Van wie is de grutto? Van ons natuurlijk! Dat is toch onze nationale vogel?! Dank je de koekoek. Dat kunnen ze in Senegal net zo goed zeggen want in die streken huist hij het andere halfjaar, als ze hier niet broeden. Of op IJsland, want daar broedt-ie ook. Eerdaags annexeert-ie Groenland en aan wat er dan staat te gebeuren durf ik vanmorgen niet eens te denken.
Je hoeft ook heus geen esoterische cursus onthechting te volgen om er achter te komen dat bezit de bron van veel ellende is. Waarom gaat het zo allerbelabberdst met de Kening fan ‘e Greide?
Nu niet tegenwerpen ‘slecht? Man, ze zijn dit weekend al gesignaleerd! Op het landje van Geijsel, een stuk of vijftig en er komen er nog veel meer! Dappere dodo’s in die kou. Nog even, en dan roepen ze hier weer boven de weilanden in het Waterland achter huis.’ Uit dat soort anekdotiek ontstaat geen wetenschap, vraag dat professor Piersma maar.
Ik zal nu helemaal maar niet over politiek beginnen, ik wil ook nog iets van mijn dag maken. Maar twee zaken zeuren aanhoudend. Onder mijn schedeldak relativeren mijn gedachten telkens de teloorgang van deze vogel: ‘ach, als je zaken in geologisch en evolutionair perspectief zet . . . de dino’s zijn toch ook uitgestorven en is de huidige vogel trouwens zelf geen dino?’ In mijn gemoed speelt iets anders: ik kan zo naar het roepen van de grutto verlangen. ‘Ach’, zegt mijn vrouw vanuit de keuken, ‘in de winter wil je de bosuil horen en als je dat dan is gelukt zwijmel je versjes over de merel. En nu weer de grutto. Daar bestaan cursussen voor hoor, Leren Leven Met Verlangen.’ En anders moet je maar eens bij D-reizen kijken.’ Keihard is ze.
Ja, ik verkeer in een staat van arren moede. Of is het in een staat van armoe? Of allebei tegelijk? Zelfs dat weet ik niet. Ik zoek een pleister voor mijn wonden, zelfs als die niet helpt:
De komst van de vogels
Dit voorjaar zijn de vogels weer te vroeg teruggekomen. Verheug je, verstand, ook het instinct kan zich vergissen. ’t Zit te suffen, ziet niets – en ze vallen in de sneeuw, komen ellendig aan hun einde, een einde niet te rijmen met de bouw van hun keel en hun volmaakte klauwen, hun degelijke kraakbeen en hun precieze huidplooien, het stroomgebied van het hart, de doolhof van de darmen, de nis van de ribben en de wervels in hun prachtige enfilade, de veren, die een zaal in het museum van het oerambacht verdienen, en de snavel met zijn monnikengeduld.
Dit is geen klaagzang, dit is alleen verontwaardiging omdat een engel, van authentiek eiwit gebouwd, een vlieger met klieren uit het Hooglied, één in de lucht, ontelbaar in de hand, weefsel voor weefsel als een klassiek drama verbonden tot een eenheid van plaats en tijd in het applaus van de vleugels – valt en naast een steen komt te liggen die op zijn archaïsche en onbehouwen manier het leven ziet als een reeks mislukte proeven.
Wisława Szymborska, Einde en begin. Gedichten 1957-1997 (1967)
Gistermorgen had ik de radio afgestemd op een vraaggesprek met Lieke Marsman. Ze mocht vertellen hoe het zat met haar pas verschenen boek, Op een andere planeet kunnen ze me redden. Dat boek gaat over de antwoorden die zij zoekt sinds er bij haar een ongeneeslijke kanker is gediagnosticeerd.
‘Op de radio’ kun je tegenwoordig ook bekijken. Dat voegt een dimensie toe, moeten ze bij de radio hebben gedacht. Hoe Lieke Marsman eruit ziet wist ik wel. Zelfs mét haar rechterarm en -schouder toen die er nog aan zaten. Zo’n intelligente, kritische, heldere vrouw, ‘een mooie jonge vrouw’, die ook nog begrijpelijke gedichten schrijft, die wilden ze er al vroeg in televisieprogramma’s wel bij hebben.
