijn om in het water te turen. Het betoverende spel van het licht, het water dat maar golft, het licht dat zelf een golf is.

In dezelfde tijd leerde ik Van Schagen kennen, Narrenwijsheid (1925). In de zomer verbleef hij in Domburg, ik wil nog eens uitzoeken waar precies. ’s Winters keek hij er in Deventer op toe hoe de regen de IJssel vulde. Met die hele zogenoemde kunstenaarskolonie had hij niet van doen, zoals ook zijn poëzie zich niet in een school laat onderbrengen. Ja, die van Lao Zi misschien. ‘Je moet het zwijgen.’ Allicht.

Intrigerend heb ik altijd gevonden dat Van Schagen gepromoveerd is op stellingen op het gebied van de visserij. Dat was nog voor hij Narrenwijsheid publiceerde. Voor een jurist, én Zeeuw, is dat geen vreemd onderwerp. Maar dan, uit mijn hoofd en van veel later datum, deze haiku:

Zie mijn goede net,

alle vis zwemt er doorhéén –

zo moet je vissen

Het boodschapperige van deze haiku maakt dat ik ‘m makkelijk kan onthouden. Maar dat maakt ‘m ook ietwat pedant, zélfs als je goochelt met de begrippen letterlijk en figuurlijk. Al hoop ik dat vissers niet verder komen dan een letterlijke lezing. Met de Schrift zijn ze daar tenslotte ook niet kinderachtig in. Of juist wel.

Ik bedoelde juist iets kleiners, iets wat maar nét in een haiku past en toch aan de randen van de eeuwigheid raakt:

windje komt uit zee
strijkt laag door het helmgras
en valt daar in slaap

Kijk, dat gebeurt mij nou weer: wil ik iets duidelijk uitleggen, verdwaal ik toch weer. Vanmiddag moesten we maar eens op Veere aanfietsen en kijken of de Campveerse toren er nog staat. En de grote kerk. Nee, nergens om.

Één reactie op “Nergens om”

  1.  Avatar
    Anoniem

    om er te zijn

    Like

Plaats een reactie