Die eerste twee wenken waren niet zo moeilijk: die beschrijven gewoon wat Nederland niet is. Filosofen en theologen van alle eeuwen bedienen zich al van het trucje van de via negativa, dus een beetje flauw is het wel. Het agrarische vraagstuk heeft dat ook niet opgelost en we zitten nog steeds in de shit.
Wat Nederland dan wel is wordt een stuk ingewikkelder. Mensen die “Wij zijn Nederland!” roepen, doen keihard of zij het wel weten. Er zijn politieke partijen die dat dan geloven – of is het juist omgekeerd? – maar hoe weten ze dat allemaal zo zeker?
Roodkapje zong: “‘k Ben niet bang voor de wilde dieren, ‘k ben niet bang, ‘k ben niet bang. ‘k Ben niet bang voor de wilde dieren, ‘k ben niet bang.” Let op de herhaling. Sla ook acht op de behendigheid waarmee Roodkapje zich achter de boom verschuilt als het erop aan komt moed te laten zien.
Is dit niet een wat kinderlijke weerlegging van ronkende nationalistische op-de-borst-klopperij? Kom kom zeg, wie begon? Laten die lieden eerst maar eens wat geschiedenisboeken lezen over de VOC, bijvoorbeeld, en het geldelijk gewin dat de slavenhandel bracht. En daarna een begin maken met de cursus Ken uzelve. Daarna kunnen we praten.
De vraag is natuurlijk: welke studies dan? Politici wassen elkaar voortdurend de oren als het gaat om de stand van zaken in de natuur en het klimaat. Om over bestaanszekerheid, veiligheid, wonen en migratie nog maar even te zwijgen. Er lijken evenveel parallelle Nederlanden als politieke partijen te bestaan. Het politieke bedrijf verwordt dan tot de onthutsend primitieve belangen- en stammenstrijd waarvan we de afgelopen tijd getuige waren. Het algemeen belang werd in elk geval niet gediend.
Mijn derde wenk is daarom: bevraag partijen op hun zekerheden.
III. De waarheid over de werkelijkheid is een proces, geen product.
Nog acht dagen te gaan voordat we met het stempotlood mogen uitmaken wie dit lage land bij de zee mag gaan besturen. En hoe dat dan moet. Ik moet haasten.
De eerste wenk was kennelijk zonneklaar, daarom vandaag meteen door naar de tweede:
Ik had mij met dit blog voorgenomen over de natuur en deze wonderlijke planeet aarde te schrijven maar steeds wringt de mens zich daar met zijn dramatische eigenaardigheden tussen. Het gaat allerbelabberdst met deze planeet. Punt. Op het Nederlands, op het Europees en zelfs op het wereldtoneel plechtig afgesproken klimaatdoelen zullen deze eeuw niet gehaald worden. Punt. Maar telkens verschijnt er een handenwringende mens op de planken om de aandacht te trekken voor een of andere raar verhaal dat-ie dacht in een ander stuk te spelen, of in een ander theater, of met deze of gene kulsmoes waarom hij of zij z’n of d’r rol niet geleerd heeft. Uiteindelijk valt het doek vanzelf.
Nu had ik heus niet gedacht dat na drie weken uitlandigheid alles opgelost zou zijn, het stikstofprobleem in het bijzonder niet. De verhaalontwikkeling die de verantwoordelijke ministers evenwel de afgelopen vrijdag in scene hebben gezet had geen regisseur kunnen verzinnen. Dit was de claus: “Aan het einde van deze politieke voorstelling staan wij ons mannetje!” Herstel: “Aan het einde van deze politieke voorstelling staan wij in principe ons mannetje!” Herstel: “Aan het einde van deze politieke voorstelling staan wij in principe ons mannetje als we dan nog mee mogen doen met dit stuk!” Of zoiets. Aan het kostuum van een kabinet met zoveel verstelplekken zie je zomaar wat lapjes en draadjes over het hoofd. Maar van het stikstofslot is dit land niet.
