Ach oude man die na het avondeten in zijn knutselschuurtje vogels mompelt. Vogels mompelt hij hoe ging dat ook alweer.
Intussen verft hij veren, knipt hij snavels, snuffelt tussen poten in het potenmagazijn. Er worden botten uitgeboord en bloeds- omlopen doorgeblazen, spieren opgerekt en darmkanalen ingekort, hersen- pannetjes tot aan de rand gevuld – de oude man vergeet de tijd. En daar verschijnen uit zijn adem kruimeldiefjes, dakgootzangers boombekrassers, nachtomroepers garnalenvangers, kloosterbroeders blauwe krijgers, ja eigenlijk te veel om waar te zijn. Dan richt de klok zich op om twaalf te slaan, het einde van de vijfde dag.
Poëzie is het spel van de verbeelding. In een gedicht kunnen dingen gebeuren waar je in de werkelijkheid van zou staan kijken. Poëzie verkent mogelijkheden. Zij bewijst niks, argumenteert niet, presenteert een mogelijke wereld waarin wetten gelden die alleen het gedicht aan gaan. Daarom gaat poëzie aan de wetenschap, de filosofie en de theologie vooraf.
Om leerlingen gevoelig te maken voor verbeeldingskracht had ik in mijn lokaal posters hangen als die hierboven. Vanochtend vatte ik plan op even de kwestie van de vrije wil op te lossen. Ik moest denken aan het gedichtje op zo’n poster, waarin een steen trots verkondigde ‘kijk!’ ik kan vliegen! nadat hij door de dichter in de lucht is geworpen. Die betreffende poster en dat betreffende gedicht kan ik nergens meer vinden – er raakt zoveel verdwaald in dit leven. Ik vond wel een ander, net zo goed. Kijk, dacht ik, dat is geluk.
Dat ik juist dat ene gedicht nog eens wilde lezen kwam door de scherpe herinnering die het opriep aan een bijzonder lesmoment. In een klas zitten altijd leerlingen die poëzie maar gek vinden. Moet je er altijd zoveel achter zoeken? Wat bedoelt de dichter nou? Laat -ie dat dan gewoon zeggen! Dat zijn geen bijster intelligente vragen maar die horen wel bij de les. Zulke leerlingen moeten nog helemaal leren hun eigen gevoelens en gedachten te onderzoeken. Op die leeftijd is stille aandacht voor de binnenwereld maar vreemd. Ik vrees voor sommigen op latere leeftijd ook.
Olivier keek mij glazig aan. ‘Wat een onzin!’ Ik verdacht hem ervan bij de vakken Bedrijfskunde en Economie wel te floreren. Ook goed, vond ik, maar ook economen kunnen niet zonder verbeeldingskracht. ‘Olivier,’ herinner ik mij ernstig tegen hem gezegd te hebben, ‘jíj bent die steen en jij bent net als die steen in het bestaan geworpen. Vraag je nu eens af waar jij terecht komt. En hoe dat dan zo zou komen.’
Denkelijk werkt hij nu op een makelaarskantoor. Of anders op de Zuidas. Nu ben ik in het geheel geen aanhanger van het determinisme en ook vind ik dat makelaar een eerzaam beroep kan zijn. Maar ik vraag mij nu stilletjes af of hij nog wel eens aan dat lesmoment terugdenkt. Zoals ik nu even aan hem denk. Er gebeurde in dat lesmoment iets wezenlijks. Ja, ik verbeeld mij heel wat.
Op de radio hoorde ik gisterochtend Govert Schilling nog eens uitleggen hoe je veilig naar de op handen zijnde gedeeltelijke zonsverduistering kon kijken. Met een eclipsbril natuurlijk! Daar zal dan wel weer handel in zitten maar ik heb niet zo’n ding. Met een fotonegatief kan het ook, wist ik, maar waar waren die gebleven? Bij de laatste suggestie veerde ik op: het kon ook met een vergiet. Schilling legde de presentatoren enthousiast uit hoe dat kon maar ik zocht al in het keukenkastje. Dat ik dat vergeten was. Ik weet niet wat mij nu het meest verbaast: dat de voorspelling op milliseconden nauwkeurig klopte dat het spektakel van zon en maan om exact 13.04 uur afgelopen zou zijn of dat ik de truc met het vergiet helemaal vergeten was.
Het eerste boezemt mij ontzag in voor de natuurkunde: wat een knappe koppen! Maar tegelijk ook wel een beetje vrees: wat hebben wij in vredesnaam op Mars te zoeken als de mensheid er hier op aarde nog zo’n zootje van maakt?
Die kwestie valt in het niet bij die andere. Hoe kon ik dat vergiet vergeten zijn? Er schoot mij een gedicht te binnen dat ik ooit eens maakte. In de stofmap NOG NAAR KIJKEN vond ik het:
S t e r r e n h e m e l
De nacht is diep – ik ben erin
onder een zelfde zoldering
als ooit als kind beluister
ik het zoeken van de wind
‘Die sterren, mam, de hemel daar:
hangt daar dan soms een groot vergiet
waardoor Gods licht heen schijnt?’