Ik zag de ogen van Lieke Marsman. Nee, niet erin, want ze zat niet tegenover mij, ze keek niet terug. Ik had wel vragen maar die kon ik niet stellen natuurlijk. Stomme vragen ook. En de techniek kent beperkingen. Ze vertelde niks wat in de afgelopen weken niet al in de kranten te lezen stond.
Maar die ogen. Die zien iets wat ze nog nooit hebben gezien. Het gaat haar zeer aan. Het is verontrustend maar niet per se zonder hoop. Ze twijfelt zelfs aan de twijfel of ze het op afstand wil houden.
In de inleiding op die essaybundel beschrijft ze hoe het woord ‘zin’ in de gesprekken met behandelaars opdook. Behandelaars bedoelden ‘zin’ in de zin van ‘heeft deze behandeling nog zin?’ De huidige stand der techniek, etc. Dat waagden ze te betwijfelen. Lieke Marsman bedoelde met ‘zin’ iets heel anders. En in haar ogen zag ik nog veel meer. Alleen Lieke Marsman kan in haar omstandigheden kijken als Lieke Marsman.
Toen zij nog Dichter des Vaderlands was (2021-2023) schreef zij het volgende gedicht. Ik zou het graag nog eens horen:
Ter gelegenheid van poëzie
Er was niemand jarig, er was niemand dood. Het gedicht zelf was de reden.
Als we zeggen: de mensen lezen geen poëzie meer, wat bedoelen we?
We bedoelen dat ze niet langer voelen. Allemaal cursussen om iets te worden,
maar niemand doorvoelt wat hij is. Aan het eind van een gedicht ben je niet langer verloren.
De stekels van schaamte trekken zich terug. Het leven is een leven lang zoeken naar metaforen
als het afstellen van een autoradio op een landweg: ruis van onbekende stemmen
in een lied dat vaag bekend voorkomt.
Dan een beller lang na middernacht: ik zou het lied graag nog eens horen.
Er is een theorie dat het leven absurd is. Je hoeft maar om je heen te kijken om te snappen dat dat een goeie theorie is. Ik geef een hint: onlangs tekende de cartoonmaakster Jip van den Toorn een personage dat vanaf het verzopen land van onze streken met een verrekijker naar de overkant van de oceaan stond te koekeloeren. Daar stond alles in de fik, behalve een fier in de wind wapperende Stars & Stripes. Commentaar: ‘Ik geloof dat ik onze eigen rechtse gekken opeens koddige lieverds begin te vinden.’ Say no more. Vreemde ontwikkelingen, inderdaad.
Gisterenavond vermaakten wij ons met Dimitri Verhulsts filmdebuut Waarom Wettelen? (2024). De ernst des levens behoeft ook wel eens wat frisse wind, zoiets. We verbeten trouwens ook wel een traan. Dit laatste vermeld ik nadrukkelijk om de oprechtheid te demonstreren van onze inspanningen af en toe contact te houden met wat er op het vlak van de Cultuur zoal geboden wordt. Over de plot wil ik niets meer verklappen dan dat ene Christine dood is en dat de overledene een onverwacht idee heeft over waar haar laatste rustplaats moet zijn. In Wettelen, zoek het maar eens op. Daar gaat de film dus over. Waarom in Wettelen? Enjoy!
Toen ik mijzelf nog serieus nam, en les gaf om mijn burgerbestaan te kunnen bekostigen, say no more, was één van mijn favoriete onderwerpen Waiting for Godot (Samuel Beckett, 1954). Plot: twee mannen wachten op Godot. En die komt niet.
Dat riep vragen op in de klas. Wie is die Godot? Wie zijn die mannen? Waarom komt – ie niet? Ik kan me de gezichten van al die leerlingen nog scherp voor de geest halen. Dat van één vooral, die zat altijd pontificaal op de achterste bank, alleen, want ze had veel tassen: ‘Waarom moeten wij naar die onzin kijken?’ Ik zal haar naam niet noemen. Ze is nu een gerespecteerd juriste.
