Poëzie


Opschrift vuilniswagen Rotterdam | Peter Oole

‘Ja hoor,’ zegt mijn vrouw, jij bent een groot dichter. Stoot je je hoofd niet aan de lamp?’ Ze doelt op mijn lengte. Gemiddeld zijn wij wel even lang maar zij zou haar hoofd nooit aan enige lamp in huis stoten. Mij roept ze er alleen bij als zich iets in het bovenste keukenkastje ophoudt. En wat het dichten betreft, ik schrijf zulke kleine gedichtjes dat ze op de korte kant van een luciferdoosje passen. Je steekt er de wereld niet mee in de fik, dat zie ik ook wel in. Dat van die tuin vindt ze een roekeloos idee. Wij hebben een balkon.

Terwijl we elkaar zo liefkozend de maat namen, berichtte ons de radio het nieuws dat Poetry International dit jaar de Cultuurfonds Prijs heeft gewonnen. ‘Nou nou,’ zegt mijn vrouw. ‘Hè hè,’ denk ik, ‘gerechtigheid.’ En ik denk aan al die jaren dat ik leerlingen ‘met geestdrift en vertwijfeling’ probeerde bij te brengen dat ze er misschien nu even geen zin in hadden maar dat ze zich in tijden van nood de haren uit het hoofd zouden trekken nu niet opgelet te hebben. Bij hun huwelijk bijvoorbeeld. Of de geboorte van hun eerste kind. Bij rouw. Of desnoods een nationale herdenking. Dat het er dan op aan komt. En dat er dan altijd gedicht moet worden. Over de kwaliteit zweeg ik dan maar.

En ik denk aan die meer dan 3000 gedichten die in onze steden voor iedereen open en bloot op gevels te lezen zijn. Aan de versjes op het strand van Vlieland en dat de zee die regels dan weer uitwist. Niets is bestendig.  

Aan de vuilniswagens van Rotterdam waarop sinds jaar en dag dichtregels prijken. Van Jules Deelder, natuurlijk, maar ook van mensen die niemand kent. En dat daarom Rotterdam bij een volgende oorlog gespaard zal worden. Dat er geen volgende oorlog zal komen omdat mensen er dichten.

Poëzie is jezelf gedag zeggen. En dan de ander groeten.

Plaats een reactie