
In allervroegte
lucht de lijster zijn gemoed:
tttrrrr! tjuwie?! tjuwie?!
_____
Opm.
Afgelopen week waren we in Zuid-Limburg. Het heuvelland. Nee, het dalenland zeggen geologen, die er toch weer anders naar kijken. Het Mergelland dan. De Geul, de Gulp, al die beekjes. Een landschap waar je in bent, waar je mijmerend kunt gaan. Of fietsen, want die hadden we deze keer mee. De holle wegen, de stegelkes, de kruuskes, de kapelletjes langs de weg. De maretakken in de populieren.
Waar we verbleven keken we vrij uit op de tuin, daarachter ging een pad omhoog. Verderop, onzichtbaar achter een bocht, lag de Sousberg. Dat bleek nog een hele klim. De jaren beginnen te tellen.
Aan de tuinvogeltelling zouden we niet meedoen. Dit was onze tuin niet, we hebben niet eens een tuin. Dat vond ik zelf ook wel een flauwekulargument en naar de vogels kijken deden we toch. Er kwamen vooral koolmeesjes op de voederplek aangestoven, vinken en enkele pimpeltjes. Was het erg dat die nu niet meegeteld werden?
Terwijl ik zo in die tuin kijkend stond te peinzen over de relevantie van deze prachtige vorm van burgerwetenschap – er kunnen niet genoeg mensen mee bezig zijn! – merkte ik dat mijn oren vooral gespitst waren op het horen van de eerste merel dit jaar. Dan zou alles weer goed zijn. Het onbarmhartige knarsen van de raderen van deze krankzinnige tijd zou tot stilstand kunnen komen. De omstandigheden waren goed, de mezen buitelden al over elkaar met het voorjaar in hun kop. Het was misschien alleen nog wat vroeg in het jaar.
Toen weerklonken in de ochtendstilte opeens de repeterende strofen van een zanglijster. Hij zat ergens voorbij de bocht, je kon ‘m niet zien maar zijn roep vulde het hele dal, tot waar ik achter het venster stond, boven de tuin. Vogels vinden in de smidse van hun geluid, viel mij in, naar het gedicht van Herman de Coninck. En, je kunt verlangen wat je wilt, het leven zelf tovert altijd weer iets anders.
uit, uit, uit.
Plaats een reactie