
Er gaat iets voorbij –
populieren luisteren
in voornaam ruisen
_____

Piet Mondriaan (1872-1944), Het Gein: bomen langs het water (1906)
Het Gein meandert van Driemond naar Abcoude; we fietsen graag langs dat water. Mondriaan schilderde het in 1906, 34 was hij toen en nog onberoemd. Het zal toen aan het eind van dag geweest zijn, misschien ook aan het eind van de zomer. Mondriaan was in die tijd bezig met de ‘tragiek van de natuur’, schrijft een biograaf. Het realisme liet hij steeds meer los, de kern der dingen zocht hij en iedereen weet waar dat op uit liep.
“Die dingen die geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: ‘dan moet ’t ook maar gebeuren’, dan wilden ze weer niet.” merkt Nescio in Titaantjes over Bavinks schilderkunst op. Bavinks strijd liep toen al op ’t eind. Nescio kende het Gein ook en zwierf daar tezelfdertijd als Mondriaan rond. Wie wil weten hoe het met Nescio afliep leze zijn verhalen. Of zijn biografie.
Er staan nu andere bomen langs het Gein dan aan het begin van de vorige eeuw. Allicht, zelfs bomen hebben niet het eeuwige leven. Ze ruisen als de wind hen beroert en doen helemaal niet tragisch.
Wij fietsen daar, stappen af, kijken hoe het water voorbij stroomt, luisteren. En ik denk aan Mondriaan en aan Nescio. En ook wij gaan voorbij.

Piet Mondriaan, Bomen aan het Gein (1907-1908)

Piet Mondriaan, Bomen aan het Gein (1902)
Plaats een reactie