‘Vraag dat maar aan je vader, kind.’
Ik zocht waarom mijn god waarheen
ging ik. De kern van alles zocht ik.
Nu weet ik weer wat ik al wist
Er is een wonderlijk vergiet.
En soms bestaat ook dat zelfs niet.
’t Zal in de winter geweest zijn en ik nog geen vier. Nog vóór 1960 dus, ik schrik ervan als ik dit jaartal opschrijf. Ik liep naast mijn moeder. Hield zij mijn hand vast? De wandeling voerde naar opa die aan de andere kant van dorp woonde, het waarom weet ik niet meer. Het gebeurde op de hoek bij de Maaier; het dorp was helemaal donker. Straatverlichting was toen nog spaarzaam. De straat was stil. Ik keek omhoog. Die sterrenhemel. Die fonkeling, hoe dat kon. Waar dat licht van vandaan kwam. De onbevattelijke uitgestrektheid van het heelal. Mijn ontzag. Mijn verbijstering.
Mijn verwondering nu. Voor mijn kinderlijke uitleg van wat ik toen zag en onderging hoef ik mij niet te schamen. In Het mysterie van de tijd (2018) van de natuurkundige Carlo Rovelli worden meer absurditeiten besproken, die het alledaags verstand tarten. De tijd is geen rechte lijn, met het verleden ‘achter’ ons en de toekomst ‘voor’ ons. Zelfs het ‘nu’ is een illusie. Ik kocht het indertijd omdat de pers Rovelli zo roemde om zijn poëtische kwaliteiten. Nu, dát meende ik wel te begrijpen maar voor de theoretische natuurkunde moet ik het boek toch nog maar eens lezen.
Wonderlijk genoeg zijn Schilling, Rovelli en ik in hetzelfde jaar geboren. Wat een overeenkomst, wat een verschillen! Mijn grootvader is al lang dood en begraven, mijn moeder inmiddels ook al een tijdje. Of ook ik sterfelijk ben moet nog bewezen worden. Over ‘God’ valt helemaal niks te zeggen – dat is gewoon een handig woordje als je ’t niet weet.
Ik kijk naar de ouderdomsvlekjes die op mijn handen lijken te verschijnen. Waarom vond ik op middelbare leeftijd de gebeurtenis bijzonder genoeg om in een gedichtje te prutsen? Waar is het kind dat ik ooit was? Hoe kan ik mij dit nog zo scherp herinneren? Wat is toch dit bewustzijn dat zich deze vragen stelt?
Canadese populieren, Baanakkerspark, in 1967 geplant toen ons huis werd opgeleverd
Om mijn oud woonhuis peppels staan
Om mijn oud woonhuis peppels staan
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.
Het regent, het regent eender te hooren
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.
Het huis is hol en vol duisternis
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.
Er woont er een voorovergebogen
‘mijn lief, mijn lief o waar gebleven’
met leege oogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.
J. H. Leopold, Verzen (1897)
_____
Mijn natuurlijke neiging tot melancholie laat zich maar moeilijk onderdrukken, dat zie ik vanmorgen weer helder in. Deze week liet de gemeente Amsterdam weten de populieren voor ons huis te zullen kappen. Ze vormen een gevaar voor passanten. Over dit besluit moet niet lichtvaardig worden gedacht. Er zijn procedures. Er is wetgeving. Er is een gemeentelijk bomenbeleid en een kapbeleid. Alle bomen van deze grootstad hebben een individueel nummer en een heel bataljon aan ambtenaren monitort de staat daarvan. Ik heb wel eens zo iemand met een meetlint rond de bomen zien scharrelen. Wat hij mat werd ter plekke op een tablet ingevoerd en ik vermoed dat iemand ten burele van het gemeentelijke houthakkersteam die data subiet analyseerde. ‘Bomen 1007341, 1007342 en 1007343 vormen een gevaar voor passanten. Kapvergunning aanvragen.’ En wat doe ik? Ik zoek een versje van Leopold.
Ik herinner mij de keer dat ik het gedicht van Leopold voor het eerst las. Ik studeerde toen al in Groningen en Om mijn oud woonhuis riep ogenblikkelijk mijn nog vroegere jeugd in de Wieringermeer op. In Groningen staan ook veel populieren. Langs het van Starkenborghkanaal bijvoorbeeld waar ik toen woonde en waarlangs ik iedere dag wel even fietste om het geleerde te laten inzinken. Maar juist dat gedichtje deed mij aan de bomen van thuis denken. ’t Moet heimwee geweest zijn, maar dat kón niet. Dat mócht niet, ik was toch al een grote jongen?
Toen ik erover nadacht probeerde ik het zakelijk te houden. Die Wieringermeer was vol gezet met populieren omdat die lekker snel groeien en de wind op de vlakte zo goed breken. Daarom stonden er zo veel. Echte polderjongens zijn het, met poten in de klei. En wat kun je van het hout wel allemaal niet maken? Klompen. Lucifers. Sinaasappelkistjes. Geen boeren- maar industrieel geriefhout. En je kunt er ook nog de Mona Lisa op schilderen. Maar heimwee?