Enfin, en ik dan aan het uitleggen want zulks was vastgelegd in mijn arbeidsovereenkomst. Nee, dat is niet aardig. Ik had er echt lol in, en dat mij die later verging had niks met die kinderen te maken.
De Tweede Wereldoorlog haalde ik erbij, kom daar maar eens omheen. Nu, daar hadden ze al wel eens van gehoord. Van Beckett niet, terwijl die later toch een Nobelprijs had gekregen. Het Existentialisme was nieuw. Ik toverde verhelderende schema’s op het bord. De mens wordt naakt in het naakte bestaan geworpen. Dat is onherbergzaam. Er is geen zin dus die moet de mens zelf maar verzinnen. Dat lukt niet zo goed. Daarover communiceren lukt ook niet. En dan weer terug.
‘Moeten we dat weten voor de toets?’ Niks was zo gemakkelijk om het Absurdisme uit leggen aan de hand van die ene vraag. Ach, die laatste twee uren op de vrijdagmiddag in lokaal C24.
Terwijl wij naar de beelden van Waarom Wettelen? keken, kwam dit allemaal boven borrelen. Ouderdom. Ik keek naar twee films. Of nee, drie. En dan zat ik ook nog samen met mijn vrouw te kijken, die mij ondervroeg over het vraagstuk hoe het kwam dat de pindarotsjes nou al op waren. Vier.
En ik keek naar de wolken boven de velden langs de wegen waar die stoet voorbijtrok, op weg naar Wettelen. Ik hoorde de wind in de blaadjes van de bomen die daar fier stonden te wuiven. Ik hoorde de vogels
‘Het schilderij Vriendschap van de Friese schilder Jopie Huisman gaat naar het gebouw van de OESO in Parijs.’ Dat mocht in de krant. Het kwám in de krant, anders zou ik ’t niet weten. Daar sloeg ik op aan. Zeven blafjes en een hondenfluitje:
Mijn moeder kende Jopie Huisman. Die zat een klas lager op de lagere school in Workum, waar zij honderd jaar geleden opgroeiden. Aap Noot Mies, hoepels en tollen. Ze herinnerde zich dat met enige levendigheid, toen Huisman naam begon te maken, een eigen museum kreeg en zijn schilderijen aardige prijzen deden. Als zij op hoge leeftijd daarover sprak had ik altijd grote moeite in haar stem te onderscheiden: trots, weemoed, deernis, wedijver, jaloezie, ontgoocheling, berusting
Fries? Welke andere taal? Iedereen sprak Fries, behalve mijn moeder die Hollands ging leren toen ze met haar ouders naar de Wieringermeer emigreerde. Voor Huisman was de verhuizing naar Herbaijum al een wereldreis. ‘Hoe kleiner de wereld, hoe groter mijn geluk,’ moet hij ergens gezegd hebben. Er is een biografie, misschien staat het daarin.
Dat Huisman goed kon tekenen wist hij al vanaf de lagere school. Dat vond-ie eerste gewoon, later een bijzondere gave, een geschenk. ’t Werd pas serieus toen hij aan de grond zat. Voor de kost dreef hij toen een handel in lompen en oud ijzer. Tussen Franeker en Harlingen kende iedereen hem, lopend achter de voddenkar, later met een autootje. De oude schoenen die hij opduikelde vertelden een verhaal: welk leven hoorde daarbij? Versleten kleding: welk leven werd daarin gesleten? Poppen: welk kind speelde daarmee?
Welke prijzen ‘een Huisman’ doet, weet ik niet. Maar ik vermoed dat die geringer zijn dan die van Henk Helmantel, die nu in het Jopie Huisman Museum exposeert. Die kan ook goed stoffen schilderen en daar betalen de mensen dan graag voor. Over wat er in het Rijksmuseum hangt zal ik ’t maar niet hebben, over Helmantel trouwens ook niet. Ga maar naar ’t museum. En het schilderij ‘Vriendschap’ blijft in Workum. Men stuurt een ‘giclee’. Hoe duur een giclee is weet ik niet. Vast minder duur.
