
Vlaamse gaai met eikel (Garrulus glandarius) | foto: www.istockphoto.com
Al vóór de zomer heb ik een aantekening in mijn agenda gemaakt dat er eind oktober een nieuw deeltje in de vogelserie van Atlas/Contact zou verschijnen over de Vlaamse gaai. Dat is nu inderdaad uit en ik ben er nu al een paar dagen met intens genoegen in aan het lezen. (Piet J. van den Hout, De Vlaamse gaai, Amsterdam 2026). Het vergt een epische roman of zo om uit te leggen hoe het komt dat ik, docent literatuur in ruste zoals dat heet, daar zo naar uitkeek. Ik bedoel dit metaforisch. Dit is beeldsprakig bedoeld, niet grootsprakig. Dus.
Vlaamse gaaien eten van alles maar vooral zijn zij verzot op eikels. Dit weet iedereen. Beukennootjes zijn ook goed, en hazelnoten, maar het liefst toch eikels. Vraag ‘m evenwel niet waarom. Als de zomer op z’n einde loopt en de eikels al volgroeid maar nog zacht aan de eikenbomen hangen begint de gaai zijn feestje. Al die eikels krijgt hij nooit op. Hij verstopt wat hij niet op kan eten. Hoe listig hij dat doet is het onderwerp van een andere beschouwing. Hoe het kan dat hij voedselschaarste in de winter voorziet ook.
Hoe een gaai denkt over oorzakelijk verband weet ik ook al niet maar als gevolg daarvan heeft – ie in de winter wel een mooie voorraad voedzame eikels. Zo komt – ie iedere winter door. Een gaai doet niet aan vogeltrek. Je zou kunnen zeggen dat – ie dat ook niet hoeft, met al die eikels in de voorraadkast en zo. Maar van wie, trouwens, zou – ie iets moeten? Hij doet gewoon wat Vlaamse gaaien nu eenmaal graag doen. Het verstoppen hoort er gewoon bij.
Een andere invalshoek: die eikels vindt -ie nooit allemaal terug. Hoe een eik denkt over oorzakelijk verband weet ik niet maar als gevolg van de vergeetachtigheid van de gaai kan de eik zich voortplanten. Een eikel moet naar elders getransporteerd om te kunnen ontkiemen. Wilde zwijnen, eekhoorns, herten en beren houden ook wel erg van eikels maar die vreten alles meteen op. En een eikel laat zich nou eenmaal niet als, bijvoorbeeld, een berkenzaadje door de wind meenemen en verspreiden. De Vlaamse gaai doet voor de eik wat de wind doet voor berken en voor dennenbomen. Een gaai is de wind in vermomming. Nu wordt het al poëzie en ik ben nog niet eens aan die roman begonnen.
Behalve in de inleiding heb ik tot hier toe het woordje ‘dus’ vermeden. Wie dat toch doet treedt in het domein van oorzaak en gevolg. Daar is niks mis mee. Je moet eten om niet te verhongeren, zoiets. Zolang de woordjes ‘doel’ of ‘bedoeling’ maar niet meedoen is alles in orde. Doe je dat wel dan beland je op het terrein van de metafysica. Of van de politiek, waar het ook niet ongevaarlijk is.
In de geestdrift van mijn epifanisch moment zou ik nu mijn roman kunnen laten aanvangen met de zin ‘God is een eikel’. Maar ik vrees dat dit veel verwarring zal stichten.
Geef een reactie