Vuur


De eerste automobiel met verbrandingsmotor: Benz Patent – Motorwagen Nummer 1 (1886)

Vanavond is Tommy Wieringa de Zomergast. Gelieve niet te storen.

Wieringa kan zelf uitstekend uitleggen wat hem bezighoudt dus dat hoef ik niet te doen. Zijn blik op de grote levensthema’s scheert over de velden van mijn belangstelling. Een samenvatting is dus lastig. Dat ik af en toe het idee heb dat ik hem begrijp zal wel een hersenschim zijn. Het is niet ondenkbaar dat hij dat dan beaamt.

Nirwana (Amsterdam 2023) is een kolossale roman die zich het best laat samenvatten door de 481 bladzijden te lezen. Het helpt als je weet waar het begrip nirwana op wijst: uitdoving. Wat dooft uit? De grote brand, het wereldvuur, de klimaatcrisis waar wij ons in bevinden en die het gevolg is van onze verslingerdheid aan de verbrandingsmotor, aan fossiele brandstoffen. Maar ook: uitdoving van het verlangen daar iets aan te doen. Aan het einde van de roman dooft het bewustzijn van Hugo Adema uit. Wieringa baseert zich voor dat pijnlijke ritueel van zelfmummificatie (Sokushinbutsu) op verhalen die hem ter ore of onder ogen moeten zijn gekomen toen hij zich ging toeleggen op het (Zen)Boeddhisme. Hoe geloofwaardig dat allemaal is, doet nou even niet toe. Prachtig evocatief  is de slotzin, waar het bewustzijn afscheid neemt van het lichaam: “Op enige afstand blijft het even hangen en kijkt naar het bos en zichzelf onder zich, met als laatste gedachte die als zodanig te kwalificeren valt: wat jammer van de bomen.”

Aan die bomen dacht ik vanmorgen even. Ze staan in Amersfoort, bij het Zen centrum waar Wieringa in 2023 zijn geestesproduct aan het publiek presenteerde. Het publiek keek ernstig. Er hing een plechtige sfeer, het leek wel een kerk. Er waren dan ook bijna alleen maar zen-leerlingen die vooral waren gekomen voor de lezingen. Die waren ook plechtig. En devoot. Men leek vertrouwen te stellen in alle koopwaar die zelfverklaarde priester Rients Ritskes voor hen had uitgestald.

Wieringa wist af en toe in zijn à l’ improviste gehouden praatje nog wel de plooi uit de strakke gezichten te krijgen. Zo’n roman van spiritueel beton schrijf je niet op een achternamiddag en je moet wel kunnen blijven lachen als er op de hilarische dwaalwegen onderweg weer eens ergens een auto in de soep wordt gereden. Maar die wereld van het grote geld, van de offshore en olieplatforms, van een verzwegen donkerbruin oorlogsverleden, van de kunst ook, van de huichel en de schijn, van de . . . Enfin, daar zou hij graag nog het volgende over willen vertellen. . . Zijn woordenstroom kon enkel worden gestuit door de bel, die ook het einde van de meditaties had geklonken. De zelfverklaarde meester was onverbiddelijk. Kunst is mooi en literatuur misschien ook aardig, moet hij gedacht hebben, maar je moet het wel begrenzen.

Waarom – ie dat dan niet gedaan had, vroeg ik Wieringa na afloop. De roman was toch een pad geweest? En zijn pad was toch nog niet helemaal afgelopen? Hij keek mij eerst niet begrijpend aan maar ik zinspeelde alleen maar op de beeldspraak die hij in zijn toespraakje zelf had uitgesponnen: de zoekende volgt een pad. En de wereldbrand was toch zeker nog niet geblust? De vraag verraste hem. Hij dacht er over na. En schreef toen voor mij in mijn exemplaar van Nirwana: ‘voor onderweg’. En ook nog: ‘omdat ik het moest verlaten.’ Was dat een hint?

Ik ken ook Wieringa’s essay Optimisme zonder hoop (2025) en ook zijn huidige bemoeienis met Oekraïne  (Protect Ukraïne; Konvooi: Reizen naar een land in oorlog(2024)). Toch ben ik erg benieuwd naar het vuur dat hem gaande houdt. Opdat het mijne niet dooft. Vanavond dus niet storen.

Plaats een reactie