Nu!

,

Ergens in mijn hoofd huist een fenologische agenda: week 6, merels! Daar trekken die merels zich natuurlijk niks van aan. Die numerieke agenda is ook maar iets uit de tijd toen ik nog voor de klas stond en het schoolleven daardoor gedicteerd werd. Maar: mijn alert zijn op het eerste merelgezang – en het échte moment dat-ie daadwerkelijk begint te zingen. Iedereen voelt de veranderingen die al een zweem van voorjaar aankondigen.

Het komt allemaal heel precies in de natuur. Er zijn buiten geheimzinnige processen gaande waarover je niet nadenkt als je een boterham smeert of de post doorneemt. Die gaan over schimmels, zaadjes en eitjes, beestjes die je niet kunt zien maar die toch heel belangwekkend zijn. Die gaan over temperatuur en licht, beschikbaarheid, ontvankelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid, een verbijsterend aantal zaken die allemaal voor elkaar moeten zijn aleer die merel weet: Nu!  En losbarst.

Lijster en merel horen tot dezelfde familie, net als trouwens de koperwiek en de kramsvogel. Waarom zingt de lijster als eerste? Waarom vertrekken de koperwiek en de kramsvogel weer richting het noordoosten als je hier weer in je hemdje buiten kunt zitten?

Het gedicht van Herman de Coninck dat ik gisteren aanhaalde kwam spontaan opwellen. Dat ligt ook ergens diep verborgen in mij, ook daar zijn geheimzinnige processen gaande. Wie dat denkt te kunnen verklaren met ‘Kunst, associaties!’ verklaart helemaal niks. De kunst niet, de mentale processen niet en het verlangen al helemaal niet.

Verlangen is de herinnering aan iets dat komen zou. Verlangen is een beekje dat met een ander beekje samen verder gaat, dat een riviertje wordt en op weg gaat naar zee. Ze hebben het geruis van de zilverfabriek van de zee gehoord. Dit alles was weer zeer nabij toen we vorige week in Zuid-Limburg rondzwierven. En het onderscheid tussen het murmelen van het beekje en de zang van de lijster weg viel.

Verlangen is de herinnering aan iets dat vertrouwd is als de hartslag, intiem als de ademhaling, als iets dat zich steeds herhaalt en nooit hetzelfde is.

Ik dacht aan een keer dat we het gedicht in de klas bespraken. Dat ‘Vingerafdrukken op het venster’ wel een heel erg treffend beeld is voor een gedichtje: dóór het taalspel, de klanken en het ritme, de stuwing van het gedicht, kijk je naar de werkelijkheid. Als door een venster, waarachter een kind vol ongeduld wacht tot de dageraad de dingen zichtbaar maakt, de wereld kleur en geluid geeft, gestalte geeft, en kracht en duur, de wereld wakker en levend wordt.

‘Moeten we bij Nederlands nou ook nog weten hoe een lijster klinkt?’ was het wederstrevende commentaar bij de laatste regel. Ja, juist bij poëzie moet je de vogels leren verstaan. Zonder poëzie is het leven een agenda.

Vingerafdrukken op het venster

Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken
op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen
te wachten staat op dag. Uit aarde komt nevel,

uit verdriet een soort ach. Wolken
zorgen voor vijfentwintig soorten licht.
Eigenlijk houden ze het tegen. Tegenlicht.

Het is nog te vroeg om nu te zijn. Maar de rivieren
vertrekken alvast. Ze hebben het geruis
uit de zilverfabriek van de zee gehoord.

Dochter naast me voor het raam. Van haar houden
is de gemakkelijkste manier om dit alles te onthouden.
Vogels vinden in de smidse van hun geluid

uit, uit, uit.

(Herman de Coninck, Vingerafdrukken, Amsterdam 1997).

Plaats een reactie