Er resten nog negen dagen om helder te krijgen waar het in dit land om zou moeten gaan. Ik ga geen politiek programma schrijven en doe niet aan kiezersbeïnvloeding of dwingende adviezen. Maar wat aanwijzingen kunnen geen kwaad. Daar ga ik:
Dit land is van iedereen. Of van niemand (wat hetzelfde is).
(Oeps! En nou moet ik dat zeker nog gaan beargumenteren? Met een of ander zwaar filosofisch opgezet lulwerkje zeker, of theologisch, nog erger, of een of ander juridisch gezwam dat alleen juristen onder elkaar begrijpen? Kijk naar de zon en bedenk van wie die is. Kijk dan naar de aarde en bedenk wat daar van geworden zou zijn zonder zon. En stel dan nog eens die eigendommelijke vraag. Als je durft.)
Casa di Leda et il Cigno, Via de Vesuvio (V, 6), Pompeii
In het jaar 79 van onze jaartelling maakte een geweldige uitbarsting van de Vesuvius een einde aan alle leven in Pompeï. Het verhaal is bekend. Of eigenlijk niet, want nog regelmatig worden bij opgravingen opmerkelijke vondsten gedaan. Het verhaal moet dan herschreven.
Vorige week liepen wij er rond. ‘Ouwe stenen kijken,’ noemt mijn vrouw dat, als we in regio’s verblijven waar het verleden nog zo uit de grond steekt dat je er onwillekeurig over struikelt. Zij gaat het liefst alle open deuren in van openstaande kerken, dat zijn dus de katholieke, maar ik struin bij voorkeur door heidense verledens. Daar kunnen we allebei mee leven, ook samen. Nu wil het geval dat één zo’n ‘Stolperstein’ op mijn maag bleef liggen.
We waren afgedwaald van de menigten. Op de Via de Vesuvio was bijna niemand meer, in elk geval geen groepjes die zich lijdzaam lieten leiden door een van de talloze gidsen met maar al te ingestudeerde verhaaltjes. Inderdaad, in de verte kon je de Vesuvius zien liggen. De rook die mijn vrouw meende te zien was een wittig wolkje dat zich in het strakke blauw om de krater had heen gevouwen, bijna liefdevol. Terwijl ik dat tegen mijn vrouw opmerkte wierp ik een blik door een open venster. En zag precies het beeld van de foto hierboven.
Inzoomen leverde dit beeld op:
Leda en de zwaan
Een zo frisse fresco ontwaren temidden van al die ouwe stenen kwam als een schok. Dat het om een voorstelling ging van Leda en de Zwaan verwonderde mij. Ik bedoel, het verwonderde mij dat ik na een kleine tweeduizend jaar dat tafereel onmiddellijk dacht te herkennen. Maar de naschok moest nog komen.
In de museumshop had ik al een boek zien lonken: The buried city; unearthing the real Pompeii. De auteur hiervan, Gabriel Zuchtriegel, zei mij toen nog niets maar hij had wel degelijk een verhaal toen ik het in de dagen erna las. Zuchtriegel is de huidige directeur van het Archeologisch Park van Pompeï. Hoe hij dat als Duitser heeft kunnen worden is een spannend verhaal op zich waar iemand zich te gelegener tijd misschien nog maar eens in moet vastbijten. Ik hoop op een minder effect en geld belust onderzoeker dan Dan Brown.
Zuchtriegel besteedt ampel aandacht aan Leda en de zwaan. Allicht, want de ontdekking was in 2018 een enorme sensatie. Blote plaatjes! Hm, wat zou de kerk daarvan vinden? Een inzicht dat mij overrompelde was dat het verhaal van Leda en Zeus in het jaar 79 al hartstikkeme klassiek was, in elk geval al meer dan vijfhonderd jaar oud. Wat deed die voorstelling dan in die slaapkamer?
