Narrenwijsheid

,

J. C. van Schagen, Zelfportret (1946)

Ik wilde vanmorgen nog wel even doorgaan met mijn lied over de regen. Maar ’t gaat niet, de zon schijnt volop. In het hele blauwe hemelgewelf is geen wolkje te bekennen. En toen ik vanmorgen op het balkon mijn koffie dronk hoorde ik overal de duiven luidruchtig koeren van minnelust. Dat gaat het hele jaar door. Een zat op een tak in de esdoorn waar de zon net bij kon te roepen dat hij het mooiste plekje had. Je kon zijn veertjes tellen. De wind streelde die zachtjes en je kon bijna zien dat de wind daar pret in had.

Met die Gay Pride Canal Parade is het gisteren ook allemaal goed gegaan, las ik in de krant. Nu ja, ’t viel niet in het water en ‘er waren geen incidenten’. Pfff . . . Dat neemt niet weg dat die hele manifestatie, met al die honderdduizenden op al die bootjes door de grachten een schandvlek voor de samenleving is: niet voor die mensen, allicht niet en de hemelbewaarme, maar voor al die lui die niet willen hebben dat die mensen zijn wie zij zijn.

Wat mankeert mij toch, dacht ik toen ik mijn koffiebeker bijschonk, dat ik aan zo’n feestelijke dag toch nog iets lelijks ontwaar? Ik bladerde door mijn bundeltje Narrenwijsheid dat ik speciaal uit de kast had genomen. J. C. van Schagen opent die bundel met een lofzang op de regen en die had ik wel weer helemaal over willen schrijven. En aanvullen. Met nog meer druppels. Maar het zonlicht bereikte inmiddels door het zijraam ook mijn schrijftafel, en scheen op dat bundeltje, dat door de gele omslag nog meer zon reflecteerde. De duiven koerden.

En ik denk aan die dag dat ik dat bundeltje kocht, ik zal zeventien geweest zijn. En hoe die poëzie mij mijn hele leven heeft begeleid. Hoe ik aan al die buitenissige boekjes met onmogelijke formaten was gekomen. Aan die keer dat ik Van Schagen had opgezocht, in zijn appartement aan de IJssel. Hij woonde ook in Domburg maar in de winter toch het liefst in Deventer. Het regende toen een beetje, niet veel maar toch. De overkant van de IJssel werd wazig. En hoe ik hem bedankte voor die poëzie en voor al het andere dat hij daarna nog had gemaakt. Niet lang daarna overleed hij, 93 was hij toen, zo oud zou mijn moeder worden. Nee, er was geen oorzakelijk verband, het was gewoon tijd.

En ik denk eraan dat er precies honderd jaar is verstreken nadat dat bundeltje is verschenen. Een eeuw! Een ogenblik.

En ik herlees:

Niets is dat niet goddelijk is

daarom wil ik niets uitzonderen

ik geef geen namen

ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar

recht, ik blijf niet staan bij slecht en lelijk

goed en deugdzaam gaan mij niet aan

[ . . . ]

zo regent de regen

daarom geef ik geen namen

ik ga maar en ben

J. C. van Schagen, Narrenwijsheid, 1925

Eén reactie op “Narrenwijsheid”

  1. mortallydeerd80ab36fec Avatar
    mortallydeerd80ab36fec

    Van Schagen ga ik lezen! Dank!, Henk

    Like

Plaats een reactie