Kan iedereen meteen zien waar het schilderij over gaat? Ja. Of toch niet? Huisman arrangeerde deze compositie en wat hij erin zag weet geen mens. Heeft-ie gedacht aan een Fryske famke dat zo met haar poppen speelde? Kende hij haar? Haar omstandigheden? Wat doen die fuiken op het doek? Over vriendschap is oeverloos geouwehoerd sinds Montaigne daarmee begon. Met vriendschap als filosofisch concept, bedoel ik. Huisman kon ook filosoferen. ‘Ouwehoeren,’ noemde hij dat liever. Vriendschap zelf is iets anders.
Het gaat niet om de vraag wat OESO is, maar om wat OESO doet. Dat ga ik vandaag uitzoeken.
OESO zetelt in een oud kasteel in Parijs, Chateau de la Muette. Zo’n naam geeft te denken. Maar daar komt het dus te hangen, nou ja, de giclee. Van Friesland naar Frankrijk. Sommige wegen zijn ondoorgrondelijk.
∞ ‘Het laatste hemd heeft geen zakken,’ zei mijn moeder vaak aan het einde van haar lange leven.
De zon wint al aan kracht. In het kraakheldere februari-licht probeerde ik de warmte op het balkon te vangen. Met een jas aan lukte dat, een half uurtje. Terwijl ik daar zo zat, mijn koffie gedronken, en mijn ogen alle bomen naar vogels afspeurden, hoorde ik vooral koolmezen. Af en toe zag ik ze ook, druk in de weer van parkrand naar dakterrassen vliegend. Nu al nesteldrang? Vogels kijken doe je met je oren, ik weet het, maar altijd zijn er dan weer gedachten die de ‘innige aanraking met de natuur’ verstieren.
Dat het roepen van een koolmees erg aan een fietspomp doet denken weet iedereen. Die beeldspraak is erg aardig. Maar hoe klonk een koolmees dan laten we zeggen vóór 1900? Mijn gedachten sprongen wild twee kanten op. De ene stroom denderde via Dunlop regelrecht het ravijn in van de zegeningen van de industriële revolutie – ik weet het, Jac. P. Thijsse propageerde de fiets al als hét burgervehikel om ‘natuursport’ te bedrijven, maar wat krijg je dan, en wat vindt de koolmees van de fatbike? – de andere stroom voerde mij naar de Metaforenfabriek van Douwe Draaisma. Die beschrijft hoe we in de loop der geschiedenis de werking van ons geheugen hebben begrepen, in beelden, van wastablet tot hardware. Of software, daar wil ik van af zijn want het is al weer een tijdje geleden dat ik ’t boek las. Beeldsprakerig maakte de titel mij ook zenuwachtig.
Ik probeerde te ontkomen aan de dwingelandij van mijn gedachten. En gewoon te genieten van de februarizon. Van welke ándere vogels kende ik nog een treffende vergelijking? De roerdomp, die was makkelijk: ‘als het blazen in een diepe fles’. Dit had ik zelf bedacht, ooit, nog vóór ik die beschrijving ergens tegenkwam. Maar: ‘als het uitrinkelen van een zilvermuntje op een tafelblad’? Was dat nou de groenling? Of de boomklever? Het werd me duidelijk dat ik er niet uit kwam. En een boomklever had hier ik al in tijden niet gezien of gehoord.
Een ander houvast in de wrede dwalingen van mijn geest waren dichtregels die de vogels wat minder precies uitdrukten, maar mijn ervaren beter rechtdeed. ‘Een bal vol vogelstemmen’, die de populieren elkaar dan toewierpen. Ik keek naar de populieren voor ons huis. Dit is het gedicht:
Februarizon
Weer gaat de wereld als een meisjeskamer open
het straatgebeuren zeilt uit witte verten aan
arbeiders bouwen met aluinen handen aan
een raamloos huis van trappen en piano’s.
De populieren werpen met een schoolse nijging
elkaar een bal vol vogelstemmen toe
en héél hoog schildert een onzichtbaar vliegtuig
helblauwe bloemen op helblauwe zijde.
De zon speelt aan mijn voeten als een ernstig kind.