Naar het schijnt gaf de geschiedenis van Zeus die in de gedaante van een zwaan de zeer welgevormde koningin van Sparta bezwangerde al in de oudheid aanleiding tot wenkbrouwfronsen. Hoe zat een en ander dan biologisch? Helena, de mooiste vrouw ter wereld toch, zou uit een ei zijn gekropen als vrucht van die geslachtsvereniging? En de aanleiding gaan vormen voor de strijd om Troje? En dat geloofden die Pompeiiers?
Een tamelijk terloops gemaakte opmerking van Zuchtriegel in zijn beschrijving van andere erotische voorstellingen in Pompei maakt de vraag nog klemmender: wat geloofden die mensen nu echt? In het jaar 79 had de apostel Paulus al zendbrieven geschreven aan de eerste Christelijke gemeenten rond de Middellandse Zee. Die zouden later deel uitmaken van het Nieuwe Testament. Maar niet na eeuwen gedelibereer en een hoop ruzie en gedonder. Nog steeds is men er niet uit wat die Paulus nu precies heeft geschreven. Enfin, ik ben geen schriftgeleerde.
De verspreiding van het Christendom werd zeer bespoedigd door de vorming van het Romeinse Rijk, zoveel is wel duidelijk. Dat had te maken met de genadeloosheid van het Romeinse regime, maar ik ben ook al geen klassiek historicus.
In het jaar 79 was dat allemaal nog niet duidelijk, de inwoners van Pompeii toen niet en ons nu niet.
Als, als, als . . . Maar as is verbande turf en daarvan kregen die arme Pompeiiers op die oktoberdag in de eerste eeuw van onze jaartelling al veel te veel op hun hoofd.
Feit is dat we de Alpen weer over moeten om thuis te geraken. Sedert ik mij in hem begon te verdiepen moet ik bij die passage altijd aan Erasmus denken. Terugkomend van zijn lange reis naar Italië vermaakte hij zich met zijn invallen voor de Lof der Zotheid. Die zou hij in Engeland afmaken, bij zijn vriend Thomas More, aan wie hij de satire opdroeg. Had die hem door woordspelingen niet op het idee gebracht de zotte wereld eens vanuit het perspectief van de zotheid zelve lof te bezingen?
Erasmus reisde per paard. Zijn gestel verdroeg dat slecht. Ook moest zo’n dier regelmatig gewisseld worden en dat gaf gedonder. Was het niet de makheid van het paard dan was het wel de prijs. Van herberg naar pleisterplaats ging het, je moest maar zien hoe gastvrij dat allemaal was en wat de pot schafte, hoe (on)aangenaam de medegasten. Daarna per aak over de Rijn, per schip over de Noordzee. Hoe lang deed hij over die tweeduizend kilometer? Diezelfde afstand doen wij in twee dagen – maar waarom toch die haast? Festina lente.
In de auto mijmerend over Erasmus’ tocht over de onverharde wegen van vijfhonderd jaar geleden glijden wij door de landschappen waar wij samen al zo vaak doorheen gereisd hebben. Ach, Europa! Hoezeer zijn die landschappen in de loop der tijd veranderd? Nou, om te beginnen, Erasmus zal de Alpen besneeuwder hebben gezien, de gletsjers smelten nu als een gek. Zou hij in 1509 wel eens geschrokken zijn van het gehuil van wolven, daar in het duistere Zwarte Woud? Hoe vond Erasmus trouwens zijn weg?
Als het gaat om de idee van Europa wordt Erasmus nogal eens als modern aangehaald: ‘Heel de wereld is mijn vaderland’ staat er op de bibliotheek van Rotterdam. Daar is zo ongeveer alles van en over Erasmus te vinden.
Nee, kijk nog eens goed. Er staat ‘Heel de aarde is je vaderland’, wat toch weer iets anders is. “Quaevis terra patria,” noteerde Erasmus zelf in zijn verzameling Adagia waaraan hij zijn leven lang sleutelde. Hoe zou hij dat toen bedoeld hebben? De godsdiensttwisten van de 16e eeuw dwongen Erasmus domicilie te kiezen waar een drukker zijn boeken nog vrijelijk durfde uit te geven. Dat werd dus Bazel, bij Johann Froben.
