
Omslag van de eerste druk van ‘Jan Pietersz. Coen’, 1931. Houtsnede: J. Franken Pzn.
Iedereen heeft wel eens de situatie meegemaakt waarin een verhaal verteld wordt. Niet voorgelezen, maar verteld, uit het blote hoofd. De avond valt, de dingen van de dag zijn besproken, rond het kamp verstillen de geluiden van het bos, het kampvuur knappert en licht alle gezichten op, de kruik wordt doorgegeven. Iemand vraagt of iemand nog een goed verhaal weet. En iemand begint: Er was eens . . .
In de dageraad van de menselijke beschaving begon zo de literatuur. Nou ja, de opgetekende geschiedenis van de mensheid. Zo begon Homeros: Vertel Muze, vertel van de wrok van Achilles. Daar kwam voor de Grieken grote ellende uit voort . . . Of het epos over Gilgamesj. De verhalen over Adam en Eva, Kaïn en Abel.
De toehoorders kennen het verhaal. Het gaat erom hoe de verteller het vertelt. Het is bekend en nieuw tegelijk. Ieder van de toehoorders heeft een versie van het verhaal in het hoofd, sommigen uitgebreid, sommigen fragmentarisch. ‘Nu komt de scene Oma, wat heb je grote ogen! ‘ Of: ‘de wolf werd toch met een steen in de vijver gegooid?’ Gezamenlijk, elkaar aanvullend, zouden ze er best in slagen het hele verhaal te reproduceren. Wat overigens allerminst garandeert dat iedereen het dan met die versie eens zou zijn.
The Nutmeg’s Curse is een parabel en Amitav Ghosh is een begenadigd verteller. Ik luister naar hem, geniet van het timbre van zijn stem, bewonder zijn fijnzinnige gevoel voor details, zijn timing. En betrap mij erop te willen vragen wat er ook al weer in dat mandje voor grootmoeder zat. Daarom duurt het lezen van zijn boek zo lang.
Het verhaal over Coen is bekend. De Heeren XVII keken al bedenkelijk toen hun ter ore kwam wat Coen in hun naam op de Banda-eilanden geflikt had. Maar ja, ‘we kunnen geen handel drijven zonder oorlog, of oorlog drijven zonder handel’ had Coen laten weten. Daar zat dan ook wel wat in. . .
Al sinds 1621 zitten mensen rond een vuur naar het verhaal over Coen te luisteren. Er zijn steeds andere vertellers. Ik luister nu naar Ghosh. Af en toe wil ik een detail rechtzetten: het gaat niet om de 30-jarige oorlog maar om de 80-jarige. Ach, het stoort het verhaal niet, het is een parabel. Af en toe heb ik lust het verhaal aan willen vullen: wist je wel, Ghosh, dat Slauerhoff al in 1931 Coen neerzette als een uiterst benepen burgermannetje met een beklemmend bekrompen moraal? En dat hem dat niet in dank werd afgenomen? Het is niet eens een slecht stuk maar Slauerhoff’s dramatisering mocht pas vijftig jaar later opgevoerd worden. Nota bene! En dan nog. Die Hoornse raadsleden die maar niet kunnen besluiten wat met dat beeld op de Rode Steen te doen . . . Wat zegt dit over de ‘Nederlandse mentaliteit’?
Mijn leesavontuur van de parabel over de nootmuskaat duurt zo lang omdat ik dan toch weer even wil uitzoeken hoe het ook al weer zat met Slauerhoff. En vooral met die streng Calvinistische moraal waarmee alle geweld werd gelegitimeerd: jegens vrouwen, jegens iedereen die niet wit was, jegens beschavingen die als inferieur werden weggezet en dientengevolge tot slaaf gemaakt of omwille van de handel gewoonweg uitgeroeid.
Mijn leesavontuur duurt zo lang omdat ik steeds weer op nieuwe uitvluchten stuit om Coen’ s genocidale misdaden maar te vergoelijken. Ghosh heeft het niet over de Nederlandse beeldvorming van zogenoemde nationale helden. Hem gaat het om onze misdadige houding ten opzichte van de natuur. En die is nog vele malen ingewikkelder. De uitvluchten nog talrijker. Toch moet alles weerlegd.
Mijn leesavontuur duurt zo lang omdat ik in de vlammen kijk.
Plaats een reactie