
Kauwenpaar (ben je voor het leven) | foto Bij12
“[ . . . ]
Een vogelaar kwam naast me staan en vroeg nieuwsgierig: ‘Wat is er te zien?’
‘Kauwtjes,’ deelde ik mee.
‘O, ik dacht dat je wat zag,’ zei hij.
De twee kauwtjes stapten vastberaden naar een plekje in de zon. “
(Achilles Cools, De kauw. Amsterdam 2014)
Tja, als de belangstelling uitsluitend ‘bijzondere’ soorten betreft, en ‘gewone’ alleen op dedain kunnen rekenen, wordt het niks natuurlijk. De notitie komt uit het dagboek dat Cools aan het eind van zijn monografie van de kauw opneemt.
Hoe Cools zichzelf ziet weet ik niet. Beeldhouwer? Schilder? Graficus? Dichter? Schrijver? Natuurfilosoof? Misschien zegt – ie dat je dat de kauwen maar moet vragen. Dat die hem beter kennen dan hij zich zichzelf. Want hij deelt al meer dan vijftig jaar zijn leven met hen. Maar ornitholoog? Hij begint pas en heeft nog een paar eeuwen nodig om die intelligente kauwen te begrijpen. ‘Al hadden de mensen vleugels en veren, dan waren er toch maar weinig van hen knap genoeg om kauw te zijn,’ schrijft Cools in het voorwoord.
Gisteren zag ik een stuk of acht kauwen in het park vlak voor huis wat oude bomen afstruinen. Ze waren duidelijk op zoek naar nestgelegenheid en spechtenholen zijn daar genoeg.
Vanmorgen vroeg zag ik ze daar weer. Ze opereren duidelijk als tweetallen, er was grondige inspectie, veel vergelijking, veel overleg. ‘Als jullie nou die etage eens nemen, dan kunnen wij hier . . . ‘
’t Zal mij benieuwen of ze het doen. En hoe ze dat dan gaan oplossen met de halsbandparkieten. Die zoeken ook nog huisvesting.
Plaats een reactie