Ja, het geluid van populieren hoort bij mijn vroege jeugd. En de overvloedige bladerval in het najaar, de geuren van de herfst. Waarom was dat in Groningen anders? Hier kwam iets anders bij want naar de Wieringermeer verlangde ik niet. ‘Woonhuis’ met peppels eromheen gebogen is geen gewoon huis.
Toen wij de sleutel kregen van het huis waar wij nu in wonen, en wij er voor het eerst als eigenaar in rondliepen, en rondkeken, en schrokken van wat er allemaal moest gebeuren om het ons huis te maken, díe muur gaat er dus uit, en die ook, en als we nou-es die schuifpui een meter naar binnen . . . en toen de omvang van alle nog te verrichten arbeid in volle hevigheid op ons neerdaalde, tezamen met geestdrift en vertwijfeling, toen deed ik de balkondeur open die een schuifpui moest worden en toen hoorde ik het geruis van de populieren. Populierenruis. En ik wist dat het een goed huis was. Dat het althans goed zou komen.
En het kwam goed. Ik leerde kraaien kennen die hier toen ook al druk met hun nesten in de weer waren en net als toen zullen de jongen pas uit het ei kruipen als het bladerdek zich helemaal gesloten heeft. Ze kennen en herkennen mij. En de kauwtjes, die op ongeregelde tijden even voorbij komen zwermen. De specht, die iedere ochtend wel even langs komt kloppen. De duiven. Het boomkruipertje dat ik dit jaar nog niet gezien heb. Die andere zangvogeltjes die ik wel hoor maar zelden zie.
Nu zullen die populieren dus gekapt worden. Alles kan ik verdragen, zelfs de ambtelijke prietpraat, zelfs mijn eigen sentimenteel gezanik. Maar hoe vertel ik de kraaien dat ze hun nest maar beter elders kunnen bouwen?
De Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) koos dit jaar voor het thema Je moerstaal. Nu is taal zeg maar echt mijn ding, om het in het Paulien Cornelisses te zeggen, dus ik aan het zoeken naar excuses om naar de boekhandel te mogen gaan om dat essay te bemachtigen dat Cornelisse in het kader van de Boekenweek schreef: hè hè; over wat we zeggen zonder dat we het doorhebben. Ik had het in een uurtje uit. Dit is geen kwalitatieve beoordeling want het essay is rijk aan hilarische maar vooral liefdevolle observaties van alledaags taalgebruik. De kern: met woordjes als hè hè vertellen we veel meer over onszelf dan in de boodschap waarin we die woordjes frommelen, zonder daar erg in te hebben.
Hoe misleidend taal kan zijn moet inmiddels toch wel iedereen zijn gaan dagen die zich eens ernstig afvroeg wat ‘Hoop’ nu precies betekent in de drieslag Hoop, Lef en Trots. De verantwoordelijk politici zullen er inmiddels ook wel achter zijn: dat is niet veel meer dan op een hoop gegooide mooie beloften van eigenbelangetjes. Het huidige rollebollen om besluiteloosheid te maskeren is daar een regelrecht gevolg van. Een volgende keer over de woordjes lef en trots.
Ik heb mij plechtig voorgenomen niet als misantroop door dit leven te gaan dus ik zal ook de CPNB maar niet fileren op het ‘catchy’ thema ‘Je moerstaal’. Allicht moet de kachel roken. Nou, ik heb gisteren in de boekhandel mijn best wel weer gedaan. Boeken zijn zeg maar echt mijn ding. En met de verrassende invallen van Paulien Cornelisse kan ik weer jaren vooruit, vooral met haar houding van je laten verrassen. Wat zit er ónder taal?
Wat mensen beweegt is zelden eenduidig. Wat groepen van mensen beweegt is nog veelduidiger. Waarom de CPNB koos voor een Boekenweekgedicht van een van oorsprong helemaal niet Nederlands sprekende dichter is daarom giswerk. Geen beginnen aan. Maar o, wat kun je soms op mooie dingen stuiten, verrast worden, als je niet precies je reisdoel bepaald hebt en nog niet weet waarheen je eigenlijk beweegt. Wie van te voren al wat vindt, heeft slecht gezocht, zegt Kopland daarover. Omdat ‘de natuur’ zeg maar echt mijn ding is citeer ik hier het hele gedicht:
in welke taal zal ik je woorden geven zodat we elkaar opnieuw kunnen vinden in welke blik, welke stilte gaan we elkaar weer verstaan?
in welke regel moet ik het stotteren van de zon uitleggen laag na laag, wolk na wolk als we van elkaar slechts schaduwen herkennen
in welke taal kan ik je omarmen zodat je blijft in welke taal moet ik de zee oproepen, naar de bladeren luisteren in de spiegels van rivieren of met de oren van rotsen?
zie je, om begrepen te worden heb ik mijn taal achter de bergen gelaten mijn accent aan de golven geknoopt de taal van bomen en wolken geleerd de taal van treinen en seconden
en mijn taal klopt sterker dan mijn hart grijpt vaster dan mijn handen gaat verder dan mijn voeten en brengt jou dichterbij