Ik draag het donzen masker van
de eerste lentewind.
Paul Rodenko, Podium, 1950
Maar populieren kunnen niet gooien. En koolmezen zitten niet in een opgepompte voetbal. Tóch een mooi gedicht. En mooie koolmezen.
Mijn smak uit de betoverende kunsten kon moeilijker hardhandiger. ‘Laten we het over de echte natuur hebben’? Ik? Welke dan?
Zit ik mij daar nog etherisch te verwonderen over Mankes’ prachtschilderij Oude Geit en mij af te vragen of de wereld al ontvankelijk zou zijn voor een sensitieve bezinging van die geit – iets met titel ‘Geit Gods’, een lofdicht in elf strofen, waarin ik een subtiel verband zou suggereren met dat altaarstuk van Jan van Eyck, waarop dat schaap zo ogendwingend natuurlijk is afgebeeld, nee, een mak lammetje is het geenszins, en o ja, ook nog Madonna in de Kerk, omdat het licht daar net zo hemels nederdaalt als op Mankes’ picturale vereeuwiging van die geit achter zijn huis, die niet naar de slachtbank hoefde geleid, of op het altaar geofferd, en daar mocht verblijven, en stierf, gewoon van ouderdom, en de begaafde zoon van de alles opmerkende vader die met die levende have alleen uit goeiïgheidheid en tijdverdrijf was begonnen, wetende dat het gevoelige hart van zijn tuberculeuze zoon zou resoneren en dat zijn kunstzinnige hand het dier zou doen opstaan, en deze zoon schílderde het dier, 23 jaar oud, staande voor een eenvoudig Fries tuinhek, dat toch ook een poort is naar paradijselijke oorden, althans, een streek waar geen geween is, of knersing der tanden, zodat deze onaanzienlijke geit ons nu uit de oneindigheid aankijkt en óns hart raakt, ja óns, want wij waren met velen die zich daar voor dat schilderij opstelden, een menigte vormden wij, grijzend de meesten, sommigen al wit als het wit van die eenvoudigste geit aller geiten, niet al te best ter been, maar aangedaan, en geroerd, en gegrepen, en elkaar met gekromde vinger wijzend op de poort die men kon horen knarsen in de scharnieren, en die toegang gaf tot die Andere Poort, zie de eiken! en uit die menigte zou een beweging kunnen groeien, met eendrachtigheid, wat Goede Wil en Kapitaalkracht een Beweging, met een stem die anderen die de Oude Geit nog niet hadden aanschouwd zou bewegen, trillend eerst, maar allengs luider, en met grote stem en die zou donderen, Vooruit met de Geit! – komt me daar opeens het bericht binnenmekkeren
dat geit 11946, alsmede alle nummers die daaraan voorafgaan of die daarop volgen, tot aan een getal van om ende nabij de half miljoen, geitelijk verantwoordelijk gehouden moet worden voor het ziek worden der omwonenden in Brabant en in de Gelderse Vallei. Zulks ten gevolge van bacteriële besmetting. Zoönose. De RIVM heeft het eindelijk uitgeplozen. Getroffenen geraken aangetast in hun luchtwegen. De dood kan erop volgen. Dat is niet best.
Gisteren noemde ik Mankes’ zelfportret onbarmhartig ‘een brokkie linnen met verf’. Dat kwam natuurlijk van Nescio (1882-1961), uit Titaantjes dat in hetzelfde jaar werd gepubliceerd als toen Mankes met die drie bomenschilderijen bezig was. Op een zekere gelijkenis tussen schilder en schrijver wordt vaak gewezen, vooral door lieden die daarbij dan heel esoterisch kijken. Maar als je die twee vergelijkt . . . nu ja, dan vergelijk je verf met woorden.
Op zijn laatste ziekbed blijkt Mankes erg kritisch op zijn eigen werk: “’t spijt me, dat ik in den tijd, toen ik er de kracht nog toe had, de helft van mijn dingen niet heb kunnen vertrappen.’ schrijft hij in een brief uit 1919. Daarna mag er niets meer tentoongesteld worden van wat hij nog in bezit heeft, óók niet door zijn vrouw als hij er niet meer zal zijn. Hij overlijdt in de nacht van 23 april 1920.
