
Vlaamse gaai (Garrulus glandarius) | foto Tom Heijnen / Nature Today
Voor de Vlaamse gaai hoef je niet per se naar Vlaanderen. Hij verstopt zich overal even graag, als er maar dichte bosjes in de buurt zijn om in te kunnen verdwijnen. Afgelopen zomer kwam hij iedere dag wel even naar de waterschaal op het terras van de onderbuurman om de zomerhitte van zich af te slaan. Open en bloot. En dat voor ‘een schuwe bosvogel’. Schuw? Ja, als ik maar met mijn ogen knipperde was – ie al weer weg.
Iedere keer als ik ‘m nu langs de parksingel voorbij zie schieten weet – ie mij weer compleet te verrassen. Overdonderen is te sterk uitgedrukt, verbluffen is misschien het woord, of bedremmelen, als dat een woord is. Ik ben er werkelijk nooit op bedacht, al weet ik nog zo goed dat het kan. Vooral nu in het najaar, als de eikels en de hazel- en beukennootjes vallen, die verzameld moeten worden voor de naderende winter. Kent die gaai mijn momenten van onverhoedsheid? Of neemt – ie gewoon het risico?
Een gaai is nauwelijks te verwarren met een andere vogel maar mij komen toch altijd andere vogels voor de geest, ofschoon van enige gelijkenis alleen in mijn hoofd sprake is en zelfs daar alleen op basis van geheimzinnige associatie. De ijsvogel: vanwege het hemelsblauw op de vleugels natuurlijk, dat als een schicht de ogen treft. De specht, die net zo goed in verstoppen is: je hoort ‘m maar als je het geluid probeert te lokaliseren zit – ie altijd aan de achterkant van die boom. De ekster: die kan net zo gedecideerd schelden, op het ordinaire af. De pestvogel, met wie hij (of zij) de kleurstelling gemeen heeft, en een kuifje, en een gelakte vleugel, zij het in een andere kleur. En, gek genoeg, de merel.
Ook de merel heet in alle vogelboekjes een ‘voorheen schuwe bosvogel’. Dat schuwe hebben die vogels dus gemeen, maar de merel heeft al begin vorige eeuw de parken en stadstuinen veroverd. Al zijn er nog steeds merels die teruggetrokken en onvindbaar in het bos leven. Die zingen ook anders, dieper, welluidender. Die delen nog een oud geheim met de wielewaal.
Maar het verhaal van de stadsmerels en de bosmerels is een ander verhaal. En de gaai dan, die zingt toch helemaal niet? Nou en of gaaien zingen! Ik herinner mij nog precies plek, dag en uur dat ik daar achter kwam. Ook dat was volstrekt onverhoeds, wat wil zeggen dat ik volstrekt niet op mijn hoede was, volkomen argeloos, zo’n staat waarin men gemakkelijk met verliefdheid geslagen zou kunnen worden. Ik zet het dramatische nu wat zwaar aan maar het was gewoon in het Robbenoordbos hoor, op een dinsdagochtend in april.
Het punt is dat ik daar onwillekeurig altijd meteen aan terugdenk als ik een Vlaamse gaai zie. En dan hoor ik weer dat héél zachte zingen. Gemurmel is het bijna, steeds opnieuw beginnend, geen frasen zingend maar frazelend, voor zich uit prevelend, meer voor zichzelf dan om indruk op een andere gaai te maken.
Precies zo doen merels dat in het heel vroege voorjaar, als de bomen al wel knoppen maar nog geen blad hebben. Zou de Vlaamse gaai ook ooit zó uit volle borst kunnen gaan zingen?
Geef een reactie