Hoeveel manieren zijn er om Europa te doorkruisen? Je kunt ook bij de Grieken beginnen, die tenslotte als eersten in dit werelddeel koloniën stichtten, Magna Graecia. Of nog eerder. Of later, die Romeinen. En waar ons dat allemaal gebracht heeft. Of niet.
Als we het herfstachtige Zwitserland heelhuids door zijn gekomen, en volop genieten van de najaarskleuren, overwegen we nog even die stadswandeling in Bazel te maken langs alle plekken die met Erasmus te maken hebben. We doen het niet. In vijfhonderd jaar is veel veranderd. We moeten niet alleen naar huis maar ook nog naar deze tijd. En hoe er in ónze tijd over Europa gedacht wordt is urgenter dan hoe Erasmus daarover dacht.
De figuur Lucky (what’s in a name?) heeft in Waiting for Godot slechts één claus maar die is dan ook memorabel, wat je er ook van vindt. Een voor de hand liggende observatie is dat hij raaskalt. Je hoeft hem dus niet serieus te nemen, zoals trouwens alles wat in deze tragy-comedy in two acts gebeurt volstrekt zinloos is: absurde rituelen om de tijd te doden in een bestaan dat in zichzelf geen betekenis heeft. Zelfs eruit stappen is zinloos. Als Beckett in dit stuk ons de menselijke staat toont dan is dat een onbarmhartige.
Binnen de illusie van het toneelstuk is Lucky de knecht of slaaf van Pozzo, zijn heer. Het draait in Waiting for Godot dus onder andere om machtsverhoudingen. Daar weten marxistische, antiracistische, feministische en andere wereld verbeterende interpretatoren wel raad mee.
Close-reading van het taalmateriaal levert op dat er wel degelijk systeem in deze woordenbrij te ontdekken valt. Lucky begint ergens bij een ondefinieerbare God, daalt af via allerlei zinloze menselijke bezigheden om te eindigen bij stenen. Een grafsteen? Voor filosofen en theologen is dat een Fundgrube om hun eigen ideeën te demonstreren. Een psycholoog zal wijzen op de beperktheid van onze rationele vermogens en een boeddhist kan hem bijvallen: het denken zèlf leidt niet tot verlichting.
De ‘doeners’ van deze wereld, die ongelukkigerwijs ook onze portemonnee beheren, zullen beargumenteren dat dit allemaal geen ‘nut’ heeft: het stuk niet, de zo geroemde speech van Lucky niet, de 2.640.000 interpretaties niet. Waarom betalen voor een hoop onzin die een chimpansee achter de tekstverwerker, of nog beter een intelligent algoritme, ook kan produceren? Die investeren liever in Disneyland of de kolonisatie van Mars: dat levert tenminste harde centjes op.
De menselijke neiging naar zingeving is een onuitputtelijke bron van vermaak. Of is het toch verdriet? Dat hangt van je standpunt af en ik weet nooit goed waar te gaan staan. En het leven zelf is weer iets anders. Met een leeg hart is alles dwaas.
Ik ken geen indringender toneelstuk dan Waiting for Godot. Beckett gaat tot het bot. Tot het merg. Hem wordt, overigens net als het Zenboeddhisme, niet zelden nihilisme, zelfs harteloosheid aangewreven. Zeer ten onrechte. Zie bijvoorbeeld deze opmerkelijke scene met het jasje, namelijk in Act Two.
[ESTRAGON sleeps. VLADIMIR gets up softly, takes off his coat and lays it across ESTRAGON’S shoulders, then starts walking up and down, swinging his arms to keep himself warm. ESTRAGON wakes with a start, jumps up, casts about wildly. VLADIMIR runs to him, puts his arms round him] There. . . there . . . Didi is there . . . don’t be afraid . . .