Nescio portretteert de schilder Bavink in Titaantjes: “Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde?” Over wie er model stond is men nog niet uitgepraat. ’t Is overigens onbelangrijk, want Bavink is voor alles een literaire figuur. Nescio heeft ‘m goeddeels verzonnen en wie wil weten hoe hij daarmee geworsteld heeft leze de studies van Lieneke Frerichs. Omdat ik het hier over de kunsten heb voel ik mij vrij Bavink als contrapunt op te vatten. Contrapunt van al te antiburgerlijk gedrag (Japi), van al te grote stelligheden (Hoyer), van al te veel Literatuur (Bekker), van al te veel stoïcisme (Koekebakker). Een volledig mens kan dat allemaal in zich herbergen.
Contrapunt, want net als in de schilderkunst, en de muziek, gaat het in de literatuur immers om herhaling, contrast, omkering en spiegeling, ritme, toon en klankkleur. En om harmonie, samenklank. Om stilte. Dat wat niet gezegd kan worden, niet geschilderd, de stilte tussen de woorden, tussen twee noten. Dat wat weggelaten wordt.
Het laatste schilderij van Bavink betreft een gezicht op Rhenen. Hij komt Koekebakker ‘kalm’ vertellen dat hij het in grondstoffelijke stukken heeft gesneden: “64 gelijke, rechthoekige brokken van 15 bij 12 ½ centimeter hatti er van gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was ’t geweest.”
Helemaal aan het eind van het verhaal wordt Bavink gek. ‘Mal’ schrijft Nescio, wat iets anders is. Hij laat hem opnemen in een gesticht voor zenuwpatiënten, waar hij naar de zon zit te staren tot z’n ogen pijn doen. J.H.F. Grönloh zelf geraakte wel in een zenuwcrisis toen men hem liet weten dat er een kloof gaapte ‘tusschen hetgeen U wenscht te zeggen en hetgeen de Redactie in een tijdschrift als De Gids oirbaar acht.’ Het woord ‘God’ overal door ‘Zeus’ vervangen ging hem te ver. Maar laten we Koekebakker en de auteur weten te onderscheiden van meneer Nescio. En alledrie weer van Mankes. Het is de Heilige Viervuldigheid niet.
En die ordinaire hoedendoos waar Koekebakker volgens Bavink de zon dan maar in moet stoppen? (‘Ik wil met vrede gelaten worden. Doe’ m in een hoededoos, in een ordinaire hoededoos. Hij verdient niet beter.’ )
Het gaat gewoon niet aan dit verzonnen verhaalverloop, of andere verhalen van Nescio, te vergelijken met het meedogenloze, artistieke testament dat Mankes met de dood voor ogen aan zijn vrouw dicteert. Zijn laatste schilderij, Marmot in herfstbos, moest vernietigd worden. ‘Te materieel,’ vond Mankes.
Wie weet wat in de stilte, in de natuur, kan spreken, kent vermoedelijk ook het besef van ontoereikendheid als het erom gaat die mysterieuze grootsheid in verf, of taal, of muziek te vangen. Zeker, het gaat én bij Mankes, én bij Nescio om wat niet geschilderd of gezegd kan worden. Maar daarover zwijgen is het verstandigste wat men kan doen.
Jan Mankes (1889-1920) Zelfportret met uil (1911), voor en na de restauratie
Mankes zelfportret uit 1911 wordt gezien als zijn meesterwerk. Ter voorbereiding op de grote tentoonstelling in Arnhem en Belvédère is het onder handen genomen: de tijd was erin gaan zitten. Zou het Mankes bevallen?
Beviel het hem in 1911? Hij schilderde daarna nog méér zelfportretten, meer dan twintig tel ik in de oeuvrecatalogus. Was hij toch niet tevreden? Schilder de ziel der dingen maar eens. Schilder je eigen ziel maar eens. Wat je overhoudt is ‘een brokkie linnen met verf.’ En ook daar gaat de tijd in zitten.
