
Ik was op zoek naar heel iets anders maar vond dit:
De blik van Wouter Helmer bij een verhaal over een beer en een boer, Mook.
Wouter was in Griekenland geweest. Hij zat daar op een berghelling en zag op de tegenoverliggende helling een beer lopen. Die beer ging naar beneden. Over hetzelfde pad kwam op dat moment een boer naar boven. De beer die naar beneden ging, de boer die naar boven ging, het leek wel een gedicht van Paul van Ostaijen. Maar net voordat zij elkaar zouden mogen begroeten, week de beer af van zijn route. Hij verdween in het kreupelhout en kwam pas weer te voorschijn toen de boer voorbij was. Beiden vervolgden zij hun weg, de beer die naar beneden ging en de boer die naar boven ging.
Wouter vond het een prachtig verhaal om te vertellen. Zijn ogen schitterden van plezier. Want die beer was wel een boer tegengekomen, maar die boer geen beer.
Zo vergaat het ons in de natuur.
(Koos van Zomeren, Alle vogels (2017))
Wie Wouter Helmer is weet ik niet. Of Wouter belezen is en zelf bij het beschrijven van een voorval tijdens zijn vakantie het Alpenjagerslied van Van Ostaijen erbij haalde weet ik dus ook niet. Van Zomeren zal het gedicht gekend hebben want anders had hij er natuurlijk niet in zijn stukje over kunnen beginnen. Ik houd hem voor belezen, al ben ik niet helemaal zeker of zijn kennis dieper steekt dan dat dat gedicht over een dalende heer en een stijgende heer gaat: weet Van Zomeren dat de beide heren precies vóór de winkel van de beroemde hoedenmakers Hinderickx en Winderickx elkaar wel degelijk begroeten? Elk met de bloedeigen hoed? En dat ieder na dit groeten de hoed weer opzet, ’t is te zeggen ieder de bloedeigen hoed op het bloedeigen hoofd? Kennelijk is Van Zomeren zich dit ook wel bewust, want anders had hij niet opgemerkt ‘Maar net voor zij elkaar zouden mogen begroeten’.
Al is het natuurlijk niet helemaal uit te sluiten dat hij, Van Zomeren dus, én Van Ostaijen, én diens Alpenjagerslied eerst leerde kennen doordien deze Wouter Helmers hem dit vertelde naar aanleiding van diens getuigenis over de beer en de boer.
Dan nu dat laatste zinnetje. Bij korte stukjes gaat het daar om. ‘Zo vergaat het ons in de natuur’, wie zegt dat? En waar slaat het precies op? Hoor ik bij die ‘ons’? Had die beer dat gedicht van Van Ostaijen moeten kennen soms?
[p.s.
Ik was op zoek naar wat Van Zomeren in de loop der tijd allemaal over de steenuil heeft geschreven, het Jaar van de Steenuil is immers begonnen? Ik ben dus nog wel even bezig.]
Plaats een reactie