Ons laatste onderkomen in Italië droeg de deftige naam ‘Antico Borgo del Pozzo’. We hadden nog een kleine week. Op die naam had mijn vrouw het adres niet uitgekozen. Ook dat het gelegen was aan de via San Arcangelo, de weg van de heilige aartsengel, had niet meegespeeld, bezwoer ze, al erkent ze een latente gevoeligheid voor spirituele aangelegenheden. Iets uit haar jeugd. Maar kom op zeg, in de toeristennegotie wordt wel meer beloofd waarbij zelfs het ijle gezang der engelen verbleekt. Kwaliteit en prijs, ligging, uitzicht, daar kwam het op aan. Dit was althans in de buurt van Pompeï, zonder de overlast van toeristenstromen. De naam ‘Pozzo’ zei haar niets. ‘Oud dorp van de put’? Welke put dan?
Misschien was die er die ooit voor de dorpelingen geweest op de plek van het fonteintje, aan het begin van het steile paadje waarlangs we onze bagage omhoog moesten zien te krijgen. Vóór dat fonteintje konden we vrij parkeren, had de eigenaar ons verzekerd – contact verliep uitsluitend via whatsapp. Over dat parkeren dacht de Polizia Locale di Tramonti heel anders. En de eigenaar had het ook al mis als het ging om wifi-ontvangst. Dat we de sleutel van de accommodatie onder een verkeerde bloempot zochten valt hem evenwel niet aan te rekenen. Niet erg, tenminste.
Hoe toevallig kon dit alles zijn? vroeg ik mij af. Sinds de ontmoeting met de Ombra della Serra in het Etruskisch museum in Volterra dwaalden mijn gedachten via Giacometti ’s variaties daarop steeds af naar Beckett ’s Waiting for Godot. Naar de boom die Giacometti voor een voorstelling in 1961 ontwierp: die moest dun zijn, wisten beiden. Vladimir en Estragon zijn ook dun, in alle opzichten. Nóg dunner zou die boom zijn. “We hebben de hele nacht geëxperimenteerd met die gipsen boom, hem groter, kleiner, dunner gemaakt. Het leek ons nooit goed. En we zeiden allebei tegen elkaar: misschien.” Een schaduw van de herfst moest het worden, een schim van de winter.
Vermoedelijk zocht mijn brein houvast. Alles wervelt in deze wereld, alles van waarde wordt omgekeerd. Leugenachtigheid, brute kracht, stompzinnige hebzucht, roekeloze onverschilligheid, lompe verwatenheid regeert. Zelfs in dit bijkans schaamteloos fascistische Italië probeer ik het antwoord op de vraag te omzeilen uit welk land ik kom.
Denken aan het absurdisme van Waiting for Godot geeft dat denken gek genoeg een rustpunt. De opgeblazen figuur van Pozzo is een verademing vergeleken bij de Wildersen en Trumpen in deze wereld. De figuur van Pozzo is ronduit onuitstaanbaar, maar wel een van het theater. The Theatre of the Absurd, zegt u dat wel.
In het tweede bedrijf blijkt Pozzo opeens blind. Lekker net goed! gniffel ik soms met kinderlijk plezier. Maar Beckett biedt geen hoop, ook daarvan ontmaskert hij de valsheid even genadeloos als een Zenleraar. Het tragische van het stuk is er onder anderen in gelegen dat Lucky tegelijkertijd stom is geworden. Bij Beckett overwint het goede het kwade niet. Je moet het er maar mee doen. Wat doe je als niets meer werkt? Dat is een zen-achtige paradox waar je je leven meer toe kan.
Daarheen gingen mijn gedachten allemaal op die berg bij Tramonti, in het oude dorp van de put. Die koan opgelost heb ik niet. Maar gek genoeg lukte het mij wel steeds vrijmoediger aan het Italiaanse verkeer deel te nemen. Daarvan blijkt de basisregel verrassend eenvoudig: wie er het eerst is heeft voorrang. Een dynamiek dat dat geeft! Het lijkt de politiek wel.
