
De andere kant van sentimentaliteit is diepzinnigheid: haiku zouden getuigen van een dieper inzicht in de werkelijkheid. Een hogere werkelijkheid zelfs, beweren sommigen. Me hoela! Of als dat al wel zo is dan hoeft men daar niet meer waarde aan toe te kennen dan aan voetbalprofetische uitspraken als “Je gaat het pas zien als je het door hebt”. Dixit: Johan Cruyff. Misschien verlichtend voor wie voetbal de hele, ultieme .werkelijkheid is maar niet erg praktisch in echte oorlogsgebieden. Of bruikbaar voor als je onderweg een lekke band hebt en het reparatiesetje thuis nog in de kast ligt.
Niet zelden worden haiku in verband gebracht met zenboeddhisme en dan is het helemaal uitkijken voor Schwärmerei. Een beroemde haiku van Bashō (1644-1694) gaat zo:
De oude vijver –
een kikvors springt erin,
de klank van water
Boekenkasten zijn volgeschreven over dit kikkertje en het aantal vertalingen is ontelbaar. Ik kan die niet beoordelen, ik spreek geen Japans en al helemaal geen zeventiende-eeuws Japans. “Furuike ya kawazu tobikomu mizu no oto.” Tja.
“Door alle tijden heen heeft het water – de oude vijver – een gevoel opgeroepen van diepte, van de ongeweten, onuitsprekelijke oorsprong der dingen. Slechts het levend ogenblik, het bewegende nú, de springende kikvors – kan springen, en riep uit: “Een kikvors springt van de kant, geluid van water.”” becommentarieert J. van Tooren in Haiku; Een jonge maan (1973) dit versje. Nou nou, orakel op orakel. Als wij in het voorjaar naar het schooltje van Holysloot fietsen om daar de kikkers in het slootje te horen kwaken van minnelust schiet mij vaak Bashō’s hokku te binnen. En de bitterballen die we daar dan altijd bestellen om daar gezeten aan de waterkant op te smikkelen. Of het reparatiesetje. Plons!
Hoe zit het nu met die meedogenloosheid? Iedere morgen sta ik op in een wereld die met de dag verscheurder lijkt. Probeer maar eens opgewekt aan het ontbijt te beginnen als je foto’s ziet van uitgemergelde Palestijnse kinderen. Als een haiku eetbaar was schreef ik er dagelijks duizenden om hun honger te stillen. Maar dat is geen antwoord op die vragende gezichtjes. In die zin is poëzie meedogenloos: nach Gaza ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch, zoiets. Er moet voedsel heen, en snel ook. Mijn poëzie is poëzie van lege handen.
Er is nog een ander aspect van meedogenloosheid, van lege handen ook, dat kan wel wachten, maar voor vanmorgen heb ik nu wel even gegeten en gedronken.
Zéér dringend is het
waarvan scholeksters reppen –
op leven en dood
Plaats een reactie