Vaak wordt het portret uit 1911 in verband gebracht met wat Mankes in het Mauritshuis heeft zien hangen en wat hem bekoorde: de portretten van Hans Holbein. Ogenschijnlijk is de overeenkomst treffend, vooral die met dat portret van een 28-jarige edelman met een havik. Ook hij kijkt je frontaal aan. 1542 is het dan. Maar we hebben geen idee wie die man is. Ook niet wie Holbein in die edelman zag. En al helemaal niet wat Mankes daarin zag. Aanzien is betrekkelijk. Niets is bestendig.
Holbein portretteerde de halve entourage van Henry VIII. Dat was geen lieverdje. Edellieden hadden rekening te houden met diens luimen, Holbein met die van hem en hún luimen. Wat was zijn speelruimte voor een gelijkend portret? En wat is ‘goed gelijkend’? De status?
Alleen al het gegeven dat die lieden Holbein voor een portret konden ontbieden zegt iets over hun positie. Overlegde Holbein met de te portretteren hoveling over welke vogel het hem schikte vereeuwigd te worden? Of drukte die uitsluitend de plek in de adellijke pikorde uit?
Op dat andere portret in het Mauritshuis staat een edelman met een slechtvalk afgebeeld, het kan ook een giervalk zijn. Maar dat was dan ook de grootvalkenier Robert Cheeseman. Zijn naam kennen we nog wel omdat Holbein die gewoon op het paneel schilderde. Al geeft hij meer aanwijzingen die aangeven dat het een uiterst invloedrijk iemand betrof. Probeerde Holbein de psychologie van Cheeseman in diens precaire positie in verf te vangen? En, alweer, wat zag Mankes?
Mankes kiest voor zijn zelfportret voor een kerkuil. Dat is geen vogel voor de valkerij, zullen we maar zeggen. Die uil kijkt ons recht aan, net als hijzelf. De stoel suggereert huiselijke intimiteit. Je kunt je in je ziel geraakt voelen. Wat is dan die ziel?
Ooit, in een ander leven, schreef ik bij Holbein ’s portret van Cheeseman de volgende tekst, een prozagedicht. Een portret. Een zelfportret in taal misschien, al kan dat natuurlijk niet. Ik dacht het toen wel gezegd te hebben. Dat is mij nu niet meer zo duidelijk.
Hans Holbein (1497-1543) , Portret van Robert Cheeseman, 1533
De jager, de gejaagde
Zijn scherpe linkeroog ziet iets dat ons ontgaat. Hoe ver ook op de horizon, niets ontglipt zijn aandacht, ontkomt de vastheid van zijn blik. Er ligt een droefheid rond zijn gelaat, een geheime gevoeligheid die de misprijzende trek rond zijn mond vergeefs verbergt. Door geboorte veroordeeld tot het hof draagt hij de tekenen van zijn waardigheid, als raadsman en als rechter, maar onder zijn met bont afgezette mantel schittert wit zijn wijde boerenhemd, dat, hoe kostbaar ook, zijn eenvoudig hart verraadt.
Liever is hij buiten, in de velden, dwalend langs de bomenrijen die de akkers omzomen, langs de rivier die door de heuvelen van zijn streek de zee zoekt, in de wind die zijn wangen doet gloeien, eender van vanwaar die waait. Hij leest de weg der wolken, die nu eens hier, dan weer daar het landschap beurtelings omschaduwen of verlichten. Hij gaat door de seizoenen. Peregrinus, reiziger weet hij zich, en in de onbestendigheid van het leven, vaart hij op zijn vermogen zijn eigen bestendigheid te bewaren.
Zijn linkerarm is krachtig, en gewend zonder aarzeling macht uit te oefenen, maar ook vol ontzag voor de dodelijke greep van de valk die hij op de leren handschoen meevoert, ook als deze snelste aller vogels door een huif rustig wordt gehouden.