Foto: votiefbeeld (3e eeuw v. Chr.), 57,5 cm, Velathri / Volterra
Toen we Volterra verlieten ging de zon onder boven de Toscaanse heuvels. Die lagen op vreemde wijs in de vlakte, als een kleurig patchwork. De zee kon je net niet zien: gele en oranje tinten vervloeiden naar de heiige einder.
De oude Etruskische stad Velathri intrigeert om veel redenen. Waarom die Velathri heette bijvoorbeeld en wat dat dan betekende. Het Etruskisch is géén Indo-Europese taal, maar daarmee houdt onze kennis zo ongeveer op; de Romeinen noemden de hooggelegen plek Volterra. Wat de plaats van de Etrusken in de geschiedenis is, blijft nog in veel opzichten onopgehelderd. De Grieken en de Romeinen hebben vermoedelijk veel meer van de Etrusken overgenomen dan andersom. En veel meer dan ze hebben willen toegeven. De geschiedenis is onvoorspelbaar.
Het Etruskisch Museum Guarnacci is een schatkamer van die cultuur van zo’n tweeëneenhalf duizend jaar geleden. Het museum staat afgeladen vol met vondsten uit de omgeving. Maar de meeste indruk maakte het votiefbeeldje, dat met z’n iets meer dan een halve meter in z’n eentje een hele zaal mocht vullen. En dún dat dat beeldje is, amper een centimeter, van welke kant je het ook bekijkt. En naakt. Bloter zag ik nooit een votiefbeeld. Zijn pik is prominent, de achterzijde toont de bevalligste billen boven benen als die van antilopen. Zoals antilopen de zwaartekracht uitdagen.
De overlevering wil dat de veelgeprezen dichter en schrijver Gabrielle D’Annunzio (1863-1938) dit beeldje de naam Ombra della serra (schaduw van de avond) gaf. Maar over D’Annunzio wordt wel meer beweerd en dat is lang niet allemaal even fraai. Wat beslist klopt, is dat de schaduwen langer worden als de zon laag staat. Dit konden we zelf weer vaststellen toen we Volterra in oostelijke richting verlieten. Maar een verklaring voor het wonder van dat beeldje gaf dat niet. Een offer? Aan wie of wat dan? Een belofte? Wat voor belofte dan en aan wie beloofd? Wás het wel een votiefbeeld? Hoe dachten de Etrusken daar zelf over? Er is ook een vrouwelijk pendant, even naakt. Er zijn meer van dergelijke beeldjes gevonden maar wat ze betekenden weten we niet, al beweren we van wel.
Er wordt ook wel gezegd dat de beeldhouwer Alberto Giacometti (1901-1966) zijn lange, dungerekte mensenbeelden eind jaren veertig nooit had kunnen maken als hij de Ombra della serra niet had gezien.
Alberto Giacometti, Lopende man, 1960
Dat kan wel zijn, maar wat zag hij dan ? Wie zag hij als hij zichzelf zag?
Begin jaren vijftig maakte hij een hond. Een heel erg dunne hond. Met díe hond identificeerde hij zich sterk, vertrouwde hij Samuel Beckett toe met wie hij in die jaren nachtelijk Parijs doorzwierf. Die hond draagt het gewicht van het hele universum op zijn schouders, op zijn veel te dunne poten.
Alberto Giacometti, Chien (1951/1957)
Bij de beelden van Giacometti kun je je nog wel iets voorstellen, temeer omdat hij er zich wel eens over uit heeft gelaten. Bij Ombra della serra kan dat niet. Het weinige dat de Etrusken op schrift hebben gesteld gaat niet dáár over.
Oostelijk rijdend gingen we de maan tegemoet. Die stond vol en rond pal tegenover de ondergaande zon. De hele hemel kleurde pastel. Voor ons strekte onze schaduw zich uit die de zon wierp. Achter ons de schaduw die de maan van ons maakte. Alles was zeer vreemd.
