Evenwicht bewaren

,

Om de imponerende balletten van de kraanvogel te kunnen zien moet je naar het oosten van het land maar de reigers kunnen er ook wat van. Iedere keer als ik er langs fiets vind ik het verbazingwekkend dat reigers in bomen kunnen nestelen. Toch is het zo en ook nog eens gewoon in de stad. Er zit zo’n kolonie in het Baanakkerspark hier vlakbij. Ik ben gistermiddag even wezen kijken, ’t was lenteachtig en ze waren al volop met takken in de weer. Waren ze nou waarachtig al aan het broeden? Dat is ook nog zoiets wonderlijks: ze broeden in kolonies, hier met wel zo’n vijfentwintig bij elkaar. Biologen vinden daar geen sluitende verklaring voor, reigers zijn helemaal niet zulke aaibare of sociale dieren. Maar wat  een elegantie als ze aan komen zeilen en dan met de vleugels breed uitwaaierend op de lucht rustend proberen de zwaartekracht te overwinnen. Die lange poten die er maar wat onder lijken te zwabberen maar precies op het juiste moment in die schijnbaar ordeloze hoop takken die het nest moet voorstellen naar houvast grijpen. Evenwicht. Gratie.

Nee, niet ‘net kraanvogels’, want als je gaat vergelijken blijf je bezig. En de vergelijking valt dan altijd beroerd uit voor degene aan wie je om heel andere redenen al even ongegrond een pest had.

Een heel andere karakterstudie toont de documentaire Schoffies (Marc van Fucht, 2006; https://npo.nl/start/afspelen/schoffies_1 ). Daarin wordt de reiger geportretteerd als echte Amsterdammer. Dan hangt ‘t er maar van af wie je vindt een ‘echte’ Amsterdammer te zijn. Een levend en af en toe vermakelijk portret levert het wel op, óók van de mensen die zich om de reigers bekommeren. Of zich daar weer gruwelijk aan ergeren vanwege de kostprijs ener koikarper. Goudvis of koikarper is hen om het even zolang er in de vijver maar vis glinstert.

De reiger een stadsbewoner? Jazeker, en dat al vanaf de dertiende eeuw. Nou ja, Amsterdam was toen nog lang geen stad maar ‘de rheygers’ zijn de eerste vogels die in het stadsarchief van de stad genoemd worden. Door Ghysbrecht van Aemstel, jawel, dezelfde. Dat is niet zo gek als je bedenkt dat de Amstel een veenrivier is en dat Amsterdam uit een moerasgebied zou verrijzen. En als je ook alle bebouwing van na 1300 even wegdenkt. Wat geen onplezierige gedachtengang is.

Naar verluidt is Amsterdam de enige hoofdstad ter wereld met zoveel reigers en reigerkolonies. De stad is daarom zelfs ‘vermaard’ beweren sommige kringen, al moet ik de toerist nog tegenkomen die deswegen de stad bezoekt. Misschien beweeg ik mij in andere kringen; ook mijd ik gewoonlijk de binnenstad. Hoe dan ook, er zijn meerdere kolonies midden in de stad (Artis, Frankeldaal) en dat lijkt nog al strijdig met bijvoorbeeld ook Thijsse’s observatie dat je een reiger niet makkelijk van nabij kunt leren kennen: “Ze zijn geen al te beste bejegening gewoon, noch van mensen, noch van dieren en zien daarom in ieder bewegend wezen een vijand, in iedere ongewone omstandigheid een gevaar.” (Jac. P. Thijsse, Het Vogeljaar, 1903). Maar toen werden reigers nog allerwegen bejaagd: als welkom boutje voor op tafel, de sierveren voor op dameshoedjes of gewoon uit broodnijd door de vissers.

Als je je er toch aan waagt natuur en cultuur te overdenken, of de scheidslijn tussen die twee tracht te tekenen, dan ben je van gisteren nog niet klaar. Ook vanmorgen laat ik het onbeslist. Het volgende gedicht gaat wel over een echte reiger die Chr. van Geel in de weilanden rond het Noord-Hollandse Groet zag rondstappen. Maar het is natuurlijk vooral een zelfportret als dichter. In meerdere opzichten herken ik mij.

REIGER

Een reiger loopt voorzichtig

op hoge poten door

de sloot en brengt zijn spieden,

ook als het donker is,

als witvis aan het licht.

Chr. van Geel, Dierenalfabet, Amsterdam 1978

Plaats een reactie