Zijn rechterhand is onbedekt, vlak bij de vlijmscherpe snavel die moeiteloos vanuit duizelingwekkende hoogte een duif uit de lucht slaat – de toppen van zijn vingers raken oneindig zacht de veertjes van de brede valkenborst
Jan Mankes (1889-1920) Woudsterweg bij Oranjewoud,1912
Het zou aardig zijn te weten waarom de inrichters van de overzichtstentoonstelling van Mankes’ werken in Belvédère ervoor kozen om Woudsterweg bij Oranjewoud (uit 1912) in de centrale zaal samen met Bomenrij (1915) en Avondschemering Woudsterweg (1915) op te hangen. Er klopt iets niet. Misschien was Maannacht bij Woudsterweg (ook uit 1915) op even gelukkige gronden te verdedigen. Nou ja, míjn geluk dan: die drie schilderijen uit de eerste twee maanden van het jaar 1915 op een rij. Bingo! Of is dat weer een ander spelletje?
Dat was zijn wereld, toen. Europa daverde op haar grondvesten. En Mankes zou die zomer trouwen met zijn geliefde. Liefde, oorlog en olieverf. Puimsteen. Met die bomenrijen liet hij zien hoe hij zich tot die wereld verhield. Wat ging er toen allemaal door Mankes heen?
In 1912 lag alles helemaal anders dan in 1915. Hij zou schilder zijn: ‘Ik wil zo lang een doekje koesterend bewerken en me er in denken, dat het een stukje ziel wordt.’ Zijn Zelfportret met kerkuil (1911) getuigt in alles van dat zelfbewustzijn.
Het schilderij Woudsterweg is zijn eerste grote ‘landschap’ van zijn omgeving. Van de bomenrij steken de eerste twee nogal hoog uit. Triomfantelijk, zeggen sommigen. Koddig, zeggen anderen. ‘Als een ereboog voor de weg die hij zou gaan,’ zou ik willen zeggen. Maar ja, achteraf is het mooi wonen.
Pas in de zomer van 1913 zou hij kennismaken Anna Zernike. Die was niet toevallig uit Amsterdam in De Knipe terecht gekomen. Die hoek van Friesland was geen verbanningsoord waar men ten einde godsdienstige raad dan maar een vrouw als predikant benoemde. Zij koos overtuigd én zij was een overtuigde keuze: de eerste predikante in het land. Vrijzinnig, ook nog. Twijfelen mocht. Behalve aan Domela Nieuwenhuis want die zagen de arbeiders daar als ‘ús ferlosser’. Om maar wat te noemen.
Ja ja, alweer, achteraf gluur je in de kont van de geit. Maar toch, er was veel niet orde in deze wereld. Of stuk.
Kijk, ongemerkt sla ik nu ik toch weer aan het redeneren. Straks eindig ik nog als Richard Roland Holst. Die had het al over de tegenstelling tussen het westers en het oosters denken en duwde Mankes zonder mankeren in het hok van het Taoisme. Omdat de westerse wereld Roland Holst niet beviel. Verrekte gelijkhebber. Mankes was toen al drie jaar dood en kon niks terugzeggen.
De zaak is dat ik Maannacht bij Woudsterweg gewoon mis. In m’n hoofd krijgen mijn gedachten mijn verhaaltje zo niet rond. ‘Die drie schilderijen,’ zou ik willen kunnen zeggen ‘vormen Mankes’ vergeestelijkte statement over een verscheurde wereld.’ En daar zou ik dan troost uit proberen te putten omdat ik zelf wanhopig een antwoord zoek op een wereld die mijn hart dagelijks verscheurt.
Het gemis is ook bijna lichamelijk. Toen ik nog lesgaf had ik een afbeelding van Maannacht in mijn lokaal hangen. Dat schilderij steunde mijn rug als ik iets moest vertellen over die oneindige ontroering die je kan overvallen als je helemaal stil bent, bij een gedichtje van Gorter bijvoorbeeld. ‘Ik wou het helemaal zeggen – maar ik kan het toch niet zeggen.’ Daar kletsten leerlingen dan gewoon doorheen.
Of deze:
De stille weg
de maannachtlichte weg –
de boomen
de zoo stil oudgeworden boomen –
het water
het zachtbespannen tevreeë water.
En daar achter in ’t ver de neergezonken hemel
met ’t sterrengefemel.
Jan Mankes (1889-1920), Maannacht bij Woudsterweg, 1915