Voorbij zijn de zomerdagen, er zijn vreemde dingen gaande en wee hem die vraagt waarom.
_____
Opm.
de echte lammeren, allicht, en al het andere slachtvee, de miljoenen en miljoenen kalveren, koeien, biggen, varkens, kippen, maar ook, en meer, de kinderen van Gaza, hun moeders, hun vaders, hun broers, hun zussen, de kinderen van de Westbank die het ook niet begrijpen, de soldaten aan het front in Oekraïne, hun geliefden, hun kinderen, niet alleen de Oekraïense maar ook die uit Jakoetië, Boerjatië en al die andere plekken waar jonge kerels misleid worden met valse beloften, de vluchtelingen uit Afrikaanse landen die geen hoop meer hadden, de inwoners van al die landen waar een mensenleven niet telt, de mensen die dom gehouden worden, en bang, en die hun leven moeten vrezen als ze eens een menselijk verlangen uiten, de geknechte, de onderdrukte, de geronselde, de uitgebuite, de bespotte, de geminachte, de vermorzelde, de murw gebeukte, de weerloze, de
Om mijn warhoofd tot rust te brengen was ik gaan fietsen. Er gebeurt tenslotte van alles in de wereld en een burenruzie is het niet. Hoe mij daartoe te verhouden?
Overal is de herfst al gaande. Ik hoopte mijn boosheid over de wereld eruit te trappen, ik hoopte dat al mijn wraakzucht mij zou verlaten, mij los zou laten zoals de boom zijn blaadjes los moet laten.
“Tuig!” drukte mijn gemoed te netjes uit. Zelfs als keurige politici er ‘van de richel’ achter persen krijgt mijn boosheid geen lucht. Dat zeggen sommigen ook van de journalisten die de wandaden van de demonstratie afgelopen zaterdag poogden te verslaan. Je moet zo uitkijken met taal tegenwoordig, voor je het weet kwets je een hele bevolkingsgroep. ‘Onderkruipsels!’ dan maar, ‘Uitschot! Satansgebroed!’ Zo tierde ik door, almaar verwoeder trappend. Het hele Groot Scheldwoordenboek werkte ik af en nochtans bekoelde ik niet. De blaadjes bleven vallen.
In het volgende bos bedacht ik straffen. Dat zou ze leren! Het hele repertoire van moderne en antieke martelmethoden dacht ik in te zetten. Uit de krant doe je genoeg ideeën op. Maar toen viel mij in dat er in dit land een cellentekort is. ‘Hersencellentekort zullen ze bedoelen!’ corrigeerde mijn rechterbrein. En mijn woede kreeg een nieuwe impuls. De blaadjes bleven vallen toen ik in buitenlandse talen mijn scheldlust de vrije loop liet. ‘Scum! Rapaille! Wildschweinhunde!’
Nog geenszins afgemat kwam ik in het derde bos. Ik laat ze zelf nieuwe cellen bouwen! Met die blote handen waarmee ze zich vergrepen hebben aan onze dienders! Eigen cellen eerst! Ik zag de producten van mijn wraakzuchtige verbeelding voor mij. Ik bedacht de grootte hunner kooien en paste die aan op de toekomstige lengte van hun verblijf, die gelet op de ernst van hun vergrijp of misdaad zouden variëren, alles nog net in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Daar waren algoritmes voor op te stellen. En ik zag de blaadjes vallen.
Enzoverder enzovoorts. Na een bos of zeven geraakte ik toch weer thuis. ‘En?’ vroeg mijn vrouw, ‘waar ben je geweest?’ ‘Ga maar kijken op de Utrechtse Heuvelrug,’ hijgde ik uit, ‘en volg het spoor van vernielingen. Daar ben ik geweest.’
Mijn vrouw keek mij in de ogen. ‘Zo,’ zei ze, ‘je bent het nog niet kwijt hè?’
En na een tijdje: ‘Hang die blaadjes dan nu maar weer terug.’