
Canadese populieren, Baanakkerspark, in 1967 geplant toen ons huis werd opgeleverd
Om mijn oud woonhuis peppels staan
Om mijn oud woonhuis peppels staan
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
een smalle laan
van natte blaren, het vallen komt.
Het regent, het regent eender te hooren
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
en altijd door en
den treuren uit, de wind verstomt.
Het huis is hol en vol duisternis
‘mijn lief, mijn lief, o waar gebleven’
gefluister is
boven op zolder, het dakgebint.
Er woont er een voorovergebogen
‘mijn lief, mijn lief o waar gebleven’
met leege oogen
en die zijn vrede en rust niet vindt.
J. H. Leopold, Verzen (1897)
_____
Mijn natuurlijke neiging tot melancholie laat zich maar moeilijk onderdrukken, dat zie ik vanmorgen weer helder in. Deze week liet de gemeente Amsterdam weten de populieren voor ons huis te zullen kappen. Ze vormen een gevaar voor passanten. Over dit besluit moet niet lichtvaardig worden gedacht. Er zijn procedures. Er is wetgeving. Er is een gemeentelijk bomenbeleid en een kapbeleid. Alle bomen van deze grootstad hebben een individueel nummer en een heel bataljon aan ambtenaren monitort de staat daarvan. Ik heb wel eens zo iemand met een meetlint rond de bomen zien scharrelen. Wat hij mat werd ter plekke op een tablet ingevoerd en ik vermoed dat iemand ten burele van het gemeentelijke houthakkersteam die data subiet analyseerde. ‘Bomen 1007341, 1007342 en 1007343 vormen een gevaar voor passanten. Kapvergunning aanvragen.’ En wat doe ik? Ik zoek een versje van Leopold.
Ik herinner mij de keer dat ik het gedicht van Leopold voor het eerst las. Ik studeerde toen al in Groningen en Om mijn oud woonhuis riep ogenblikkelijk mijn nog vroegere jeugd in de Wieringermeer op. In Groningen staan ook veel populieren. Langs het van Starkenborghkanaal bijvoorbeeld waar ik toen woonde en waarlangs ik iedere dag wel even fietste om het geleerde te laten inzinken. Maar juist dat gedichtje deed mij aan de bomen van thuis denken. ’t Moet heimwee geweest zijn, maar dat kón niet. Dat mócht niet, ik was toch al een grote jongen?
Toen ik erover nadacht probeerde ik het zakelijk te houden. Die Wieringermeer was vol gezet met populieren omdat die lekker snel groeien en de wind op de vlakte zo goed breken. Daarom stonden er zo veel. Echte polderjongens zijn het, met poten in de klei. En wat kun je van het hout wel allemaal niet maken? Klompen. Lucifers. Sinaasappelkistjes. Geen boeren- maar industrieel geriefhout. En je kunt er ook nog de Mona Lisa op schilderen. Maar heimwee?
Ja, het geluid van populieren hoort bij mijn vroege jeugd. En de overvloedige bladerval in het najaar, de geuren van de herfst. Waarom was dat in Groningen anders? Hier kwam iets anders bij want naar de Wieringermeer verlangde ik niet. ‘Woonhuis’ met peppels eromheen gebogen is geen gewoon huis.
Toen wij de sleutel kregen van het huis waar wij nu in wonen, en wij er voor het eerst als eigenaar in rondliepen, en rondkeken, en schrokken van wat er allemaal moest gebeuren om het ons huis te maken, díe muur gaat er dus uit, en die ook, en als we nou-es die schuifpui een meter naar binnen . . . en toen de omvang van alle nog te verrichten arbeid in volle hevigheid op ons neerdaalde, tezamen met geestdrift en vertwijfeling, toen deed ik de balkondeur open die een schuifpui moest worden en toen hoorde ik het geruis van de populieren. Populierenruis. En ik wist dat het een goed huis was. Dat het althans goed zou komen.
En het kwam goed. Ik leerde kraaien kennen die hier toen ook al druk met hun nesten in de weer waren en net als toen zullen de jongen pas uit het ei kruipen als het bladerdek zich helemaal gesloten heeft. Ze kennen en herkennen mij. En de kauwtjes, die op ongeregelde tijden even voorbij komen zwermen. De specht, die iedere ochtend wel even langs komt kloppen. De duiven. Het boomkruipertje dat ik dit jaar nog niet gezien heb. Die andere zangvogeltjes die ik wel hoor maar zelden zie.
Nu zullen die populieren dus gekapt worden. Alles kan ik verdragen, zelfs de ambtelijke prietpraat, zelfs mijn eigen sentimenteel gezanik. Maar hoe vertel ik de kraaien dat ze hun nest maar beter elders kunnen bouwen?
Plaats een reactie