
Die tureluurtjes,
zo ver ze te horen zijn:
tot het uiterste
_____
Vanuit Nederland gezien begint de Waddenzee bij het Balgzand: die enorme wadplaat tussen Wieringen, Den Helder en Texel. Jarenlang was dat het uitzicht van mijn kleine huis op de hoogte van Oosterland, vlak naast het kerkje. Van daaruit zwierf ik langs het wad. Daar leerde ik de bewegingen van de vogels te volgen, de beweging van de getijden. Als mensen mij daar dan eindelijk gevonden hadden hoorde ik niet zelden dat ik aan het einde van de wereld woonde. Ik liet hen hartelijk in die waan want ik was gesteld op de rust. Over mijn bijna dagelijkse ervaringen dat we het begin van de wereld aanschouwden deed ik er het zwijgen toe. Het woord epifanie meed ik helemaal als de pest. Maar toch was het zo. De hemel zij geprezen dat het Balgzand niet vrij toegankelijk is.
De Waddenzee met haar eilanden strekt zich langs de Duitse en Deense kust helemaal uit tot Esbjerg. Bijna al die eilanden heb ik ooit wel eens bezocht. Op de fiets, hoe anders, als je student bent, en ook nog getalenteerd idealist? De Vereniging tot behoud van de Waddenzee bestond toen nog niet zo lang maar ik adverteerde al fietsend met de sweater met het logo: Wees wijs met de Waddenzee. Ach. Veel herinneringen aan die ontdekkingsreizen kwamen afgelopen week weer bovendrijven toen ik de documentaire As the tide comes in (2023) zag. Die had ik indertijd gemist bij de IDFA / Movies That Matter maar gelukkig bleek De Groene Amsterdammer die nog uit te zenden. Er zijn, ook gelukkig, nog idealisten.
De film volgt het dagelijks leven op Mandø, een van de laatste Waddeneilanden van die parelketting van kwetsbare schoonheid. Ik ruik weer het zilt van de schorren, zie het water weer opspatten voor mijn voorwiel toen ik over de dam naar het eiland fietste, het zonlicht maakte er zilver van. Ik moest vaart maken, alleen bij eb was het eiland bereikbaar. Ik hoor weer de sterntjes, de tureluurtjes, zie weer de vluchten strandlopertjes boven het water zwenken.
De documentaire volgt vooral de bezigheden van de laatste boer van het eiland, Gregers. Die is vooral doende zijn land droog te houden voor het stijgende water. Ja, een vrouw om het leven mee te delen, dat zou hij ook wel willen. Maar wat heeft hij dan te bieden? vraagt de Deense variant van Boer zoekt Vrouw hem. Gregers is lang stil. De natuur, bedenkt hij dan eindelijk. Leven op dat eiland is al eeuwen lang rekening houden met de getijden. Dat ging in het verleden wel eens mis. Maar nu is er een dreiging bijgekomen: door de klimaatsverandering komt dat water steeds hoger. En vaker. Het is niet langer de vraag of het verkeerd af zal lopen. Maar wanneer.
Je hoort en ziet de laatste tijd steeds vaker beelden van eilanden in de Stille Oceaan die ten gevolge van de stijgende zeewaterspiegel ten onder dreigen te gaan, Tuvalu bijvoorbeeld. Dat is ver weg. Maar gefortuneerden boeken een vliegreis om dat eens met eigen ogen te aanschouwen. En er daarna bevlogen (zegt u dat wel) over te ouwehoeren in een of ander mondiaal forum ter bevordering van het ecobewustzijn. Idealisme, zegt u dat wel. Pfff . . .
Vijftig jaar geleden wisten we al dat het mis ging met de Waddenzee. Het getijdegebied uitroepen tot werelderfgoed heeft daar geen spatje aan veranderd. Dit is geen oproep met z’n allen nu maar naar Mandø af te reizen. Ze hebben daar al genoeg last van de gesel van het toerisme en het adverteren heb ik afgeleerd. Maar die documentaire bekijken zou toch moeten kunnen. As the tide comes in laat in al z’n lulligheid akelig scherp zien hoe we er voor staan. En hoe dichtbij het is. En hoe precair.
Plaats een reactie