
Bonte kraai (Corvus cornix) | foto Jos Jansen / Vroege vogels
De verrekijker was wel mee maar bleef in de auto. Deze reis was geen vogelexcursie. En dan, Italië ligt niet op een trekvogelroute. We zagen ergens flamingo’s in een zoutmeertje foerageren – waar ligt de kijker?! – maar ik moet nu diep nadenken waar dat ook al weer was. Zo snel en ongemerkt wen je dus aan het voorkomen van bepaalde vogels in een specifieke habitat of in een specifiek jaargetijde. Dat de mussen er net even Italiaanser uitzagen was een aardigheidje van de geografie. De Alpen, hè?
Anders was dat met de kraaien. Alle kraaien die we in Italië gezien hebben waren bonte kraaien en vanaf het allereerste moment dat ik ze boven de velden zag scharrelen gaf dat een schok. Telkens weer. Alsof er iets mis was met het seizoen. Of met Italië. Met de seizoenen lijkt inderdaad iets mis en met Italië misschien ook wel maar ik wilde het over de vogels hebben.
In mijn jeugd herinner ik mij grote groepen bonte kraaien in de Wieringermeer op de akkers gezien te hebben. Mijn associatie met naderende winter is zo gek nog niet. Het geleidelijk kouder worden, de prikkeling van de herfstgeuren, de dynamische luchten die de horizon kleurden, het vérdragende gekras boven een verder stille polder. Nee, dit is geen weemoed, althans niet heel erg. Maar waar zijn die bonte kraaien uit mijn jeugd gebleven? Ik zocht het op.
SOVON organiseert al sinds de jaren ’70 de zogenoemde Punt Transect Tellingen (PTT). Het aantal waarnemingen in Nederland is gestaag gedaald, tot ongeveer nul anno nu. Zo’n vaststelling bij bijvoorbeeld de grutto of de kemphaan is alarmerend maar bij de kraai niet. De ene vogel is de andere niet.
Waarom de bonte kraai de winter vanuit Scandinavië en Karelië niet langer in onze streken doorbrengt, is niet helemaal opgehelderd. Heel misschien speelt de klimaatverandering een rol maar dat begrip is de laatste tijd ook een beetje verworden tot het duizend-dingen-doekje van de verklaringen. Waarom zette die tendens dan al in de jaren ’70 in?
Het is ook niet helemaal duidelijk hoe het zit met het verspreidingsgebied van de bonte kraai. Heel simpel gezegd lijkt het zo te zitten: waar de zwarte kraai voorkomt zie je de bonte kraai niet (meer), en omgekeerd. Of zo: trek een loodrechte lijn van het westelijkste puntje van Noorwegen naar Sardinië en Sicilië: ten oosten zit de bonte, ten westen de zwarte kraai. Maar waarom zag ik die bonte in mijn jonge jaren dan wel? Bij tienduizenden zelfs? En hoe komt het dan dat de zwarte en de bonte kraai samen moeiteloos nageslacht kunnen krijgen en dat ook doen? En hoe komt het dat die kraaien op raadselachtige gronden toch hun best doen zwart en bont uit elkaar te houden? Hoe doen ze dat trouwens, zonder enige slag of stoot?
Om het niet over de menselijke slagen en stoten betreffende bedenkelijke identiteiten te hoeven hebben, zal ik het hier vanmorgen maar even bij laten.
Geef een reactie