De Kanoeten

,

Kanoetstrandloper (Caladris canutus canutus)

Mijn eerste strandloper zag ik aan de Noord-Hollandse kust. Ze hoorden bij mijn jeugd. Als de badgasten en wandelaars het strand verlaten hadden waren ze er opeens, dribbelend langs de waterlijn. Geen idee waar die opeens vandaan kwamen, waar ze gewacht hadden tot de kust veilig was. Maar opeens kwamen ze in vluchten aanzwermen. Als de zon erop scheen belichtte die beurtelings de onderkant en bovenkant: zó zag je ze, zó waren ze weg tegen de achtergrond van de lucht. Ze hoorden er zoals het water bij de zee, het zand bij het strand. Ik hield van dat moment, van de stilte die intrad als het spelen gedaan was. Van hun schelle, korte roepjes – ze hadden iets te zeggen.

Later, wat liefdes later, ontstond deze haiku:

Pal op de vloedlijn

passeren strandlopertjes

hun korte pootjes

Later, nog weer veel later toen ik op Wieringen woonde, las ik in een natuurcolumn van Koos van Zomeren de vergelijking van het foerageergedrag met een naaimachientje. Dat pikken naar schelpjes en garnaaltjes doet daar inderdaad oppervlakkig aan denken. Kunst, dacht ik gemelijk, zo’n vergelijking, Van Zomeren doet ‘literair’. Tot ik deze formulering tegenkwam: ‘ze naaiden de modder aan het wad.” En daaruit sprak iets wat veel groter was dan dat kleine dribbelende diertje. Hier was de hele ruimte van slik bij betrokken, de droogvallende wadplaten, de luchten erboven, de getijden, het eindeloze Wad. En in die grote bewegingen deed dat strandlopertje iets futiels, iets banaals bijna, alleen maar om zijn kostje bij elkaar te pikken. Maar dát hield hemel en aarde bij elkaar.

Het duurde nog weer wat langer voor ik een beetje onderscheid begon te zien tussen een strandloper en een plevier. En nog meer tijd voor ik doorhad dat er verschillende strandlopers zijn. In de haiku gaat het om een drieteenstrandloper, bij Van Zomeren om een kanoet. Lang vond ik het maar iets uitsloverigs hebben al die ondersoorten uit elkaar te houden, het elkaar aftroeven wie dat het beste of het snelste kon. Zonderling hobbyisme. Bespottelijk duur ook nog, met die telescoopkijkers. Maar toch nog beter dan het brallerig becommentariëren van autootjes op het circuit van Zandvoort. De herrie alleen al. De macho’s.

Er is een precies moment geweest waarop mijn beeld over de vogelarij radicaal kantelde. Op de Molgerdijk bij Vatrop op Wieringen vertelde mij een man met zo’n grote telescooptoeter dat hij de rotgans die hij die ochtend in het vizier had gekregen nog in de zomer zélf ergens in Siberië had geringd. Hij was er helemaal opgetogen van. Pocher, dacht ik. Hij aan het vertellen, ik aan het luisteren. Er kwam geen eind aan. Dat die rotganzen op Spitsbergen en in Siberië broedden wist ik wel, ook al ‘hoorden’ ze bij Wieringen. ‘Rotgans’ is daar zelfs een familienaam, zo vertrouwd zijn ze. Siberië was ver weg, dat wel, maar al eeuwenlang kwamen die ganzen daarnaartoe in de winter, toen ’t nog een eiland was. Ook wel eens niet. Dan was er zeker iets aan de hand in Siberië, werden ze zeker opgevreten door de Russen.

Tot zo ver begreep ik ’t wel. Het paste prima in mijn wij-zijschema. Maar toen begon die man over de kanoeten. Die broedden niet alleen veel verder oostelijker in Siberië maar als ze in de winter naar de Waddenzee komen, ‘dáár is het dan veuls te koud vanzelluf,’ dan vliegen ze na een tijdje opvetten gewoon door naar Afrika, tot aan Kaapstad toe. Gaan ze daar lekker overwinteren. En daarna vliegen ze gewoon weer terug. Het hele end. In één jaar.

Tóen gebeurde er iets onder mijn bekrompen hersenpan.

Kijk, die daar,’ de man wees, ‘dat zijn kanoeten’. Zelden voelde ik mij zo’n  onbeduidend stipje als toen ik die kanoeten zag.

Plaats een reactie