
Tzum / Tsjom, Friesland / Fryslân
Als mijn zus er niet een tijdje gewoond had, was ik nooit in Tzum geweest. Het ligt een uurtje lopen van Franeker, midden in de Friese weilanden. Op twee uur gaans ligt Arum, waar mijn broer in de vorige eeuw met zijn bruid een arbeidershuisje bewoonde. Van daaruit ben je zo in Pingjum, waar ik mijn moeders vader vandaan weet te komen. De wegen liggen er krom als in de middeleeuwen. De hemel is er wijds. Zeker in mijn grootvaders tijd wemelde het er van de weidevogels in het voorjaar. Met de polsstok over slootjes fierljeppend zochten dorps- en boerenkinderen er het eerste kievitsei. Nu hoort men er slechts op gezette tijden de klok van de Johanneskerk, die de hoogste is van alle dorpskerken in Friesland.
Naar die plaats is het literaire tijdschrift Tzum genoemd. Omdat ik in het verre dorp Amsterdam ook wel eens nieuwtjes uit de literatuur wil vernemen, grasduin ik wel eens op de weblog.
Bij Tzum hadden ze ook naar Zomergasten gekeken. Allicht kennen ze daar Tommy Wieringa. Hadden ze hem niet al eens de Tzum-prijs voor de beste literaire zin uitgereikt? Die stond in Joe Speedboot (2005) en het mooiste uit die lange zin vind ik nog steeds het slot: “(…) want wat niet weerkaatst, bestaat niet.” Dat gaat over het geluid van de knalpijpen van stoere binken. Ik vind dat een akelig geluid, zeker op het platteland, maar daar gaat het niet om. Ook weet ik niet of het klopt. Tóch is het een mooie zin, het drukt precies uit wat die binken vinden. Holle pijpen.
Tzum geeft een opsomming van wat recensenten van het tv-programma zoal opmerkten. Daar schrik ik van. Tina Nijkamp bijvoorbeeld schrijft: ‘Zelden zoveel moeilijke woorden op 1 avond gehoord. Is dat echt nodig?’ Als ik Tzum niet had gelezen wist ik niet wie Tina Nijkamp was. Zij blijkt iets met kijkcijfers van doen te hebben. Dat helpt mij niet echt verder. Als het bestaansrecht van de NPO niet in het geding was had ik er zomaar over heen gelezen. Nu vraag ik mij af of zij weet heeft van andere programma’s dan Boer zoekt vrouw. Of B&B vol liefde. Daar zie je ze ook nooit een boek lezen.
Emma Vos (NRC) vond dat Wieringa ‘moeilijke zinnen’ gebruikt. Daar geeft ze dan geen voorbeelden van. Ik bijvoorbeeld vind de volgende zin niet moeilijk: „Ik ben opgegroeid als een gebenedijde”. Wieringa zegt dat als hij zijn jeugd op Aruba schildert, hij was er erg gelukkig. Dat kon je ook wel aan zijn gezicht zien. Maar Vos snapt ‘gebenedijd’ niet. En veronderstelt dat Abbring ‘gebenedijd’ dan ook niet snapt. En dat vind ik dan weer een vermaledijde verdachtmaking. Zucht.
Nu kan ik dan wel veronderstellenderwijs maar met veel aplomb beweren dat Wieringa dat woord natuurlijk bij Nescio heeft opgeduikeld – schrijvers lezen het werk van andere schrijvers wel degelijk en toevallig ken ik Wieringa’s zwak voor Nescio – maar dan dreigt de verrekte gelijkhebberigheid van een polemiek. En als Nescio dat woord in het VIIe hoofdstuk van Titaantjes laat vallen is dat niet gunstig bedoeld. Terwijl Wieringa de omgeving waarin hij opgroeide juist wel als een zegening had ervaren. Zucht.
Misschien ook komt iemand met dat nog oudere gedichtje van Gorter aanzetten: “Gebenedijde – Meisje gebenedijde / van ’t licht, van ’t open wijde [ . . . ] gebenedijde, / gebenedijde.” (Herman Gorter, Verzen, 1890). De hoofdredacteur van Tzum, bijvoorbeeld, zou dit zo maar kunnen citeren want die heeft een halve eeuw geleden nog poëzie-les bij mij gevolgd. Zucht.
Dit overkomt mij nou weer. Begin ik mijn ochtendoverdenking met een arcadische lofzang op het Friese weidelandschap en beland ik via pastorale dwaalwegen met knetterende knalpijpen in een verzinkend moeras waarboven steeds minder vogels vliegen en waar het geheugen pijnlijke gaten vertoont op zowel het vlak van de natuur als dat van wat taal daarover vermag te zeggen: shifted baseline syndrome, zegt u dat wel.
Deze zin valt ook nogal lang uit, zie ik.
Plaats een reactie